Home

Rechtbank Arnhem, 08-04-2010, ECLI:NL:RBARN:2010:435 BM1488, 09/4144

Rechtbank Arnhem, 08-04-2010, ECLI:NL:RBARN:2010:435 BM1488, 09/4144

Gegevens

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
8 april 2010
Datum publicatie
16 april 2010
ECLI
ECLI:NL:RBARN:2010:BM1488
Zaaknummer
09/4144

Inhoudsindicatie

Tegemoetkoming ingevolge de Tijdelijke Regeling Inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (TRI); subsidiekarakter; verwijzing door verweerder naar de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 bij herziening eerder besluit; herbeoordeelde in de zin van de TRI; toegenomen inkomsten vanwege het opgehoogde invaliditeitspensioen. Vernietiging besluit en instandlating van de rechtsgevolgen.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/4144

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 8 april 2010.

inzake

[Eiser], eiser,

wonende te [woonplaats],

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 29 september 2009, uitgereikt door het UWV, kantoor Rotterdam.

2. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft verweerder, onder intrekking van het besluit van 6 maart 2009, eiser medegedeeld dat hij ten onrechte in de periode van 19 december 2007 tot en met 18 december 2008 een voorschot ingevolge de Tijdelijke Regeling Inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (TRI) heeft ontvangen en dat dientengevolge een bedrag van € 6085,21 van eiser zal worden teruggevorderd.

Op 29 juli 2009 heeft verweerder terzake een invorderingsbesluit genomen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de eerder genoemde besluiten gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 8 maart 2010. Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J. de Graaf, werkzaam bij het UWV, kantoor Arnhem.

3. Overwegingen

Eiser, geboren op [geboortedatum], ontvangt sedert 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk tot 19 december 2007 gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Naar aanleiding van een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft verweerder eisers mate van arbeidsongeschiktheid per 19 december 2007 vastgesteld op 35 tot 45% en de uitkering per die datum verlaagd.

Eiser heeft vervolgens een tegemoetkoming ingevolge de TRI aangevraagd.

Bij besluit van 15 januari 2008 heeft verweerder eiser deze tegemoetkoming met ingang van 19 december 2007 toegekend en aangegeven dat deze uitkering (in beginsel) tot 18 december 2008 loopt. In dat besluit is aangegeven dat de definitieve hoogte zo spoedig mogelijk na 18 december 2008 wordt vastgesteld. Eiser is er op gewezen dat op de tegemoetkoming een eventuele toename van het inkomen in mindering wordt gebracht en dat indien de definitieve vaststelling afwijkt van het toegekende bedrag, een nabetaling of een terugvordering zal volgen. Voorts is eiser er op gewezen dat de uitkering verstrekt wordt bij wijze van voorschot.

De tegemoetkoming van eiser is met ingang van 19 december 2008 geëindigd. Bij besluit van 6 maart 2009 heeft verweerder de tegemoetkoming definitief vastgesteld op het bedrag van de reeds verleende voorschotten.

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft verweerder, onder intrekking van het besluit van 6 maart 2009, eiser medegedeeld dat, nu hij op 1 juli 2004 ouder was dan 50 jaar en niet tot de doelgroep van de TRI behoorde, ten onrechte in de periode van 19 december 2007 tot en met 18 december 2008 een voorschot ingevolge de TRI heeft ontvangen en dat dientengevolge een bedrag van € 6085,21 van eiser zal worden teruggevorderd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit van 23 juni 2009 gehandhaafd.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank dient het bestreden besluit te beoordelen aan de hand van de ten tijde in geding geldende regelgeving.

In artikel 2, tweede lid, van de TRI is bepaald dat de herbeoordeelde recht heeft op een tegemoetkoming voor de duur van twaalf maanden indien hij op de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering geen recht heeft op een werkloosheidsuitkering.

In artikel 3, eerste lid, van de TRI is bepaald dat de herbeoordeelde een tegemoetkoming ontvangt ter hoogte van het verschil tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering waar hij recht op had op de dag voor de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering en de arbeidsongeschiktheidsuitkering waar hij recht op heeft vanaf die datum. Hierop wordt in mindering gebracht de toename van het inkomen uit of in verband met arbeid vanaf de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering ten opzichte van het inkomen uit of in verband met arbeid voor die datum.

In artikel 4, eerste lid, van de TRI is bepaald dat de tegemoetkoming door het UWV bij wege van een naar redelijkheid vast te stellen voorschot betaalbaar wordt gesteld.

Artikel 4, vierde lid, aanhef en onder a, van de TRI bepaalt dat, indien bij de vaststelling blijkt dat het door het UWV op grond van het eerste lid betaalde voorschot te hoog is, de teveel betaalde tegemoetkoming van de herbeoordeelde wordt teruggevorderd.

De rechtbank stelt voorop - onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 december 2008 (LJN BG9009) - dat de TRI een regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid betreft die onder meer is gebaseerd op de Kaderwet SZW-subsidies. De TRI is daarom, anders dan sociale verzekeringswetten als de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet en anders dan de Wet werk en bijstand, aan te merken als een subsidieregeling waarop de bepalingen van hoofdstuk 4 van de Awb van toepassing zijn. Hierdoor is de systematiek van de TRI wat betreft onder meer de duur van het recht, de definitieve vaststelling daarvan en de wijze waarop inkomsten worden verrekend, anders dan die van de hiervoor genoemde bedoelde wetten.

De TRI beoogt volgens de toelichting het creëren van de mogelijkheid om aan arbeidsongeschikten die betrokken zijn bij de herbeoordelingsoperatie van arbeidsongeschikten welke vanaf 1 oktober 2004 is gestart, gedurende maximaal twaalf maanden een tijdelijke tegemoetkoming te verstrekken. Het recht gaat in op de dag waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals die was vóór de herbeoordeling daadwerkelijk wordt verlaagd of beëindigd, welk moment twee maanden na de herbeoordeling is gelegen. Aldus wordt bereikt dat alle daarvoor in aanmerking komende arbeidsongeschikten die een lager arbeidsongeschiktheidspercentage krijgen, gedurende een geruime periode geen inkomensachteruitgang ondervinden.

Gelet op de verwijzing naar de subsidieregeling in hoofdstuk 4 van de Awb dient het besluit van 15 januari 2008 te worden aangemerkt als het besluit waarbij de subsidie is verleend en het besluit van 6 maart 2009 als het besluit waarbij de subsidie is vastgesteld.

Bij besluit van 23 juni 2009 is het besluit van 6 maart 2009 ingetrokken en een nieuw vaststellingsbesluit genomen. De rechtbank houdt het ervoor dat verweerder bij deze hernieuwde vaststelling het subsidiebedrag op nihil heeft gesteld.

Niet in geding is dat eiser geen recht had op een tegemoetkoming ingevolge de TRI omdat hij niet als herbeoordeelde in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van de TRI kan worden aangemerkt.

Eiser heeft evenwel aangevoerd dat zowel de herziening en terugvordering van de tegemoetkoming als de invordering niet terecht zijn, nu hij meermalen mondeling heeft gevraagd of hij terecht een tegemoetkoming ontving, hetgeen volgens eiser door of namens verweerder is bevestigd, laatstelijk in het besluit van 6 maart 2009.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat met toepassing van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230 (hierna: Beleidsregels) de eerdere vaststelling van de tegemoetkoming ingevolge de TRI bij besluit van 6 maart 2009 herzien kon worden. Kort samengevat stelt verweerder dat gelet op de regelgeving het voor eiser duidelijk had moeten zijn dat hij niet tot de doelgroep behoorde en dat hij derhalve geen recht had op een tegemoetkoming.

De rechtbank stelt vast dat in artikel 2, zesde lid, van de TRI onder meer artikel 36a van de WAO van overeenkomstige toepassing is verklaard en de Beleidsregels mede een uitwerking van het bepaalde in dat artikel inhouden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de door verweerder geschetste omstandigheden niet volgt dat het eiser redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij geen recht had op een tegemoetkoming ingevolge de TRI. De TRI is geen gemakkelijke regelgeving en op grond van deze regelgeving had het voor eiser niet meteen duidelijk kunnen zijn dat hij niet tot de doelgroep behoorde omdat hij geen herbeoordeelde in de zin van de TRI was. Voorts acht de rechtbank van belang dat -hetgeen niet door verweerder is weersproken- de aanvraag om een tegemoetkoming ingevolge de TRI op voorspraak van de arbeidsdeskundige A.M. Potter van Loon is gedaan en ook door deze is ingevuld.

Geoordeeld moet dan ook worden dat de herziening van het eerdere vaststellingsbesluit van 6 maart 2009 in strijd is met de Beleidsregels.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank zal thans dienen te bezien of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven.

In dat verband is van belang dat verweerder ter zitting heeft verklaard - onder verwijzing naar artikel 3, eerste lid, van de TRI - dat ook de toegenomen inkomsten vanwege het opgehoogde invaliditeitspensioen met zich brengen dat er geen recht is op een tegemoetkoming ingevolge de TRI. Dat dit reeds als subsidiaire grond in het bestreden besluit was opgenomen, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet uit dat besluit.

Uit de zich bij de stukken bevindende betalingsspecificaties leidt de rechtbank voorts af dat eiser door de ophoging van zijn invaliditeitspensioen geen inkomensachteruitgang heeft ondervonden. Onder inkomen uit of in verband met arbeid wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de TRI verstaan: inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven als bedoeld in het Inkomensbesluit Toeslagenwet. Uit de uitspraak van de CRvB van 20 juli 1993 (LJN ZB1237) volgt dat het invaliditeitspensioen op grond van het Inkomensbesluit Toeslagenwet dient te worden aangemerkt als inkomen in verband met arbeid.

Nu eiser de verhoging van het invaliditeitspensioen niet expliciet heeft gemeld heeft hij dienaangaande zijn inlichtingenplicht geschonden en kan verweerder op grond van de Beleidsregels het vaststellingsbesluit van 6 maart 2009 herzien. Op grond van de toegenomen inkomsten had het voor eiser redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij geen recht had op een tegemoetkoming ingevolge de TRI.

Eiser heeft weliswaar aangegeven ter zitting dat hij meerdere malen telefonisch contact heeft gehad met het UWV, maar dit maakt niet dat hij (volledig) heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht. Het had op de weg van eiser gelegen om schriftelijk aan te geven dat hij naast zijn WAO-uitkering een hoger invaliditeitspensioen dan vóór december 2007 ontving.

Dat eiser dit in de telefoongesprekken zou hebben vermeld is niet aannemelijk geworden.

Tenslotte is de rechtbank niet gebleken dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de terugvordering en invordering onjuist moet worden geacht.

Aangezien de onverschuldigde betaling betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin was afgesloten, waardoor verrekening tussen het bestuursorgaan als inhoudingsplichtige voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964 en de fiscus

– anders dan tussen eiser en de fiscus - niet meer tot de mogelijkheden behoorde, is terecht (zulks in overeenstemming met de vaste jurisprudentie van de CRvB) bruto in plaats van netto teruggevorderd.

Gezien het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb is de rechtbank niet gebleken.

Wel ziet de rechtbank reden om verweerder tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht te veroordelen.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond

vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 8 april 2010.