Home

Hoge Raad, 08-11-2016, ECLI:NL:HR:2016:2523, 15/03706

Hoge Raad, 08-11-2016, ECLI:NL:HR:2016:2523, 15/03706

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 november 2016
Datum publicatie
9 november 2016
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:2523
Formele relaties
Zaaknummer
15/03706

Inhoudsindicatie

Afwijzing (herhaald) getuigenverzoek. Na eerdere toewijzing van het verzoek om de getuige (vader van verdachte) te horen, waarna de getuige i.h.k.v. een rechtshulpverzoek ten overstaan van een Duitse rechter zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, wees het Hof een verzoek om die getuige te horen af, omdat het verzoek onvoldoende onderbouwd was. HR: mede in aanmerking genomen dat door de raadsman van verdachte ttz niet meer is aangevoerd dan dat “hij van verdachte heeft gehoord dat de getuige bereid is om vragen te beantwoorden” is het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het hierna herhaalde getuigenverzoek wees het Hof af en betrok hierbij dat door de raadsman aan dit verzoek geen nieuwe f&o ten grondslag zijn gelegd en die evenmin zijn gebleken. Ook dit oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. HR: het Hof heeft, met de afwijzing van de getuigenverzoeken, art. 6.3.d EVRM niet miskend, nu deze verdragsbepaling zich niet ertegen verzet dat bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de onderbouwing van verzoeken tot het horen van getuigen.

Uitspraak

8 november 2016

Strafkamer

nr. S 15/03706

MD/NA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 17 juli 2015, nummer 21/002838-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G.W.L.A.M. Koppen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over 's Hofs afwijzing van de verzoeken tot het (alsnog) horen van [getuige] als getuige.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 15 maart 2007 te Arnhem een geldbedrag van 49.010 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat geld – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf."

2.2.2.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 juli 2015 gehechte pleitaantekeningen heeft de raadsman van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

"In deze zaak is, nadat de HR de zaak terugverwees naar uw hof, door de verdediging bij schrijven van 10 juni 2013 verzocht om het horen van de getuige [getuige]. De achtergrond van dit verzoek is gelegen in het feit dat tijdens de 1e behandeling van de zaak in appel (de behandeling die leidde tot het arrest van uw hof van 19 oktober 2010) door de verdediging stukken zijn verstrekt in de vorm van een in Turkije opgestelde notariële akte waaruit kan blijken dat de getuige (tevens vader van cliënt) een geldbedrag van € 30.000,- aan zijn zoon (cliënt) heeft geleend. Reeds in eerste aanleg is door cliënt ter zitting verklaard dat (zie pv zitting 11 december 2009, p. 3) een groot deel van het geld dat onder hem in beslag werd genomen geleend geld betrof.

Na terugwijzing van de zaak door de HR heeft de zaak opnieuw op zitting gestaan bij uw hof op 19 juli 2013. Uw hof heeft tijdens die zitting onder meer bepaald dat de vader van cliënt, [getuige], als getuige diende te worden gehoord.

Naar nu moet worden vastgesteld heeft de RHC op 11 november 2013 een rechtshulpverzoek uitgezet bij de Duitse autoriteiten (...)

De Duitse kantonrechter heeft om "proceseconomische redenen" onderzoek gedaan naar de bereidheid van de getuige om een verklaring af te leggen. Daarbij zou de getuige hebben aangegeven gebruik te zullen maken van zijn verschoningsrecht. Hij zou eveneens hebben aangegeven niet te zullen verschijnen voor een (video)-verhoor. Vervolgens is het rechtshulpverzoek als afgehandeld geretourneerd.

Ik benadruk dat door de Duitse rechter (nog daargelaten het feit dat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld dit verhoor bij te wonen en vragen te stellen) in het geheel geen inhoudelijke vraag is gesteld aan de getuige. Het is dus niet zo dat de getuige inhoudelijke vragen niet heeft willen beantwoorden. Ik sluit niet uit, temeer ook gelet op de inhoud van de eerder overgelegde notariële verklaring, dat de getuige over dit onderwerp wel degelijk inhoudelijk wenst te verklaren.

Ik meen dat hiermee niet is voldaan aan de opdracht van uw hof. Immers, de verdediging dient een toegewezen getuige ook daadwerkelijk zelf te kunnen ondervragen. Die gelegenheid heeft de verdediging niet gekregen hetgeen strijd oplevert met artikel 6 EVRM. Bovendien wordt, door af te zien van een inhoudelijk verhoor doordat de getuige kenbaar maakt voornemens te zijn zich te zullen verschonen, vooruit gelopen op de inhoud van de door de getuige nog af te leggen verklaring. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat zulks niet is toegestaan (zie onder meer HR 11 december 2007, LJN BB7058). Wellicht ten overvloede merk ik nog op dat de getuige zeer snel na uitgaan van het rechtshulpverzoek werd getraceerd zodat niet gesteld kan worden dat het niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn gehoord zal kunnen worden."

2.2.3.

Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang, het volgende in:

"In aanvulling op zijn aantekeningen voert de raadsman nog aan - zakelijk weergegeven -:

Ik heb van cliënt begrepen dat zijn vader wel degelijk bereid is om antwoord te geven op vragen van een Nederlandse delegatie. Zijn vader begreep niet precies waarom hij bij een Duitse rechter moest komen. Dit heb ik van mijn cliënt vernomen.

De oudste raadsheer vraagt of ik dit punt schriftelijk kan onderbouwen, gelet op het feit dat het Duitse verschoningsrecht verstrekkend is en de vader van verdachte eerder bij een notaris een verklaring heeft laten opstellen dat hij geld aan verdachte heeft geleend. Ik ben van mening dat de raadsheer-commissaris is vooruitgelopen op de inhoud van de verklaring van de getuige. U merkt op dat wanneer een getuige een beroep doet op zijn verschoningsrecht geen sprake is van het vooruitlopen op een getuigenverklaring. Volgens mij heeft de Duitse rechter nog voordat er ook maar één inhoudelijke vraag was gesteld geconcludeerd dat een verhoor geen zin zou hebben. Dat gaat in Nederland toch echt anders. Ik meen dat er wel degelijk een kans bestaat dat de vader van cliënt alsnog inhoudelijke vragen wil beantwoorden. Mijn cliënt heeft dat verklaard.

De verdediging heeft al sinds 2010 verzocht om deze getuige. Zowel uit een verklaring van mijn cliënt als uit verklaringen van zijn vader blijkt dat de getuige toch bereid is om inhoudelijk te verklaren.

U, voorzitter, vraagt waar de getuige woont.

Ik heb begrepen dat het hoofdverblijf van deze getuige in Turkije is, en wel op het adres dat eerder is verstrekt. De getuige werd nu in Duitsland getraceerd. Ik heb een adres van de getuige in mijn mobiele telefoon.

Ik ga er vanuit dat mijn cliënt en zijn vader nog altijd met elkaar in contact staan. Ik heb zelf ook een adres van de getuige in Duitsland. Al vrij snel na het indienen van het rechtshulpverzoek lukte het om met de getuige in Duitsland contact te leggen. Het gaat om het adres (...). Het adres staat ook vermeld in de stukken van het rechtshulpverzoek. De route naar Duitsland is korter dan de route naar Turkije. Het rechtshulpverzoek kwam tamelijk snel bij de Duitse rechter terecht.

Onze gesprekken vinden plaats zonder tolk maar mijn cliënt heeft mij duidelijk verteld dat zijn vader een volgende keer wel degelijk vragen zal beantwoorden.

De oudste raadsheer merkt op dat vooraf duidelijk was afgesproken dat het verhoor van de getuige zou verlopen met behulp van een video-verbinding met Nederland.

De raadsman voert aan - zakelijk weergegeven -:

Ik herhaal dat ik heb vernomen dat de vader van mijn cliënt niet begreep waarover het verhoor zou gaan.

(...)

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad.

De voorzitter hervat het onderzoek.

Na het beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot horen van de getuige [getuige] wordt afgewezen. Het verzoek tot horen van de getuige werd in een eerder stadium toegewezen. Door de raadsheer-commissaris is daarop een rechtshulpverzoek gedaan aan de Duitse autoriteiten. De getuige is in Duitsland verschenen ten overstaan van een Duitse rechter. Aan de getuige is met behulp van een tolk in de eigen taal de strekking van de zaak uitgelegd. Daarbij is uitgelegd waarover het verhoor zou gaan. De getuige heeft daarop aangegeven zich ten aanzien van zijn zoon te willen beroepen op zijn verschoningsrecht. Het herhaalde verzoek tot horen van deze getuige acht het hof onvoldoende onderbouwd. De enkele mededeling door de raadsman ter zitting van het hof inhoudende dat hij van verdachte heeft gehoord dat de getuige bereid is om vragen te beantwoorden, is daarvoor onvoldoende. Het hof ziet geen noodzaak tot het horen van de getuige en wijst het verzoek af.

Nu het verzoek tot horen van de getuige is afgewezen wordt ook het verzoek tot aanhouding van de zaak afgewezen.

De voorzitter deelt mede dat bij de verdere behandeling van de zaak in de standpunten ten aanzien van de eventuele bewijsvoering aandacht kan worden besteed aan de eventuele consequenties van de afwijzing van het verzoek tot horen van de getuige."

2.2.4.

Het genoemde proces-verbaal houdt voorts in:

"De raadsman voert aan - zakelijk weergegeven -:

(...)

Mijn cliënt heeft een afdoende verklaring gegeven voor de aanwezigheid van het geld in zijn auto. Hij heeft allereerst verklaard dat deels sprake was van een geldlening van zijn vader. Ter onderbouwing daarvan is een notariële akte overgelegd. Mochten er twijfels bestaan aan de betrouwbaarheid van de notariële akte dan is een getuigenverhoor van de vader van belang voor de waarheidsvinding. Gelet hierop doe ik een herhaald verzoek tot horen van deze getuige.

(...)

Ik persisteer ten aanzien van het verzoek tot horen van de getuige [getuige]. De werking van artikel 6 EVRM is niet beperkt tot getuigen die belastend hebben verklaard. De afwijzing van een verzoek tot horen van een ontlastende getuige kan ook in strijd zijn met artikel 6 EVRM, zeker wanneer - zoals in deze zaak - mag worden verwacht dat de getuige een nadere verklaring zal afleggen.

Aan de raadsman wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De raadsman voert aan - zakelijk weergegeven -:

Namens mijn cliënt wil ik benadrukken dat hij er zeer aan hecht dat zijn vader als getuige wordt gehoord."

2.2.5.

Het Hof heeft het aldus herhaalde verzoek tot het horen van [getuige] als getuige in zijn arrest als volgt afgewezen:

"De getuige - die aanvankelijk door het hof is toegewezen - is in het kader van een rechtshulpverzoek opgeroepen in Duitsland en ten overstaan van de rechter van het kantongerecht Tiergarten op 8 november 2013 verschenen.

Uit het dossier blijkt dat de getuige werd ingelicht over het onderwerp van het onderzoek (een helingszaak) en de persoon van verdachte. Voorts blijkt uit de stukken van het kantongerecht Tiergarten dat aan de getuige de feiten zijn beschreven waarop het rechtshulpverzoek was gebaseerd en dat hem is uitgelegd dat het verhoor zou plaatsvinden in het kader van een videoconferentie.

De getuige heeft verklaard zich te willen beroepen op zijn verschoningsrecht omdat hij geen verklaring wilde afleggen in het kader van een strafzaak tegen zijn zoon, verdachte.

Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman het verzoek tot horen van voornoemde getuige herhaald op de grond dat de getuige bij het afleggen van zijn verklaring bij de Duitse rechtbank niet goed zou hebben begrepen over welke zaak het verhoor zou gaan en nadien tegen zijn zoon, verdachte, heeft gezegd toch bereid te zijn inhoudelijke vragen te beantwoorden. De raadsman heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat hij dit telefonisch van zijn cliënt heeft gehoord en dat hij niet beschikt over een schriftelijke verklaring van de getuige waaruit zijn bereidheid blijkt. Het hof heeft ter zitting van 3 juli 2015 geoordeeld dat het verzoek onvoldoende was onderbouwd, reden waarom het hof het verzoek heeft afgewezen.

De raadsman heeft gepersisteerd bij het horen van de getuige. Het hof acht het horen van de getuige niet noodzakelijk nu geen nieuwe gronden zijn aangevoerd en deze gronden ook voorts niet zijn gebleken ter onderbouwing van het verzoek en wijst daarom het verzoek af."

2.3.

Het Hof heeft het ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek om [getuige], de vader van de verdachte, als getuige te horen afgewezen op de gronden zoals hiervoor onder 2.2.3 weergegeven. Mede in aanmerking genomen dat door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting niet meer is aangevoerd dan dat "hij van verdachte heeft gehoord dat de getuige bereid is om vragen te beantwoorden" is het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het Hof heeft voorts het, na deze afwijzende beslissing, ter terechtzitting in hoger beroep herhaalde verzoek om [getuige] als getuige te horen, in zijn eindarrest afgewezen en daarbij onder meer betrokken dat door de raadsman van de verdachte aan dit herhaalde verzoek geen nieuwe feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd en die evenmin zijn gebleken, een en ander zoals hiervoor onder 2.2.4 weergegeven. Ook dit oordeel van het Hof is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Het Hof heeft, met de afwijzing van de verzoeken om [getuige] als getuige te horen, art. 6, derde lid onder d, EVRM niet miskend, nu deze verdragsbepaling zich niet ertegen verzet dat bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de onderbouwing van verzoeken tot het horen van getuigen.

2.4.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing