Home

Raad van State, 26-02-2020, ECLI:NL:RVS:2020:626, 201907337/1/V2

Raad van State, 26-02-2020, ECLI:NL:RVS:2020:626, 201907337/1/V2

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26 februari 2020
Datum publicatie
4 maart 2020
ECLI
ECLI:NL:RVS:2020:626
Zaaknummer
201907337/1/V2

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en ambtshalve besloten om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen.

Uitspraak

201907337/1/V2.

Datum uitspraak: 26 februari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

2.    [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 27 september 2019 in zaak nr. NL19.14140 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en ambtshalve besloten om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen.

Bij uitspraak van 27 september 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. Y.E. Verkouter, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

1.1.    De staatssecretaris heeft bij de afwijzing van de asielaanvraag in de verlengde procedure de vreemdeling voorlopig uitstel van vertrek verleend voor de duur van maximaal zes maanden. Daarbij heeft hij erop gewezen dat hij in afwachting is van een onderzoek door Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) naar de gezondheidstoestand van de vreemdeling, waarna hij een definitief besluit zal nemen over de toepassing van artikel 64 van de Vw 2000.

2.    In de enige grief klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat deze in Werkinstructie 2018/16 vastgelegde handelwijze in strijd is met artikel 6.1e, eerste lid, van het Vb 2000 en paragraaf A3/7.2.3 van de Vc 2000. Blijkens het voornemen, dat onderdeel uitmaakt van het besluit, heeft de staatssecretaris zijn beslissing om de vreemdeling voorlopig uitstel van vertrek te verlenen gebaseerd op de door de vreemdeling overgelegde medische stukken. Daarmee heeft de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, ambtshalve beoordeeld of er reden is voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000, zoals artikel 6.1e, eerste lid van het Vb 2000 vereist. Noch uit dit artikel, noch uit artikel 64 van de Vw 2000 volgt dat de staatssecretaris deze beoordeling alleen kan maken naar aanleiding van een BMA-advies. Paragraaf A3/7.2.3 van de Vc 2000 biedt hiervoor evenmin aanknopingspunten. Dat het een voorlopig oordeel betreft, waarvan de staatssecretaris naar aanleiding van nader onderzoek door het BMA in een volgend besluit kan terugkomen, doet hieraan niet af. Zoals de staatssecretaris terecht betoogt, is dit in overeenstemming met Werkinstructie 2018/16. In deze werkinstructie wordt verwezen naar paragraaf A3/7.3.2.4 van de Vc 2000, waarin de handelwijze voor het geven van voorlopig uitstel van vertrek in de verlengde asielprocedure staat beschreven. De staatssecretaris voert terecht aan dat niet valt in te zien dat een vreemdeling hierdoor wordt benadeeld.

2.1.    De grief slaagt.

3.    Het hoger beroep van de vreemdeling leidt niet tot vernietiging van de uitspraak. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de

Vw 2000).

4.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond. Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond;

II.    verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 27 september 2019 in zaak nr. NL19.14140;

IV.    verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Prins

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2020

363-936.

 

BIJLAGE - Wettelijk kader

 

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 64

Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 6.1e

1. Bij afwijzing van de eerste aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt ambtshalve beoordeeld of er reden is voor toepassing van artikel 64 van de Wet, tenzij op grond van artikel 3.6a, eerste lid, of 3.6ba, eerste lid, alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning is verstrekt.

(…)

Vreemdelingencirculaire 2000

Paragraaf A3/7.2.3

De IND toetst op grond van artikel 6.1e Vb ambtshalve tijdens de eerste asielprocedure of een vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw. De IND kan bij de ambtshalve toets medische informatie betrekken, die is verkregen tijdens het medisch advies in de rust- en voorbereidingstermijn. De IND neemt ook overige medische omstandigheden mee, die tijdens de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd tot uiting komen.

(…)

Paragraaf A3/7.3.2.4

(…)

In de verlengde asielprocedure kan in afwachting van definitieve besluitvorming uitstel van vertrek worden verleend op grond van artikel 64 Vw, als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt afgewezen en de intentie bestaat om BMA-onderzoek op te starten, dan wel reeds opgestart is, in het kader van artikel 64 Vw na ontvangst van de bewijsmiddelen en - stukken.

(…)

Werkinstructie 2018/16 Artikel 64 Vw

3B Ambtshalve toets in de asielprocedure

(…)

Als de eerste asielaanvraag wordt afgewezen moet daarnaast nog getoetst worden- als er aanleiding is gezien het bovenstaande- of de medische problematiek kan leiden tot het verlenen van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw.

(…)

De Vc laat de ruimte aan de beslisser van een VA-zaak om zelf artikel 64 Vw te beoordelen en het advies van BMA af te wachten voordat de zaak wordt afgehandeld. De hoofdregel is echter dat de beslisser die de asielaanvraag al kan afhandelen dit niet nalaat enkel omdat een BMA-advies wordt afgewacht.

(…)

Zie verder (…) A3/7.3.2.4 Vc (over de VA).

(…)

Bij voorlopig verlenen art. 64 Vw: denk aan de zaken waarin BMA-advies nodig is. Er wordt dan art. 64 Vw verleend in afwachting van dat BMA-onderzoek.

(…)