Home

Rechtbank Oost-Brabant, 24-12-2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:6491, 20/1698

Rechtbank Oost-Brabant, 24-12-2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:6491, 20/1698

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24 december 2020
Datum publicatie
4 oktober 2021
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2020:6491
Zaaknummer
20/1698

Inhoudsindicatie

Wijziging persoonsgegevens in de basisregistratie personen

Artikel 2.58 Wet basisregistratie personen. Afwijzing van het verzoek om wijziging van de persoonsgegevens. Beroep is ongegrond, omdat niet onomstotelijk vast is komen te staan dat de nu geregistreerde gegevens onjuist zijn.

Uitspraak

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/1698

[eiseres] , in [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K.L. Sett),

en

het college van burgemeester en wethouders van Deurne, het college

(gemachtigde: mr. C.J.H. Delissen).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2019 (het primaire besluit) heeft het college het verzoek van eiseres om haar persoonsgegevens in de basisadministratie personen (brp) te wijzigen, afgewezen.

Bij besluit van 25 november 2019 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het besluit van 25 november 2019 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft op 3 april 2020 uitspraak gedaan (zaaknummer SHE 19/3226). De

rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 november 2019 vernietigd en bepaalt dat het college een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van wat in haar uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 22 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn bij brief van 18 juli 2020 aangevuld.

Het college heeft op 9 september 2020 een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2020. Eiseres is naar de zitting gekomen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en M.H.W. Berkers.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft op 2 oktober 2001 een verklaring onder ede afgelegd in Drachten, gemeente Smallingerland. Zij heeft toen verklaard te zijn: [eiseres] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] (China).

2. Op 10 oktober 2018 heeft eiseres bij het college het verzoek ingediend om op grond van artikel 2.58, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) haar persoonsgegevens te wijzigen in: [naam 1] geboren op [geboortedatum] , in [geboorteplaats] .

3. Als onderbouwing van haar verzoek heeft eiseres de volgende documenten ingediend:

  1. een Chinees paspoort, afgegeven op 17 augustus 2012;

  2. een Chinese identiteitskaart, afgegeven op 31 december 1997 te Ruian;

  3. een Chinese identiteitskaart, afgegeven op 18 oktober 2012 te Ruian;

  4. een gelegaliseerde notariële verklaring met geboortegegevens, afgegeven op 20 maart 2018;

  5. en gelegaliseerde notariële verklaring hukou van ouders, afgegeven op 15 maart 2018;

  6. een gelegaliseerde notariële verklaring identiteit, afgegeven op 15 maart 2018;

  7. een beëdigde vertaling van identiteitskaarten, opgemaakt op 9 januari 2019;

  8. een deskundigenrapportage verwantschapsonderzoek Verilabs, opgemaakt op 9 april 2018.

4. Het college heeft de hukou, de notariële verklaring met geboortegegevens en de notariële verklaring identiteit op 16 oktober 2018 opgestuurd naar Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (Bureau Documenten). Daar is geconcludeerd dat de notariële verklaring identiteit niet is voorzien van een pasfoto en dat de andere twee documenten geen originele documenten zijn, maar kopieën. Die kopieën kunnen niet op echtheid worden gecontroleerd.

De identiteitskaarten en het paspoort heeft het college voor onderzoek naar de Koninklijke Marechaussee (Kmar), Sectie Identiteit- en Documentenonderzoek, gestuurd. Uit dit onderzoek kwamen geen bijzonderheden of kenmerken van vervalsingen naar voren.

5. De rechtbank heeft in de uitspraak van 3 april 2020 het beroep van eiseres gegrond verklaard, omdat het college niet had onderkend dat de identiteitskaart die is afgegeven in 1997, op zijn minst een begin van bewijs vormt dat eiseres is wie zij zegt dat ze is. De rechtbank overwoog in die uitspraak dat die conclusie de overige documenten en informatie zoals de hukou en de uitslag van het DNA-onderzoek – als aanvullend bewijs – in een ander licht stelt. Gelet daarop vertoonde de besluitvorming naar het oordeel van de rechtbank een motiveringsgebrek. De rechtbank heeft om die reden het besluit op bezwaar van 25 november 2019 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in haar uitspraak is overwogen.

6. Vervolgens heeft het college met het bestreden besluit uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank, en dat besluit moet nu door de rechtbank worden beoordeeld.

Het bestreden besluit

7. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag van eiseres terecht is afgewezen, omdat niet onomstotelijk vast is komen te staan dat de nu in de brp geregistreerde gegevens van eiseres onjuist zijn.

8. Volgens het college is het paspoort geen brondocument omdat het wordt verkregen op

basis van gegevens van (andere) brondocumenten. Het is niet duidelijk op basis van welke brondocumenten het paspoort is verkregen en dit doet afbreuk aan de bewijswaarde van het paspoort, zodat hieraan geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

9. Over de identiteitskaart die in 2012 is afgegeven, overweegt het college dat uit het

Algemeen ambtsbericht China uit 2018 volgt dat identiteitskaarten in persoon moeten worden aangevraagd en dat dit vanuit het buitenland niet mogelijk is. Ook blijkt uit het Algemeen ambtsbericht China 2012 dat de identiteitskaart vingerafdrukken bevat, waaruit door het college ook wordt afgeleid dat een identiteitskaart in persoon moet worden aangevraagd. Verder heeft het college navraag gedaan en ook daaruit blijkt dat een identiteitskaart niet op afstand met een machtiging kan worden aangevraagd. Het college acht het niet waarschijnlijk dat in oktober 2012 een ‘oude generatiekaart’ is verkregen en deze kaart niet in persoon diende te worden aangevraagd. Er bestaat volgens het college daarom aanleiding om te twijfelen aan de echtheid en de juistheid van deze identiteitskaart.

10. Ook aan de notariële verklaringen kan volgens het college geen doorslaggevende

waarde worden toegekend. Niet kan worden vastgesteld dat de gegevens in deze verklaringen inderdaad zien op eiseres, omdat deze documenten geen pasfoto bevatten en niet door eiseres persoonlijk in China zijn opgevraagd. Het zijn kopieën die niet op echtheid te controleren zijn. Ook de hukou is een kopie en niet nagegaan kan worden of deze compleet is, aldus het college. Alleen daarom al kan aan deze documenten geen doorslaggevende waarde worden toegekend, zo stelt het college. Daarnaast constateert het college ook inhoudelijk gebreken en onduidelijkheden. In de hukou wordt melding gemaakt van inschrijving/registratie op 21 november 2003, terwijl eiseres toen al uit China was vertrokken. Een eenduidige en consistente verklaring hiervoor ontbreekt volgens het college. Tot slot merkt het college op dat deze documenten zijn afgegeven op grond van de identiteitskaart die in 2012 is afgegeven en waarbij het college grote twijfels heeft over de echtheid en juistheid van die kaart. Daarom kan het college niet van de juistheid en de volledigheid van de inhoud van de notariële akte en de onderliggende documenten uitgaan.

11. De tweede identiteitskaart die eiseres heeft overgelegd, is afgegeven op 31 december

1997. Over de bewijswaarde van die identiteitskaart overweegt het college dat mede gelet op het feit dat de identiteitskaart ruim 22 jaar oud is, niet is vast te stellen of deze identiteitskaart op eiseres betrekking heeft. Hieruit kan uitsluitend het bestaan van een persoon met de gegevens waarvan eiseres stelt dat die op haar betrekking hebben, worden afgeleid.

12. Tot slot legt het DNA-verwantschapsonderzoek geen link tussen eiseres en de overgelegde documenten, nu niet kan worden uitgegaan van de inhoud van de notariële verklaringen en de onderliggende documenten waaruit de gezinsverbanden blijken.

Het beoordelingskader

13. De voor de beoordeling relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

14. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bestendige rechtspraak ontwikkeld over de toetsing van artikel 2:58, eerste lid, van de Wet brp. Op grond van die vaste rechtspraak moet voorop worden gesteld dat de gegevens in de basisregistratie betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor de gegevens omtrent de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, heeft de wetgever een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Aan een "lager" document mogen gegevens worden ontleend wanneer op het tijdstip van inschrijving in redelijkheid geen "hoger" document kan worden overgelegd. Dit doet evenwel niet af aan de plicht van de burger om eventueel ook na de inschrijving alsnog zo sterk mogelijke documenten te leveren (Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3, blz. 126). Het bewijs dat eenmaal in de basisregistratie opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, kan alleen maar worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Voor het wijzigen van eenmaal in de basisregistratie geregistreerde gegevens zal gelet op het systeem van de Wet brp onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:380).

De beoordeling door de rechtbank

15. Eiseres voert aan dat door middel van de overgelegde documenten voldoende is aangetoond dat de door haar gestelde persoonsgegevens haar juiste gegevens zijn en dat de nu in de brp geregistreerde persoonsgegevens onjuist zijn. Ten aanzien van de door eiseres overgelegde documenten overweegt de rechtbank als volgt.

Het paspoort

16. Eiseres voert aan dat zij een Chinees paspoort heeft overgelegd waarvan de authenticiteit vaststaat. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling1dient in beginsel van de juistheid van een door de Chinese autoriteiten afgegeven paspoort te worden uitgegaan, omdat de Chinese autoriteiten de identiteit van de aanvrager hebben vastgesteld alvorens het Chinese paspoort wordt verstrekt.

17. De rechtbank is van oordeel dat het college zich in dit geval op het standpunt heeft kunnen stellen dat concrete aanknopingspunten bestaan om niet van de juistheid van dit paspoort uit te gaan. Zoals deze rechtbank in haar uitspraak van 3 april 2020 heeft overwogen, is het paspoort geen brondocument, omdat het wordt verkregen op basis van gegevens van (andere) brondocumenten. Ook heeft de rechtbank in die uitspraak overwogen dat niet duidelijk is op basis van basis van welke brondocumenten het paspoort door eiseres is verkregen. Het paspoort is afgegeven in augustus 2012 en de overige documenten die eiseres heeft overgelegd, zijn van een latere datum. Tijdens de zitting in de nu aan de orde zijnde procedure heeft eiseres desgevraagd toegelicht dat zij bij de aanvraag van het paspoort een gelegaliseerde geboorteakte, een gelegaliseerde antecedentenverklaring en een gelegaliseerde ‘hukou’ heeft overgelegd, niet zijnde de notariële verklaringen die bij de aanvraag zijn overgelegd. De rechtbank acht deze toelichting op zitting bevreemdingwekkend en betrekt daarbij dat eiseres al bij haar verzoek om wijziging van haar gegevens op 1 april 2019 is gevraagd hoe zij het paspoort in 2012 heeft aangevraagd in Den Haag. Haar antwoord is dan dat zij niet meer precies weet met welke documenten zij het paspoort in Den haag heeft aangevraagd. Ook tijdens de zitting in de vorige beroepsprocedure is dit punt aan de orde geweest. Niet valt uit te sluiten dat eiseres naar aanleiding van de zitting in de vorige beroepsprocedure en de uitspraak van 3 april 2020 het belang en de relevantie heeft ingezien van een verklaring over documenten die ten grondslag hebben gelegen aan de afgifte van het paspoort, zodat de rechtbank de verklaring van eiseres ter zitting meer ziet als een ‘gelegenheidsverklaring’ en daarin geen aanleiding ziet voor een ander oordeel.

De identiteitskaart uit 2012

18. Eiseres verwijst ten aanzien van de identiteitskaart uit 2012 naar hetgeen zij in de vorige beroepsprocedure heeft aangevoerd.

19. Het college stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de rechtbank al een oordeel heeft gegeven over de identiteitskaart uit 2012 en dat het oordeel van de rechtbank met de uitspraak van 3 april 2020 in rechte vast is komen te staan, omdat hiertegen geen hoger beroep is ingesteld. Dat betekent volgens het college dat in het onderhavige beroep tegen het bestreden besluit van de juistheid van dit eerder door de rechtbank gegeven oordeel over de identiteitskaart uit 2012 moet worden uitgegaan.

20. De rechtbank begrijpt dat het college verwijst naar de zogeheten ‘Brummen rechtspraak’2, waarin is geoordeeld dat het niet instellen van hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat als in beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan.

21. Van dit laatste is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, omdat de rechtbank gelet op het oordeel over de identiteitskaart uit 1997 overweegt dat met dat oordeel de overige documenten en informatie in een ander licht worden gesteld. De beroepsgrond van eiseres over de identiteitskaart uit 2012 is daarmee door de rechtbank niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen en ligt daarom ook hier ter beoordeling voor.

22. Eiseres voert aan dat de identiteitskaart van 18 oktober 2012 blijkbaar nog een ‘oude generatie’ kaart is, waar geen vingerafdrukken op staan. Volgens eiseres staat in de Chinese wet alleen dat voor een aanvraag van een identiteitskaart een aanvraagformulier en een hukou overgelegd moeten worden. Nergens blijkt dus uit dat een dergelijke kaart alleen in persoon kan worden aangevraagd. Volgens eiseres heeft zij via een soort skype verbinding contact gehad met de Chinese autoriteiten en is op die manier haar identiteit vastgesteld. Ook staat eiseres nog ingeschreven op de hukou van haar ouders en was er nog een oude identiteitskaart aanwezig die eiseres wel in persoon had aangevraagd. Vervolgens is aan eiseres een ‘oude generatie’ identiteitskaart verstrekt.

23. De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting gewezen op het Algemeen ambtsbericht China van juli 2020 (pagina 15) waaruit blijkt dat de zogenaamde eerste generatie identiteitsbewijzen zonder digitale chip en op geplastificeerd papier niet meer geldig is sinds 1 januari 2013. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat het niet aannemelijk is dat op 18 oktober 2012 een identiteitskaart wordt uitgegeven met een geldigheidsduur van anderhalve maand. Bovendien volgt uit het Algemeen ambtsbericht China 2012 (pagina 50) dat aanvragers van identiteitskaarten in persoon moeten verschijnen, onder meer in verband met het afnemen van vingerafdrukken. Dit volgt ook uit het Algemeen ambtsbericht China 2018 (pagina 20) waar is vermeld dat de aanvraag van een identiteitskaart in persoon moet gebeuren en niet door een derde kan worden gedaan. Voor zover bekend kan een identiteitskaart niet vanuit het buitenland worden aangevraagd. Pas in het Algemeen ambtsbericht China van juli 2020 (pagina 14) wordt melding gemaakt van een versoepeling voor wat betreft het toezenden van paspoorten en reisdocumenten. De aanvraag daarvan moet nog steeds in persoon gebeuren. Eiseres heeft de rechtbank niet kunnen overtuigen met haar stelling dat dit in haar geval anders is. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het college mocht twijfelen aan de echtheid dan wel juistheid van de identiteitskaart uit 2012.

De notariële verklaringen

24. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij drie verklaringen heeft overgelegd, een gelegaliseerde kopie notariële verklaring met geboortegegevens, een gelegaliseerde kopie notariële verklaring hukou van ouders en een gelegaliseerde notariële verklaring identiteit. Het zijn gewaarmerkte kopieën die Bureau Documenten opnieuw kan onderzoeken met de identiteitskaarten en het paspoort erbij.

25. De rechtbank is met het college van oordeel dat er geen doorslaggevende waarde kan worden toegekend aan de notariële verklaringen. Het college wijst ten aanzien van de vorm en opmaak erop dat niet kan worden vastgesteld dat de gegevens in deze verklaringen inderdaad zien op eiseres, nu deze documenten geen pasfoto bevatten en niet door eiseres persoonlijk in China zijn opgevraagd. Ook zijn het kopieën die niet op echtheid te controleren zijn. Daarnaast volgt de rechtbank het college ook in zijn standpunt dat de notariële akte inhoudelijk gebreken en onduidelijkheden bevatten. De notariële verklaringen vermelden alle het identiteitskaartnummer van de identiteitskaart die in 2012 is afgegeven. Zoals de rechtbank in voorgaande rechtsoverwegingen heeft overwogen, heeft het college mogen twijfelen aan de echtheid en de juistheid van die identiteitskaart en om die reden ook aan de inhoud van de notariële verklaringen. De toelichting van eiseres op zitting dat deze verklaringen niet zijn afgegeven op basis van die identiteitskaart, maar dat die identiteitskaart slechts wordt vermeld omdat dat eiseres haar identiteitskaart op dat moment was en verder in de notariële verklaringen geen enkele functie heeft, volgt de rechtbank niet. Het had dan op de weg van eiseres gelegen om aan te tonen dat deze identiteitskaart bij afgifte van deze notariële verklaringen geen identificerende functie had en daarin is zij met haar verklaring op zitting niet in geslaagd. Daarnaast heeft het college ook gewezen op de datum van inschrijving/registratie in de hukou op 21 november 2003, terwijl eiseres toen al uit China was vertrokken. De uitleg van eiseres ter zitting dat haar ouders dit zo bij betreffende instantie hebben aangegeven en dat hier niet op wordt gecontroleerd, acht de rechtbank evenmin voldoende. Het college hoefde daarom niet van de juistheid van de inhoud van de notariële akten uit te gaan.

DNA-onderzoek

26. Eiseres voert aan dat uit het DNA-onderzoek blijkt dat zij de dochter is van haar ouders en dat met de authentieke identiteitskaarten en het paspoort en de gelegaliseerde akten vast staat dat zij is wie zij zegt dat ze is.

27. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2882) kan een DNA-onderzoek als aanvullend bewijs dienen om aan te tonen dat er een link bestaat tussen overgelegde documenten en de betrokkene. Een beoordeling van een DNA-onderzoek komt echter pas aan de orde als er aanknopingspunten zijn voor de stelling dat een persoon is wie hij zegt te zijn, maar nader bewijs noodzakelijk is. In dit geval stelt het college zich terecht op het standpunt dat die aanknopingspunten ontbreken. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen kan niet van de juistheid van de inhoud van de notariële akte met daarin de gegevens van de ouders worden uitgegaan, zodat het DNA-onderzoek geen link legt met de gestelde identiteit van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat dit betekent dat het DNA-onderzoek geen aanvullend bewijs is dat aantoont dat de overgelegde documenten op eiseres betrekking hebben.

De identiteitskaart uit 1997

28. Over de identiteitskaart uit 1997 heeft eiseres aangevoerd dat zij het college niet kan volgen in zijn motivering dat de bewijswaarde gering is. Eiseres wijst erop dat de authenticiteit van de identiteitskaart vast staat en dat de in 1997 afgegeven identiteitskaart dateert van vóór het vertrek van eiseres uit China.

29. De rechtbank is van oordeel dat hoewel de authenticiteit van de identiteitskaart vast staat, verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat niet kan worden vastgesteld of deze identiteitskaart op eiseres betrekking heeft waarbij hij eiseres heeft kunnen tegenwerpen dat deze identiteitskaart ruim 22 jaar oud is. Uit de identiteitskaart kan uitsluitend het bestaan van een persoon met de gegevens waarvan eiseres stelt dat die op haar betrekking hebben worden afgeleid. In tegenstelling tot wat in de uitspraak van 3 april 2020 in rechtsoverweging 10.3. is overwogen, blijkt uit de zittingsaantekeningen van de zitting in die zaak niet dat het college is voorgehouden of het eiseres is die op de foto te zien is. Het college heeft met het bestreden besluit het motiveringsgebrek in zijn eerdere besluitvorming hersteld.

Conclusie

30. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht tot de conclusie is gekomen dat er geen aanleiding bestaat om de gegevens van eiseres te wijzigen, omdat niet onomstotelijk is komen vast te staan dat de in de brp geregistreerde gegevens onjuist zijn.

31. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.L. Verbruggen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op24 december 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Artikel 2.8

Artikel 2.58