Home

Rechtbank Amsterdam, 27-03-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2262, C/13/650742 / FA RK 18-4241

Rechtbank Amsterdam, 27-03-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2262, C/13/650742 / FA RK 18-4241

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27 maart 2019
Datum publicatie
17 april 2019
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2019:2262
Formele relaties
Zaaknummer
C/13/650742 / FA RK 18-4241

Inhoudsindicatie

Intrekken beschikking. Beschikking heeft van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven beantwoord, doordat de man niet de verwekker was van het kind. Terugbetalingsverplichting voor de vrouw.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd

zaaknummer / rekestnummer: C/13/650742 / FA RK 18-4241 (LH/PB)

Beschikking van 27 maart 2019 betreffende alimentatie

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te Turkije,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J. Blakborn te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. B.A. Zevenbergen te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

-

het verzoekschrift van de man, ingekomen op 4 juli 2018;

-

het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 9 augustus 2018;

-

de brief met bijlagen van 14 februari 2019 van de zijde van de man.

1.2.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 27 februari 2019.

1.3.

Verschenen zijn:

-

mr. Blakborn;

-

de vrouw, bijgestaan door mr. Zevenbergen.

1.4.

De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2 De feiten

2.1.

Op [geboortedatum] 2008 is te [geboorteplaats] uit de vrouw geboren de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).

2.2.

[minderjarige] is niet erkend.

2.3.

De vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . [minderjarige] verblijft bij de vrouw.

2.4.

Bij beschikking van deze rechtbank van 26 mei 2010 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 31 maart 2010 € 500,- per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw.

3. De beoordeling

Van aanvang af niet voldaan aan de wettelijke maatstaven

3.1.

De man heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat primair de rechterlijke uitspraak van 26 mei 2010 wordt ingetrokken of met terugwerkende kracht vanaf die datum wordt gewijzigd en te bepalen dat de man rechtens niet alimentatieplichtig is vanaf die datum, dan wel te bepalen dat de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vanaf die datum op nihil wordt gesteld ex artikel 1:401, lid 4, BW.

3.2.

De man stelt dat de bijdrage van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord. Ter onderbouwing daarvan stelt de man het volgende. Bij beschikking van 26 mei 2010 is bepaald dat de man dient bij te dragen in de kosten van [minderjarige] met een bedrag van € 500,- per maand. De man heeft deze beschikking en alle overige bescheiden gerelateerd aan de procedure nooit mogen ontvangen. Dit is te wijten geweest aan het feit dat in de beschikking [woonplaats] als woonplaats van de man staat opgenomen, terwijl de man ten tijde van de procedure feitelijk in België woonde. Dit was de vrouw overigens ook bekend. Op 29 augustus 2017 is de man door middel van een paspoortsignalering, ingesteld door het LBIO, voor het eerst aangesproken op het feit dat hij de verwekker van [minderjarige] zou zijn, alsmede op de voornoemde betalingsverplichting uit hoofde van kinderalimentatie. De man heeft het achterstallige bedrag aan kinderalimentatie ad € 46.923,32 aan het LBIO voldaan. De man is op 14 september 2017 in hoger beroep gegaan. In diezelfde periode is de vrouw door de man verzocht om mee te werken aan een DNA-onderzoek. Uit meerdere DNA-onderzoeken is thans gebleken dat de man niet de verwekker is van [minderjarige] , zodat hij niet onderhoudsplichtig is voor hem. Nu er bij de beschikking van 26 mei 2010 door de rechtbank vanuit is gegaan dat de man de verwekker was van [minderjarige] is de man van mening dat bij deze beschikking uit is gegaan van onjuiste gegevens, waardoor de beschikking van aanvang niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord.

3.3.

De vrouw betwist dat de man niet op de hoogte was van de beschikking van 26 mei 2010. De beschikking is rechtsgeldig aan de man betekend. De man heeft volgens de vrouw dus wel kennis kunnen nemen van de stukken die hebben geleid tot de beschikking van 26 mei 2010. Ten overvloede merkt de vrouw op dat zij niet wist dat de man niet meer op het adres verbleef waarop hij destijds in het BRP stond ingeschreven. De vrouw betwist niet (meer) dat de man niet de verwekker is van [minderjarige] .

3.4.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 1:401 lid 4 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Bij de toepassing van artikel 1:401 lid 4 BW gaat het om ieder gegeven waarvan achteraf vast is komen te staan dat het bij de rechterlijke uitspraak een rol had behoren te spelen, maar niet heeft gespeeld of waarvan achteraf is vast komen te staan dat het niet om de juiste gegevens ging, terwijl het juiste of ontbrekende gegeven tot een andere vaststelling van de onderhoudsuitkering op grond van draagkracht of behoefte had geleid. Daarbij maakt niet uit wie zich heeft vergist in de feiten, de berekening, het petitum dan wel het dictum. Evenmin doet ter zake of een der partijen kan worden verweten dat een relevant gegeven niet of onjuist is verstrekt en of de verzoekende partij door een verstek heeft laten passeren dat van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

3.5.

Zowel uit het deskundigenonderzoek van Verilabs als uit het deskundigenonderzoek van het LUMC volgt dat de man niet de verwekker is van [minderjarige] . Nu de onderhoudsverplichting was gegrond op het verwekkerschap en overigens ook geen sprake is van een andere wettelijke onderhoudsverplichting, betekent dit dat de man geen wettelijke onderhoudsverplichting ten opzichte van [minderjarige] heeft. De beschikking van deze rechtbank van 26 mei 2010, waarbij een zodanige verplichting wel is opgelegd, heeft derhalve van aanvang af aan niet aan de wettelijke maatstaven beantwoord doordat daarbij is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. De uitspraak komt voor intrekking in aanmerking en de rechtbank zal beslissen dat onder intrekking van de beschikking van 26 mei 2010 het verzoek van de vrouw alsnog wordt afgewezen. Of de man al dan niet op de hoogte was van de procedure in en de beschikking van 2010 doet overigens niet ter zake.

Wijziging van omstandigheden

3.6.

De man heeft de rechtbank subsidiair verzocht te bepalen dat de rechterlijke uitspraak van 26 mei 2010 wordt ingetrokken of met terugwerkende kracht vanaf die datum wordt gewijzigd en te bepalen dat de man rechtens niet alimentatieplichtig is vanaf die datum, dan wel te bepalen dat de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vanaf die datum op nihil wordt gesteld ex artikel 1:401, lid 1, BW.

3.7.

De rechtbank overweegt als volgt.

Nu het primaire verzoek van de man zal worden toegewezen, hoeft de rechtbank niet meer in te gaan op het subsidiaire verzoek van de man.

Verklaring voor recht alsmede terugbetalingsverplichting

3.8.

De man heeft de rechtbank verzocht voor recht te verklaren dat de betaalde kinderalimentatie onverschuldigd is betaald en te bepalen dat de vrouw de reeds ontvangen kinderalimentatie ad € 48.563,57 dient terug te betalen, met daarover de geldende wettelijke rente vanaf 30 september 2017 tot aan de dag dat de vordering volledig zal worden voldaan.

3.9.

De man onderbouwt zijn verzoek als volgt. Vanaf 31 augustus 2017 heeft de man diverse betalingen verricht ten titel van kinderalimentatie. De man heeft tot en met september 2017 een bedrag van € 46.923,32 voldaan. Daarna heeft de man nog een bedrag van € 1.640,25 voldaan, totdat de vrouw aangaf bereid te zijn de alimentatie niet langer te vorderen. Tot op heden heeft de man een bedrag van € 48.563,57 voldaan. Na de intrekking van de beschikking van 26 mei 2010 rust er geen alimentatieplicht jegens [minderjarige] op de man en zijn de reeds betaalde bijdragen onverschuldigd betaald.

3.10.

De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man. De vrouw stelt dat zij het volledige bedrag ad € 46.923,32 heeft opgebruikt. In de afgelopen jaren heeft de vrouw schulden gemaakt om in de kosten van [minderjarige] te voorzien. Die schulden heeft de vrouw met het ontvangen bedrag ineens kunnen aflossen. Het door de man genoemde bedrag van € 1.640,25 is mogelijk door de man aan het LBIO betaald, maar is niet door de vrouw ontvangen. De vrouw kan de juistheid van dit bedrag om die reden niet bevestigen en betwist het derhalve. De vrouw is van mening dat in redelijkheid geen aanleiding bestaat om terugbetaling van haar te verlangen. De man heeft het aan zichzelf te wijten dat het bedrag zo hoog is opgelopen en dat hij pas in september 2017 het vaderschap heeft betwist. De man had volgens de vrouw kennis van de beschikking van 26 mei 2010. De man is op 19 augustus 2014 reeds gehoord door de Turkse autoriteiten over de beschikking. De man heeft hier niets mee gedaan totdat hij vanwege een paspoortsignalering gedwongen werd aan zijn verplichting uit hoofde van de kinderalimentatie te voldoen. Door toedoen van de man wordt de vrouw geconfronteerd met een terugbetalingsvordering die haar in het geheel niet kan worden tegengeworpen. Het is de man die deze situatie heeft laten ontstaan en daarvoor is hij dan ook volledig verantwoordelijk. Bovendien is het inkomen van de vrouw niet toereikend om te kunnen terugbetalen.

3.11.

De rechtbank stelt voorop dat ook na invoering van de Wet van 7 juli 1994 tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht, Stb. 1994, 570, per 1 april 1995 — evenals ten aanzien van het tot die datum geldende art. 828a Rv is beslist in Hoge Raad 28 februari 1992, nr. 7973, NJ 1992, 356 en Hoge Raad 19 november 1993, nr. 15114, NJ 1994, 241— in zaken van levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 BW, het volgen van de verzoekschriftprocedure als dwingend voorgeschreven moet worden beschouwd (Hoge Raad 2 mei 2003, NJ 2003/467). De rechtbank is derhalve van oordeel dat een vordering uit onverschuldigde betaling - welke voortvloeit uit hoofde van een zaak betreffende levensonderhoud – in de onderhavige procedure kan worden beoordeeld. Dit wordt bovendien uit het oogpunt van de proces-economie praktisch geacht.

3.12.

De rechtbank overweegt voorts dat de beschikking van 26 mei 2010 wordt ingetrokken. Deze intrekking werkt terug tot het moment waarop de beschikking is gegeven en het gevolg van de intrekking is dat de beschikking wordt geacht nooit te hebben bestaan. Dit brengt mee dat alle door de man aan de vrouw betaalde kinderalimentatie onverschuldigd is betaald en hieruit vloeit onverminderd een terugbetalingsverplichting voort.

3.13.

Artikel 6:203, lid 2, BW bepaalt dat indien de onverschuldigde betaling een geldsom betreft, de vordering strekt tot teruggave van een gelijk bedrag. Door de vrouw is opgeworpen dat volgens vaste rechtspraak terughoudend om dient te worden gegaan met een terugbetalingsverplichting. De rechtbank volgt de vrouw niet in dit standpunt en is van oordeel dat de terughoudende maatstaf voor de terugbetaling, zoals die volgt uit Hoge Raad 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, in dit geval niet van toepassing is. Als de rechtbank eenmaal tot het oordeel is gekomen dat de beschikking dient te worden ingetrokken, dan volgt hieruit dat de beschikking (en dus de alimentatieverplichting) nooit heeft bestaan. Dit brengt mee dat de rechtbank niet hoeft te beoordelen in hoeverre een terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard.

3.14.

Nu tussen partijen in ieder geval vast staat dat de man € 46.923,32 heeft betaald aan de vrouw, zal de rechtbank de vrouw veroordelen voormeld bedrag terug te betalen. Het daarboven gevorderde bedrag van € 1.640,25 zal niet worden toegewezen, nu de vrouw heeft betwist dat zij dit bedrag heeft ontvangen en de man zijn stelling dat hij dit bedrag heeft betaald in het licht van die betwisting onvoldoende heeft onderbouwd. Mitsdien wordt in na te melden zin beslist.

- Wettelijke rente

3.15.

De wettelijke rente is verschuldigd vanaf het tijdstip dat de terugbetalingsverplichting vaststaat en opeisbaar is, te weten vanaf de datum van de beschikking. De rechtbank zal aldus beslissen.

Kosten DNA-onderzoeken

3.16.

De man heeft de rechtbank verzocht – na wijziging van zijn verzoek – de vrouw te veroordelen in de door de man gemaakte kosten voor DNA-onderzoeken van € 500,- (+ PM).

3.17.

De vrouw heeft hier geen, althans geen expliciet, verweer tegen gevoerd, zodat de rechtbank het verzoek zal toewijzen.

Veroordeling daadwerkelijk gemaakte juridische kosten

3.18.

De man heeft de rechtbank verzocht de vrouw te veroordelen in de feitelijke juridische kosten die de man tot op heden noodzakelijkerwijs heeft gemaakt van € 15.000,- ex BTW (+PM).

3.19.

De vrouw voert verweer. De vrouw stelt dat de feitelijke juridische kosten ad € 15.000,- ex BTW (+PM) op geen enkele wijze inzichtelijk zijn gemaakt. Niet duidelijk is welk gedeelte van dit bedrag betrekking heeft op buitengerechtelijke kosten en welk gedeelte op gerechtelijke kosten. Ook is onduidelijk welk gedeelte betrekking heeft op de gevoerde procedure bij het hof en welke op de onderhavige procedure. Bovendien is de vrouw van mening dat de kosten van de procedure bij het hof voor rekening van de man dienen te blijven, omdat die procedure ten onrechte is gevoerd. Ten slotte is de vrouw van mening dat de kosten disproportioneel zijn.

3.20.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 289 Rv kan een eindbeschikking tevens een veroordeling in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten/advocaatkosten inhouden. De rechter heeft de vrijheid om van het liquidatietarief af te wijken. Dit maakt het voor de rechter mogelijk om een feitelijke proceskostenveroordeling toe te wijzen. De rechter dient echter terughoudend met deze bevoegdheid om te gaan. De Hoge Raad heeft in verschillende uitspraken onderschreven dat dit uitsluitend mogelijk is in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad (Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828). De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van de hiervoor genoemde buitengewone omstandigheden welke maken dat een feitelijke proceskosten- /advocaatkostenveroordeling op zijn plaats is. Het verzoek zal worden afgewezen.

Proceskostenveroordeling en nakosten

3.21.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding de vrouw als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen. Hierbij wordt overwogen dat de man zich tot de rechter heeft moeten wenden en hoge kosten heeft moeten maken, terwijl achteraf is gebleken dat hij niet de verwekker van [minderjarige] is en geen onderhoudsverplichting jegens hem heeft.

3.22.

De kosten aan de zijde van de man worden begroot op:

- griffierecht € 291,00

- liquidatietarief II, 2 punten 1.086,00

Totaal € 1.377,00

3.23.

De verzochte veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

trekt de beschikking van deze rechtbank van 26 mei 2010 in en wijst het verzoek van de vrouw alsnog af;

4.2.

veroordeelt de vrouw aan de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 46.923,32 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te rekenen vanaf heden tot de dag der algehele voldoening;

4.3.

veroordeelt de vrouw in de kosten van de DNA-onderzoeken tot op heden begroot op € 500,-;

4.4.

veroordeelt de vrouw in de proceskosten, aan de zijde van de man tot op heden begroot op € 1.377,-;

4.5.

veroordeelt de vrouw in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de vrouw niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de beschikking heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

4.6.

verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Bennekom, griffier, op 27 maart 2019.1