Home

Raad van State, 14-12-2016, ECLI:NL:RVS:2016:3307, 201600223/1/A1

Raad van State, 14-12-2016, ECLI:NL:RVS:2016:3307, 201600223/1/A1

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14 december 2016
Datum publicatie
14 december 2016
ECLI
ECLI:NL:RVS:2016:3307
Formele relaties
Zaaknummer
201600223/1/A1

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 mei 2015 heeft het college aan Happy World Restaurant Assen B.V. omgevingsvergunning verleend voor het vestigen van een restaurant op het perceel Aziëweg 3 en 3a te Assen.

Uitspraak

201600223/1/A1.

Datum uitspraak: 14 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], handelend onder de naam [bedrijf], beiden gevestigd te Assen,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) van 16 december 2015 in zaken nrs. 15/3985, 15/4376 en 15/4377 in het geding tussen:

1. [appellant B] en [partij], wonend te Assen,

2. [appellant A]

en

het college van burgemeester en wethouders van Assen.

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2015 heeft het college aan Happy World Restaurant Assen B.V. (hierna: Happy World) omgevingsvergunning verleend voor het vestigen van een restaurant op het perceel Aziëweg 3 en 3a te Assen (hierna: het perceel).

Bij afzonderlijke besluiten van 4 november 2015 heeft het college de door [appellant A] en [bedrijf] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard en het besluit van 1 mei 2015, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 16 december 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [bedrijf] hoger beroep ingesteld.

Happy World heeft daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2016, waar [appellant A] en [bedrijf], vertegenwoordigd door mr. P.J.G.G. Sluyter, advocaat, en het college, vertegenwoordigd door E.M. Venema en A. Aminzaie-Haidari, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Happy World, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. E.M. de Boer, advocaat, als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

1. De omgevingsvergunning is verleend voor het verbouwen van een autobedrijfspand op het perceel tot een wereldrestaurant. Het project is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Assen-Noord" (hierna: het bestemmingsplan) op grond waarvan op het perceel de bestemming "Bedrijventerrein" rust. Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), gelezen in samenhang met artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van het pand in afwijking van het bestemmingsplan.

[appellant A] en [bedrijf] zijn restaurants in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied als het wereldrestaurant.

Volgens het college zijn het perceel en het pand vanwege de ligging, bereikbaarheid, ruimtelijke uitstraling en beschikbare ruimte als een bijzondere locatie aan te merken voor een solitair functionerend horecabedrijf als een wereldrestaurant en daarmee wordt voldaan aan het gestelde in de Ontwikkelingsvisie detailhandel en horeca (hierna: de ontwikkelingsvisie) van de raad van de gemeente Assen, zodat de gevraagde omgevingsvergunning kan worden verleend, aldus het college.

2. [appellant A] en [bedrijf] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de besluiten van 4 november 2015 niet zorgvuldig heeft voorbereid, nu niet is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro). Volgens hen is niet inzichtelijk gemaakt dat het wereldrestaurant voorziet in een actuele regionale behoefte. Voorts stellen zij dat het restaurant zal leiden tot leegstand in hun directe omgeving.

2.1. Anders dan [appellant A] en [bedrijf] betogen, is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing, nu het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo omgevingsvergunning heeft verleend. Uit artikel 5.20 van het Bor volgt dat slechts voor zover een omgevingsvergunning met toepassing van het bepaalde onder 3o van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo wordt verleend, artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro van overeenkomstige toepassing is. Nu de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is, behoeft er, anders dan [appellant A] en [bedrijf] stellen, geen actuele, regionale behoefte aan het restaurant in het pand op het perceel te worden aangetoond.

Het betoog faalt.

3. [appellant A] en [bedrijf] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door de omgevingsvergunning te verlenen. Daartoe voeren zij aan dat zij aan de publicatie van het bestemmingsplan en de ontwikkelingsvisie het vertrouwen hebben mogen ontlenen dat er geen (wereld)restaurant zou worden gevestigd op het bedrijventerrein.

3.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De publicatie van het bestemmingsplan is niet een zodanige concrete, ondubbelzinnige toezegging. Verder kan aan het bestaan van het bestemmingsplan niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat het college geen vergunning voor daarmee strijdig gebruik zal verlenen, nu de wetgever in artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo een bevoegdheid tot afwijking van bestemmingsplannen heeft geschapen.

Aan de ontwikkelingsvisie konden [appellant A] en [bedrijf] evenmin het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat het college de gevraagde vergunning niet zou verlenen, nu de ontwikkelingsvisie op het uitgangspunt dat horecabedrijven zoveel mogelijk moeten worden gevestigd in in bestemmingsplannen aan te wijzen horecaconcentratiegebieden, een uitzondering maakt voor bijzondere locaties en gebouwen. Dit betekent dat de rechtbank het beroep van [appellant A] en [bedrijf] op het vertrouwensbeginsel terecht heeft verworpen.

Het betoog faalt.

4. [appellant A] en [bedrijf] betogen ten slotte dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in overeenstemming met de ontwikkelingsvisie heeft gehandeld door de omgevingsvergunning te verlenen. Van een bijzondere locatie of een bijzonder gebouw als bedoeld in de ontwikkelingsvisie is volgens hen geen sprake.

4.1. Uitgangspunt van de ontwikkelingsvisie is dat buiten de in bestemmingsplannen aangewezen horecagebieden vestiging van horecabedrijven zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Een uitzondering hierop zijn de bijzondere locaties en bijzondere gebouwen. Hier is onder voorwaarden de vestiging van een solitair functionerend horecabedrijf mogelijk, bijvoorbeeld uit een oogpunt van bereikbaarheid of sfeer. Wat onder bijzonder gebouw dan wel bijzondere locatie moet worden verstaan, is niet in de ontwikkelingsvisie gedefinieerd. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, is het perceel in de onmiddellijke nabijheid van de op- en afrit van de snelweg A28 gelegen en daardoor goed bereikbaar. Voorts is op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid aanwezig. Verder is sprake van een zichtlocatie. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze factoren tezamen maken dat het perceel een bijzondere locatie is. De enkele stelling ter zitting dat de vestiging van een wereldrestaurant ook in de binnenstad van Assen mogelijk is, baat [appellant A] en [bedrijf] niet. Dat leidt er immers niet toe dat het perceel niet als een bijzondere locatie kan worden beschouwd.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Michiels w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2016

531.