Home

Parket bij de Hoge Raad, 06-06-2006, AV4834, 01395/05

Parket bij de Hoge Raad, 06-06-2006, AV4834, 01395/05

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
6 juni 2006
Datum publicatie
7 juni 2006
ECLI
ECLI:NL:PHR:2006:AV4834
Formele relaties
Zaaknummer
01395/05

Inhoudsindicatie

Slachtoffer (X) van mishandeling legt bij politie een verdachte (haar partner) belastende verklaring af. Ter terechtzitting in eerste aanleg verklaart ze niet door verdachte, maar door een kennis te zijn mishandeld. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR NJ 1994, 427 en overweegt geen aanleiding te zien om op die vaste rechtspraak terug te komen. Die rechtspraak is ingegeven door zorg voor een zo betrouwbaar mogelijke bewijsvoering in gevallen waarin de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde slechts rechtstreeks kan volgen uit een in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring van een derde en zich de in NJ 1994, 427 genoemde omstandigheden voordoen. Een zorgvuldige totstandkoming van het rechterlijk bewijsoordeel eist dan dat de zittingrechter zo mogelijk zelf die getuige hoort. Hoewel, gelet op de verklaring van Y, zich i.c. niet het geval voordoet dat de tegenover de politie afgelegde verklaring van X het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen, moet dit geval niettemin met zodanig geval op een lijn worden gesteld. De onderhavige zaak wordt immers gekenmerkt door de bijzondere omstandigheid dat de verklaring van Y omtrent de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde uitsluitend is gebaseerd op hetgeen X haar heeft medegedeeld, terwijl X kort daarop bij de politie haar – nadien ingetrokken – verklaring omtrent die betrokkenheid heeft afgelegd. Dat brengt mee dat het hof, nu het niet ambtshalve de dagvaarding van de getuige X heeft bevolen, het politie-pv houdende de verklaringen van X niet tot het bewijs had mogen bezigen.

Conclusie

Nr. 01395/05

Mr. Knigge

Zitting: 7 maart 2006

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "poging tot zware mishandeling" veroordeeld tot 68 dagen gevangenisstraf, waarvan dertig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf, als in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte heeft mr. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte de verklaring die het slachtoffer bij de politie heeft afgelegd tot het bewijs heeft gebezigd, aangezien zij die verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg heeft herroepen en het Hof het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep niet ambtshalve heeft opgeroepen teneinde te worden gehoord.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 28 april 2004 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, met kracht in het kruis van [slachtoffer] heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

5. Het Hof heeft voor de bewezenverklaring van dit feit de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

(I) een verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende:

"Op woensdag 28 april 2004 was ik bij [slachtoffer]. Op 29 april 2004 ben ik 's-morgens weggegaan."

(II) een proces-verbaal van opsporingsambtenaar B. Nugteren van 29 april 2004, inhoudende als verklaring van het slachtoffer [slachtoffer]:

"Op 28 april 2004 heeft mijn vriend [verdachte] mij in mijn woning te [woonplaats] mishandeld. Ik voelde dat [verdachte] mij één keer in mijn kruis schopte. Ik voelde dat dit een hele harde schop was. Het deed enorm veel pijn. Ik weet zeker dat [verdachte] dit expres deed. Ik heb ook gekeken en zag dat mijn kruis helemaal blauw en opgezet was.

Vanmorgen, donderdagochtend, is [verdachte] weggegaan. Buiten kwam ik de buurvrouw, [de buurvrouw] tegen. [De buurvrouw] vroeg mij wat er aan de hand was. Ik vertelde wat er was gebeurd."

(III) een proces-verbaal van opsporingsambtenaar B. Nugteren van 29 april 2004, inhoudende als verklaring van [de buurvrouw]:

"Op 29 april 2004 omstreeks 10.00 uur ging ik 's-ochtends mijn woning te [woonplaats] uit. Ik zag mijn buurvrouw [slachtoffer] [het hof leest: [slachtoffer]] uit haar woning komen. Ik zag dat ze bijna stond te huilen. Ik hoorde dat ze zei: "Ik heb zo'n pijn. Ik heb zo'n pijn". Ik zag dat [slachtoffer] haar rok een stukje optilde. Ik zag dat haar hele kruis blauw was. Ze vertelde mij dat [verdachte], haar vriend, dat had gedaan."

(IV) een proces-verbaal van B. Nugteren van 29 april 2004, inhoudende als verklaring van deze opsporingsambtenaar:

"Op 29 april 2004 is van het letsel van aangever [slachtoffer] een foto gemaakt, waarop te zien is dat haar gehele kruis blauw en opgezet is."

6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer] aldaar is verschenen en op verzoek van de verdediging is gehoord. Zij heeft het volgende verklaard:

"Ik wil zelf graag een verklaring afleggen. Ik ben namelijk niet door [verdachte] mishandeld, een kennis van mij heeft het gedaan. Ik heb bij de politie gezegd dat ik in elkaar was geslagen. Ik weet niet meer zo goed wat er gebeurd is. Ik weet nog wel dat ik omstreeks mijn verjaardag mishandeld ben bij mijn schaamstreek, borsten en keel. Ik weet niet meer precies wanneer het was, het was zoals gezegd omstreeks mijn verjaardag, maar ik weet niet meer of het 1 of 2 dagen daarvoor was of nog langer geleden.

Ik heb mijn verjaardag niet gevierd, omdat het niet gezellig meer was nu deze mishandeling gebeurd was. Volgens mij is het 1 dag voor mijn verjaardag gebeurd, maar ik weet dit niet zeker omdat ik een borreltje ophad.

Toen ik mijn blauwe plekken aan [verdachte] liet zien had ik nog niet gedronken.

De dag voor mijn blauwe plekken werden mijn biertjes weggegooid door [verdachte]. Ik was daardoor in de war en ben weggelopen. Ik kwam toen een kennis tegen en ben met hem meegegaan. Die kennis heeft mij vervolgens zo geschopt. Ik ben meteen daarna naar huis gegaan en heb tegen [verdachte] gezegd dat ik tegen een stoel was gelopen.

Ik was met die kennis meegegaan en we hebben een biertje gedronken. Vervolgens kregen we bonje, verder weet ik het niet meer. Ik weet nog wel dat ik die kennis 's middags tegenkwam. Ik weet ook nog dat wij ergens over spraken toen ik opeens een schop van hem kreeg. Ik werd op straat door die kennis geschopt, ik ben daarna nog wel wat gaan drinken met die kennis.

Vervolgens ben ik naar huis gegaan.

Ik was heel erg boos op [verdachte] vanwege die biertjes. Ik weet ook nog dat [verdachte] en ik ergens woorden over kregen en dat ik toen op de grond viel, verder weet ik het allemaal niet meer.

Ik ben wel een maand blauw geweest, het deed ook heel erg zeer.

[Verdachte] was heel erg bezorgd om mij vanwege deze mishandeling.

De blauwe plekken waren van de stoel, niet van het trappen.

Ik heb later wel tegen [verdachte] gezegd dat ik getrapt was, ik durfde hem dat niet meteen al te zeggen.

Ik heb tegen de politie gezegd dat het [verdachte] was die mij getrapt heeft omdat ik verward en dronken was en dan zeg je maar wat.

De buurvrouw zou mijn naar het ziekenhuis brengen, maar dat deed ze opeens niet meer en bracht mij naar het politiebureau.

Op vragen van de officier van justitie wil ik zeggen dat ik in augustus 2003 aangifte tegen [verdachte] heb gedaan. Ik was namelijk toen door hem in elkaar geslagen. Die keer had [verdachte] het echt gedaan.

Ik heb de buurvrouw over de mishandeling net voor mijn verjaardag niets gezegd. Als ik hierover wel wat tegen haar gezegd heb, dan heb ik dat in mijn dronkenschap gedaan.

[Verdachte] heeft niets gedaan.

Op de dag voor mijn verjaardag ben ik de stad ingegaan. Ik heb daar toen een biertje gedronken en ben geschopt. Ik ben daarna naar huis gegaan en daar ben ik nog tegen een stoel opgelopen.

Ik was op de ochtend van mijn verjaardag nuchter."

7. Het Hof heeft aan de bewezenverklaring geen (hier relevante) nadere bewijsoverweging gewijd. In hoger beroep is het slachtoffer niet opgeroepen als getuige. De raadsman heeft ter zitting onder meer het volgende aangevoerd:

"In de onderhavige zaak is het wettig bewijs te formuleren, maar de overtuiging ontbreekt. Er bestaat te veel onduidelijkheid omtrent de datum en het tijdstip van de vermeende mishandeling. Niet duidelijk is wie wat en wanneer heeft gedaan. [Slachtoffer] heeft bovendien haar aangifte ter terechtzitting in eerste aanleg ingetrokken. Uit de tot de stukken van het geding behorende mutatieformulieren van de politie Haaglanden komt naar voren dat [slachtoffer] een verwarde persoon is. Derhalve ben in van mening dat de verklaringen van aangeefster niet tot het bewijs van het aan mijn cliënt tenlastegelegde mogen meewerken."

8. In HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427, m.nt. C gaf de Hoge Raad een aantal regels voor het ambtshalve oproepen van getuigen. De Hoge Raad overwoog het volgende:

"(iii-1) Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de zaak en de omstandigheid of en in hoeverre het telastegelegde feit door de verdachte wordt ontkend, kunnen beginselen van behoorlijke procesorde meebrengen dat het openbaar ministerie bepaalde personen als getuige ter terechtzitting dient te dagvaarden of op te roepen dan wel dat de rechter zodanige dagvaarding of oproeping ambtshalve dient te bevelen bij gebreke waarvan processen-verbaal voor zover inhoudende de door die personen in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

(iii-2) Het onder (iii-1) overwogene zal in ieder geval gelden indien een ambtsedig proces-verbaal, inhoudend een in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring van een persoon, het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het telastegelegde feit rechtstreeks kan volgen en die persoon nadien door een rechter is gehoord en ten overstaan van deze die verklaring heeft ingetrokken of een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring heeft afgelegd, dan wel heeft geweigerd te verklaren omtrent de feiten en omstandigheden waarover hij eerder verklaard heeft. Indien dit is geschied ter gelegenheid van een verhoor van de bedoelde persoon door de rechter-commissaris behoort deze persoon ter terechtzitting in eerste aanleg en in geval van appel ook ter terechtzitting in hoger beroep als getuige te worden gedagvaard of opgeroepen, opdat de rechter zich door eigen waarneming van de getuige een oordeel zal kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van diens verklaringen dan wel omtrent de redenen van diens weigering aldaar een verklaring af te leggen. Bedoelde persoon zal eveneens ter terechtzitting in hoger beroep als getuige moeten worden opgeroepen indien hij ter terechtzitting in eerste aanleg voor het eerst is teruggekomen op zijn eerder in het voorbereidend onderzoek afgelegde verklaring dan wel heeft geweigerd een verklaring af te leggen.

(iii-3) Indien in de onder (iii-2) omschreven gevallen een getuige, die ter terechtzitting is opgeroepen, hetzij aldaar verschijnt, hetzij aldaar niet verschijnt en verdere oproeping zinloos is gebleken, staat het de rechter vrij de in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring voor het bewijs te bezigen."

De Hoge Raad achtte de noodzaak van het ter zitting horen van getuigen (art. 315 Sv) onder de in (iii-2) genoemde omstandigheden dus steeds aanwezig.

9. Een eerste vraag die bespreking behoeft, is wanneer zich precies het in bovengenoemd arrest onder (iii-2) omschreven geval voordoet. Meer in het bijzonder is de vraag wat de functie van het woord "rechtstreeks" in deze omschrijving is.(1) Moet de getuige ook worden opgeroepen als de betrokkenheid van de verdachte bij het feit weliswaar niet rechtstreeks uit andere bewijsmiddelen volgt, maar wel indirect? Dat is voor de beoordeling van de onderhavige zaak niet zonder belang. Als het ingetrokken gedeelte van de verklaring van aangeefster [slachtoffer] uit de bewijsconstructie wordt weggedacht, blijft voldoende wettig bewijs over om een bewezenverklaring op te baseren. Ook uit de - niet ingetrokken - verklaring van buurvrouw [de buurvrouw] volgt immers dat de verdachte de dader was. Maar wellicht is dit geen rechtstreeks volgen is, nu de buurvrouw haar wetenschap van horen zeggen had en haar bron de aangeefster was die haar verklaring later introk. Maakt die intrekking dat ook de verklaring van de buurvrouw niet voor het bewijs gebruikt mag worden als de aangeefster niet als getuige wordt opgeroepen? Of had juist om die reden de buurvrouw als getuige opgeroepen moeten worden? Een andere, met het voorgaande verband houdende vraag is wat precies verstaan moet worden onder een "in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring". Heeft de Hoge Raad hier alleen het oog op tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaringen - om verklaringen die afgelegd zijn tijdens verhoren waarbij de verdediging (als regel) niet aanwezig was - of vallen daaronder ook spontane, tegenover bijvoorbeeld een buurvrouw gedane uitlatingen die niet direct bestemd waren om ter kennis van de justitie te komen?

10. Ik laat deze vragen eerst rusten, omdat een andere vraag mij net iets belangrijker toeschijnt. Die vraag is of de strikte regel waarop het middel een beroep doet, niet enige nuancering behoeft of, sterker nog, aan een heroverweging toe is.

11. Ik stel voorop dat de bedoelde strikte regel wellicht zinnig is omdat zo houvast kan worden geboden aan de praktijk van de strafrechtspleging, maar dat die regel niet dwingend voortvloeit uit de eisen die op grond van art. 6 EVRM aan een eerlijk proces moeten worden gesteld. Het Europees Hof acht de toelaatbaarheid van bewijs primair een aangelegenheid van de Verdragsluitende Partijen. Dwingende bewijsregels kan men dan ook vanuit Straatsburg niet verwachten. Wel beginselen en uitgangspunten. Tot die uitgangspunten behoort dat het de taak van de nationale rechter is om het bewijs te wegen en te beoordelen. Het Europees Hof toetst slechts of het proces in zijn geheel fair is geweest. Daarbij geldt dat het in beginsel de verantwoordelijkheid van de nationale rechter is om te beslissen of het horen van een getuige geboden is.(2) Hoewel het bewijs in beginsel ter terechtzitting geproduceerd dient te worden, zijn uitzonderingen toegestaan, waarbij het met name aankomt op de gelegenheid die de verdachte heeft gehad de getuige in kwestie te (doen) ondervragen. Indien de verdediging te zeer in dit recht wordt beperkt, kan de afgelegde verklaring enkel tezamen met toereikend steunbewijs tot de bewezenverklaring bijdragen.(3) Het gebruik van verklaringen uit het vooronderzoek levert als zodanig geen strijd op met artikel 6 EVRM, in het bijzonder niet met artikel 6 lid 3 sub d.(4) Ook niet indien de bewuste verklaring later ten overstaan van een rechter wordt ingetrokken.(5)

12. De vraag is hoe strak de Hoge Raad zelf de hand houdt aan de onder (iii-2) gegeven regel. In HR 15 maart 2005, LJN AS4681 lijkt een lichte nuance te zijn aangebracht. De Hoge Raad overweegt in dit arrest:

"Aangezien de tegenover de politie afgelegde verklaringen van [A] de enige bewijsmiddelen zijn waaruit verdachtes betrokkenheid bij het onder 2 tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen en die [A] nadien door de Rechter-Commissaris is gehoord en ten overstaan van deze die verklaringen heeft ingetrokken, terwijl het Hof niet diens dagvaarding of oproeping heeft bevolen, konden in het onderhavige geval (curs. GK) de verklaringen van [A] niet tot het bewijs worden gebezigd. De bestreden uitspraak is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed, zodat het middel terecht is voorgesteld."

Uit de gecursiveerde woorden leid ik af dat de omstandigheden van het geval niet geheel zonder belang zijn, hoewel die omstandigheden in de zaak die toen aan de orde was niet noopten tot een ander oordeel dan dat oproeping van de bewuste getuige noodzakelijk was.

13. Wellicht werd de verwijzing naar het voorliggende geval in het onder 12. genoemde arrest ingegeven door de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Machielse. Hij toont zich daarin een voorstander van een nuancering van de harde regel zoals die uit NJ 1994, 427, m.nt. C lijkt te volgen:

"Als de appelrechter in de verklaring in eerste aanleg afgelegd voldoende steun vindt voor de slotsom dat de eerste, bij de politie afgelegde, belastende verklaring op waarheid berust lijkt het mij zeer verdedigbaar de appelrechter te ontslaan van zijn verplichting deze getuige ambtshalve op te roepen. Ik kan mij zelfs voorstellen dat de vonnisrechter, in eerste aanleg dan wel in hoger beroep, het oproepen van een getuige als waarvan hier sprake is achterwege laat, als de rechter in zijn vonnis motiveert waarom hij de belastende, tegenover de politie afgelegde verklaring betrouwbaarder acht dan de verklaring die de getuige tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd. Als bijvoorbeeld de getuige bij de rechter-commissaris aan verdachte een alibi verschaft - op het moment van het delict verbleef getuige samen met verdachte in Australië - terwijl hij eerder uit eigen wetenschap belastend over verdachte heeft verklaard, zal de vonnisrechter die tot de slotsom komt dat de getuige nooit op het moment van het delict in Australië kan zijn geweest de belastende verklaring van deze getuige voor het bewijs kunnen gebruiken, mits de rechter motiveert waarom hij aan de ontlastende verklaring geen geloof hecht."

14. Aandacht verdient ook HR 31 januari 2006, LJN AU 6762. Eén van de getuigen in deze zaak had zijn tegenover de politie afgelegde belastende verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg ingetrokken. De verdediging verzocht in hoger beroep deze getuige - samen met twee andere, eveneens al in eerste aanleg gehoorde getuigen - opnieuw op te roepen, maar het gerechtshof wees dat verzoek af. De reden daarvoor was - zo verstond de Hoge Raad - dat het hof het "niet van belang achtte om zelf de getuigen te horen, omdat het zich op grond van de stukken in voldoende mate een oordeel heeft kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van de desbetreffende getuigen". De Hoge Raad vond dat oordeel niet onbegrijpelijk en nam daarbij ten aanzien van de getuige die zijn verklaring had ingetrokken, het volgende in aanmerking: "de getuige (...) is ter terechtzitting in eerste aanleg in het bijzijn van de raadsman van de verdachte gehoord, waarbij hij zijn bij de politie afgelegde en voor de verdachte belastende verklaring heeft ingetrokken".

15. Bedacht dient te worden dat het geval waarop de strikte regel uit NJ 1994, 427 betrekking heeft, zich hier niet voordeed. De ingetrokken getuigenverklaring was niet het enige bewijsmiddel waaruit verdachtes betrokkenheid bij het feit bleek. Toch is het opmerkelijk dat het feit dat de tegenover de politie afgelegde - en door het hof voor het bewijs gebezigde - verklaring in eerste aanleg door de getuige werd ingetrokken, hier juist een argument vormt om de getuige niet opnieuw te horen. Welke consequenties de intrekking van een belastende verklaring voor de verdere behandeling van de zaak moet hebben, is dus, zo lijkt het, niet zo eenduidig als de strikte regel lijkt te veronderstellen. De Hoge Raad acht in dit arrest de appelrechter in staat zich een voldoende gefundeerd oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van een ingetrokken verklaring zonder dat hij de getuige zelf ziet en hoort. Of het opnieuw horen van de getuige voor de oordeelsvorming van belang is, is daarbij een zaak die de Hoge raad in beginsel aan de appelrechter laat. Is er voldoende grond om de feitenrechter in één geval zijn beoordelingsvrijheid te ontnemen?

16. Een reden om de strikte regel te heroverwegen, vormt mijns inziens de inwerkingtreding op 1 januari 2005 van de Wet van 10 november 2004, Stb. 579 (Wet getuigenverhoor). Deze wet wijzigde onder meer de regeling voor het horen van getuigen in hoger beroep (artt. 410, 414 en 418 Sv). Het komt er heel kort gezegd op neer dat de appelrechter tijdige, vóór de zitting gedane verzoeken van de verdediging tot het horen van getuigen die al bij de rechter-commissaris of in eerste aanleg zijn gehoord, kan afwijzen als hij dat opnieuw horen niet noodzakelijk oordeelt. Deze gewijzigde regeling was overigens, nu in eerste aanleg uitspraak werd gedaan vóór 1 januari 2005, op de onderhavige zaak nog niet van toepassing.(6)

17. De wetswijziging is een uitvloeisel van een rechtsontwikkeling die het karakter van het hoger beroep - als onderdeel van de procedure in strafzaken - wijzigde. Werd de behandeling in hoger beroep aanvankelijk sterk gezien als een volledig nieuwe behandeling van de zaak, later won de gedachte veld dat het hoger beroep zijn meerwaarde ontleende aan het feit dat het om een voortgezette, op de behandeling in eerste aanleg voortbouwende behandeling van de zaak gaat. Die gedachte brengt mee dat in hoger beroep niet alles wordt overgedaan, maar dat in hoger beroep de punten op de i worden gezet. De behandeling compenseert de tekortkomingen van de behandeling in eerste aanleg en vult die aan waar dat nodig blijkt. In de MvT wordt over dit voortbouwende appel het volgende opgemerkt:

"In deze gedachtengang (dat de beslissing een getuige al dan niet op te roepen een afweging vergt tussen enerzijds het verdedigingsbelang en anderzijds het belang van de (potentiële) getuige om niet (nogmaals) door het moeten afleggen van een verklaring in zijn of haar "welzijn" bedreigt te worden, GK) past ook de wijziging die in verband met het horen van getuigen in appel wordt voorgesteld. Thans zijn deze bepalingen gelijkluidend aan die in eerste aanleg. Daarmee wordt naar de mening van de regering onvoldoende recht gedaan aan het "voortbouwend aspect" van de appelbehandeling: bij de regeling van het hoger beroep mag rekening worden gehouden met het feit dat een behandeling in eerste aanleg heeft plaatsgevonden. Zo is er in de eerste plaats geen reden om pas bij de betekening van de appeldagvaarding de mogelijkheid van opgave van getuigen en deskundigen te openen. De verdachte die hoger beroep instelt is van de zaak op de hoogte, en kan op dat moment reeds getuigen en deskundigen opgeven. Bij de wet van 3 april 2003 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van de raadsheer-commissaris en enige andere onderwerpen (raadsheer-commissaris), Stb. 143 is deze mogelijkheid dan ook geopend.

Bij de beoordeling of de getuige daadwerkelijk opgeroepen dient te worden, kan in de gevallen waarin de gezondheid of het welzijn van de getuige bij het horen ter terechtzitting gevaar loopt, in de belangenafweging worden betrokken niet alleen of hij bij de rechter-commissaris is gehoord, maar ook of hij in eerste aanleg ter terechtzitting is gehoord. Artikel 264, eerste lid onder b, aangepast als voorgesteld in dit wetsvoorstel, maakt dat reeds tot op zekere hoogte mogelijk. Deze gedachte is evenwel nog aangescherpt in een toevoeging aan artikel 410, derde lid, Sv, zoals dat in de wet van 3 april 2003 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van de raadsheer-commissaris en enige andere onderwerpen (raadsheer-commissaris), Stb. 143 is opgenomen. Dat artikellid luidt: "De verdachte kan, onverminderd artikel 414, in de schriftuur opgeven welke getuigen en deskundigen hij ter terechtzitting wil doen oproepen. Deze opgave wordt als een opgave in de zin van artikel 263, tweede lid, aangemerkt. Artikel 264 is van overeenkomstige toepassing." Dit wetsvoorstel stelt voor aan de weigeringsgronden die in artikel 264 Sv staan, in deze context een toe te voegen. Voorgesteld wordt om de advocaat-generaal, in het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, de bevoegdheid te geven oproeping te weigeren indien de getuige of deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg of door de rechter-commissaris is gehoord en horen ter terechtzitting redelijkerwijs niet noodzakelijk is te achten. Het voorgestelde nieuwe artikel 418 Sv bevat een daarmee corresponderende bepaling voor het gerechtshof. Daarmee wordt het mogelijk gemaakt een zinloze herhaling van verhoren die in eerste aanleg reeds hebben plaatsgevonden, te voorkomen."(7)

18. Het komt mij voor dat de strikte (iii-2)-regel goed te begrijpen valt vanuit de gedachte dat er in hoger beroep een geheel nieuwe behandeling van de zaak plaats vindt. Dan spreekt het min of meer vanzelf dat - als horen van de getuige door de rechter voor beoordeling van de betrouwbaarheid van het bewijs noodzakelijk wordt geacht - dit ook in hoger beroep geldt en dat niet ter zake doet dat de rechter in eerste aanleg die getuige al aan een ondervraging heeft onderworpen. Bij de gedachte van het voortbouwend appel past de regel echter minder goed. Uitgangspunt is hier dat alle getuigen bij voorkeur in eerste aanleg worden gehoord en dat getuigen in hoger beroep alleen opnieuw worden gehoord als de appelrechter dat noodzakelijk acht.

19. Het voorgaande laat onverlet dat het oordeel van de appelrechter de toets van de begrijpelijkheid moet kunnen doorstaan. De argumenten die de verdediging ten grondslag heeft gelegd aan haar verzoek de getuige ten tweede male te horen, zullen daarbij groot gewicht in de schaal leggen. De beslissingsvrijheid van de appelrechter vindt dus haar tegenwicht in het tegensprekelijke karakter van het strafproces.

20. Dat brengt mij op een tweede reden voor heroverweging van de bedoelde strikte regel. De ontwikkeling naar een voortbouwend appel maakt deel uit van een bredere rechtsontwikkeling waarin het contradictoire karakter van het strafproces steeds sterker wordt benadrukt. Dat heeft meegebracht dat de opstelling van de procesdeelnemers - waaronder in het bijzonder die van de verdediging - in sterke mate bepalend is voor het verloop van het strafproces.(8) Of een bepaalde getuige ter zitting gehoord moet worden is aldus afhankelijk geworden van het verdedigingsbelang zoals dat door of namens de verdachte wordt gepresenteerd, van de opstelling van het openbaar ministerie en van wat de rechter voor zijn oordeelsvorming nodig acht. Dwingende regels, die precies voorschrijven in welke gevallen de rechter bepaalde getuigen wel of niet moet horen, passen daarbij weer minder goed.

21. Een en ander brengt mij tot de slotsom, dat er goede reden is om de strikte (iii-2)-regel te heroverwegen. De uitkomst van die heroverweging zou mijns inziens in elk geval moeten zijn dat de verplichting tot ambtshalve horen - zo die wordt gehandhaafd - niet langer voor de appelrechter geldt in gevallen waarin de getuige reeds in eerste aanleg is gehoord. Of een getuige die zijn tegenover de politie afgelegde verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris of ter terechtzitting in eerste aanleg introk, in appel als getuige moet worden gehoord, kan dus naar mijn mening aan het contradictoire debat en uiteindelijk aan het oordeel van de rechter worden overgelaten.

22. Ik merk daarbij nog het volgende op. Gelijktijdig met de genoemde Wet van 10 november 2004, Stb. 579 is de Wet bekennende verdachte (eveneens Wet van 10 november 2004, Stb. 580) in werking getreden. Deze wet bracht onder meer een wijziging in art. 359 lid 2 Sv, waardoor de rechter gehouden is in zijn vonnis of arrest verantwoording af te leggen als hij afwijkt van een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" van de verdediging. Dat betekent mijns inziens dat onder omstandigheden ook gerespondeerd moet worden op verweren die de betrouwbaarheid van het bewijs betreffen. Toegespitst op de onderhavige kwestie betekent dit dat de rechter een verweer waarin de betrouwbaarheid van een ingetrokken verklaring met kracht van argumenten wordt aangevochten, niet stilzwijgend mag passeren. De verantwoording die aldus van de rechter kan worden gevraagd, zou gezien kunnen worden als een compensatie voor het vervallen van de ambtshalve plicht tot horen. Ik merk daarbij op dat deze wetswijziging wél effect heeft voor de onderhavige zaak, nu het onderzoek in appel na 1 januari 2005 werd gesloten.(9)

23. Wat betekent dit nu voor de onderhavige zaak? Op basis van de door mij bepleite heroverweging kom ik tot de conclusie dat het middel niet kan slagen. Dat de wijzigingen die de Wet getuigenverhoor bracht, op de onderhavige zaak nog niet van toepassing zijn, staat daar mijns inziens niet aan in de weg. Het gaat immers niet om de toepassing van het nieuwe recht, maar om een heroverweging op basis van een rechtsontwikkeling die haar uitdrukking in genoemde wet heeft gevonden.

24. Voor het geval de Hoge Raad mijn pleidooi voor een heroverweging niet zou willen volgen, geef ik - onder verwijzing naar het hiervoor, onder punt 9 gestelde - in overweging om te oordelen dat het geval waarop de (iii-2)-regel betrekking heeft, zich in casu niet voordoet. De betrokkenheid van de verdachte bij het feit volgt immers ook rechtstreeks uit de verklaring van buurvrouw [de buurvrouw] (die steun vindt in de verklaring van de verdachte zelf). Dat deze getuige haar wetenschap aan de aangeefster ontleende, staat daaraan mijns inziens niet in de weg. Ik wijs er daarbij op dat de aangeefster haar mededelingen aan [de buurvrouw] deed voordat zij haar - later ingetrokken - verklaring tegenover de politie aflegde. Als de aangeefster, nadat zij met haar buurvrouw sprak, direct al bij de politie had geweigerd om de verdachte te belasten, zou geloof ik niemand getwijfeld hebben aan de bruikbaarheid van de verklaring van getuige [de buurvrouw] voor het bewijs.

25. Ik merk ten slotte nog op dat de vraag of hetgeen de raadsman in hoger beroep aanvoerde een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" in de zin van art. 359 lid 2 Sv oplevert, kan blijven rusten omdat het middel over schending van dat artikellid niet klaagt.

26. Het middel faalt.

27. Gronden waarop de bestreden uitspraak ambtshalve vernietigd zou moeten worden, heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het ingestelde cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik merk daarbij op dat de Hoge Raad niet steeds consequent lijkt in de formulering van het vereiste. In HR 13 april 1999, LJN ZD5039 wordt, via verwijzing naar de conclusie, "rechtstreeks volgen" tot "rechtstreekse betrokkenheid". In HR 1 juli 1998, NJ 1998, 875 wordt het woord "rechtstreeks"niet genoemd. Voldoende lijkt te zijn dat de betrokkenheid van de verdachte ook uit andere bewijsmiddelen volgt.

2 Vgl. EHRM 5 april 2005 (Scheper), NJ 2005, 551, m.nt. Sch

3 Vgl. in uiteenlopende casus o.m. EHRM 27 februari 2001 (Luca), NJ 2002, 101, m.nt. Sch, EHRM 20 november 1989 (Kostovski), NJ 1990, 245, m.nt. EAA en EHRM 24 november 1986 (Unterpetinger), NJ 1988, 745, m.nt. EAA, in welke zaken voldoende steunbewijs ontbrak. In Scheper (zie voorgaande noot) was het steunbewijs toereikend.

4 HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427, m.nt. C, ro. 6.3.3. onder (i)

5 EHRM 26 maart 1996 (Doorson), NJ 1996, 741, m.nt. Kn, ro. 77 en, naar ik begrijp, 78.

6 Zie de overgangsbepaling vervat in art. V lid 2 van de wet.

7 Kamerstukken 2003-2004, 29254 nr. 3, pag. 13 en 14

8 De MvT bij de Wet getuigenverhoor (zie vorige noot), pag. 19, vermeldt in dit verband: "Bij de behandeling ter terechtzitting dient centraal te staan wat de procespartijen verdeeld houdt; daarbij past dat procespartijen betrekkelijk veel zeggenschap blijven behouden over de wijze waarop de strafzaak aan de rechter wordt gepresenteerd."

9 Zie de overgangsbepaling vervat in art. II van de wet.