Home

Raad van State, 08-06-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1556, 201507539/1/R1

Raad van State, 08-06-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1556, 201507539/1/R1

Gegevens

Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 30 juni 2015 heeft het college het uitwerkingsplan "Overtuinen D" vastgesteld, ten behoeve van het in het uitwerkingsplan voorziene woon(zorg)gebouw hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld, omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) voor het (ver)bouwen van een schoolgebouw met peuterspeelzaal en buitenschoolse opvang, de daarbij behorende terreininrichting en het afwijken van het uitwerkingsplan en ten slotte vastgesteld dat ter plaatse van het kadastrale perceel gemeente Zaandam, sectie K, nr. 8868, sprake is van ernstige bodemverontreiniging als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb), waarvan spoedige sanering als bedoeld in artikel 37 van die wet niet noodzakelijk is.

Uitspraak

201507539/1/R1.

Datum uitspraak: 8 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1. [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B], beide gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 1]),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kraduma B.V., gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad, en anderen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 30 juni 2015 heeft het college het uitwerkingsplan "Overtuinen D" vastgesteld, ten behoeve van het in het uitwerkingsplan voorziene woon(zorg)gebouw hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld, omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) voor het (ver)bouwen van een schoolgebouw met peuterspeelzaal en buitenschoolse opvang, de daarbij behorende terreininrichting en het afwijken van het uitwerkingsplan en ten slotte vastgesteld dat ter plaatse van het kadastrale perceel gemeente Zaandam, sectie K, nr. 8868, sprake is van ernstige bodemverontreiniging als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb), waarvan spoedige sanering als bedoeld in artikel 37 van die wet niet noodzakelijk is.

De besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt, zoals bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Tegen voornoemde besluiten hebben [appellante sub 1] en Kraduma en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Kraduma en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2016, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. E. van der Hoeven, Kraduma en anderen, vertegenwoordigd door C. Blom en mr. E. van der Hoeven, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.H. Kroeze en mr. F.P. Brouwer, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de stichting Stichting Zaan Primair, vertegenwoordigd door L.C. Houweling, als partij gehoord.

Buiten bezwaar van partijen hebben Kraduma en anderen ter zitting een nader stuk overgelegd.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Ontvankelijkheid

2. Het beroep van Kraduma en anderen is ingediend door [appellante sub 2A], [appellante sub 2b], Kraduma B.V. en W.F. & T. Weighing Filling and Transport B.V.

2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep van Kraduma en anderen niet ontvankelijk dient te worden verklaard, nu zij geen eigenaren zijn van gronden in de buurt van de voorziene multifunctionele accommodatie (hierna: MFA) en het voorziene woon(zorg)gebouw.

2.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3. Ingevolge vaste jurisprudentie dient een persoon als belanghebbende in de zin van de Awb te worden aangemerkt, indien een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang aanwezig is dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Anders dan het college betoogt, volgt uit artikel 1:2 van de Awb niet dat slechts personen die gronden in of rondom het plangebied in eigendom hebben, als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt.

2.4. De Afdeling stelt vast dat Kraduma B.V. eigenaar is van de percelen Mauritsstraat 4, 6b en 8. Het bedrijf van [appellante sub 2B] is gevestigd op het perceel [locatie]. Het bedrijf van W.F. & T. Weighing Filling and Transport B.V. is gevestigd op het perceel Mauritsstraat 6b. Voornoemde percelen zijn direct ten zuiden gelegen van de gronden waarop de MFA en het woon(zorg)gebouw zijn voorzien. Om die reden hebben [appellante sub 2B], Kraduma B.V. en W.F. & T. Weighing Filling and Transport B.V. een belang dat rechtstreeks bij de bestreden besluiten is betrokken.

Het beroep van Kraduma en anderen, voor zover ingediend door [appellante sub 2B], Kraduma B.V. en W.F. & T. Weighing Filling and Transport B.V, is derhalve ontvankelijk.

2.5. [appellante sub 2A] is enig bestuurder van [appellante sub 2B] en van W.F. & T. Weighing Filling and Transport B.V. maar geen aandeelhouder, zodat haar belang om deze reden niet zodanig verweven is en parallel loopt met dat van [appellante sub 2B] en W.F. & T. Weighing Filling and Transport B.V dat [appellante sub 2A] om die reden als belanghebbende moet worden aangemerkt. Gelet hierop heeft [appellante sub 2A] dan ook geen rechtstreeks maar een afgeleid belang. Nu ook overigens niet is gebleken dat zij een belang heeft dat rechtstreeks is betrokken bij de bestreden besluiten, kan [appellante sub 2A] derhalve niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.

Het beroep van Kraduma en anderen, voor zover ingediend door [appellante sub 2A], dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De beroepen tegen het uitwerkingsplan

Het uitwerkingsplan

3. Bij besluit van 6 juli 2006 heeft de raad van de gemeente Zaanstad het bestemmingsplan "Inverdan" vastgesteld. Dit bestemmingsplan bestaat uit een aantal deelgebieden waaronder het gebied de Overtuinen. De Overtuinen bestaat weer uit afzonderlijke ruimtelijke eenheden, die dwars op de Vaart gelegen zijn. Het onderhavige uitwerkingsplan is een uitwerking van een deel van het plangebied van het bestemmingsplan "Inverdan" gelegen binnen de Overtuinen, welk gebied wordt aangeduid als Overtuinen D.

In de eerste helft van 2008 is op basis van de verwachte noodzakelijke verhuizing van de school "Et Buut" en capaciteitstekorten van de school "Het Baken" een studie uitgevoerd naar mogelijke vestigingslocaties. Daarbij zijn in eerste instantie 11 locaties geopperd. Na een nadere studie zijn er drie locaties overgebleven die onderzocht zijn op mogelijkheden, mogelijke ontwikkelmodellen en financiële haalbaarheid. Uiteindelijk heeft het college de keuze gemaakt om Overtuinen D te ontwikkelen en beschikbaar te stellen aan de schoolbesturen. Het uitwerkingsplan voorziet in een MFA voor twee scholen, een gymzaal, een peuterspeelzaal en twee buitenschoolse opvangen. Daarnaast is er de mogelijkheid om in het gebied (zorg)woningen te realiseren. Het plangebied wordt globaal begrensd door het Volkspark in het noorden, de Vaart in het oosten, de bedrijven aan de Mauritsstraat in het zuiden en de Provincialeweg N203 in het westen.

4. [appellante sub 1] en Kraduma en anderen zijn bedrijven die direct ten zuiden van het plangebied gevestigd zijn aan de Mauritsstraat. Zij vrezen dat zij door de komst van de MFA en het woon(zorg)gebouw worden beperkt in hun (toekomstige) bedrijfsvoering en dat de aanwezigheid van deze functies zal leiden tot verkeers- en parkeeroverlast.

Toetsingskader

5. Wanneer in een bestemmingsplan een uitwerkingsplicht is opgenomen, dient het college in beginsel een uitwerkingsplan vast te stellen. In het kader van beroep tegen een uitwerkingsplan kan ter beoordeling staan of dit plan is voorbereid en genomen in strijd met het recht, daaronder begrepen of de uitgewerkte bestemming strookt met de uitwerkingsregels in het bestemmingsplan en, voor zover die regels daartoe de ruimte laten, met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij geldt de planologische aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming als gegeven.

Intrekking

6. Ter zitting hebben [appellante sub 1] en Kraduma en anderen de beroepsgrond die ziet op het niet opnemen van de norm van 50 dB(A) in artikel 4, lid 4.3, onder a, van de planregels ingetrokken.

Geluid

7. [appellante sub 1] en Kraduma en anderen voeren aan dat zij door het realiseren van de MFA in hun (toekomstige) bedrijfsvoering worden belemmerd. Ter zitting hebben zij toegelicht dat het hen in het bijzonder gaat om artikel 4, lid 4.2.1, onder 2, en lid 4.3, onder 3, van de planregels waarin is opgenomen dat de verplichting om te voorzien in dove gevels buiten toepassing kan blijven. Hierdoor is volgens hen het behoud van voldoende geluidruimte voor hun bedrijven op de lange termijn onvoldoende gewaarborgd.

7.1. Blijkens de verbeelding is aan een groot deel van het plangebied de bestemming "Maatschappelijk" toegekend. Aan een deel van deze gronden in het noordoosten van het plangebied zijn tevens de aanduidingen "bouwvlak" en "maximum bouwhoogte 10 m" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Maatschappelijk" bestemd voor onder meer maatschappelijke dienstverlening en voorzieningen.

Ingevolge lid 4.2.1 geldt voor het bouwen van gebouwen de volgende bepalingen:

a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;

b. ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte" is op de verbeelding de toegestane maximum bouwhoogte aangegeven;

met dien verstande dat:

1. indien en voor zover sprake is van geluidgevoelige functies, dan geldt dat zij aan de oost-, west- en zuidzijde van het gebouw slechts zijn toegestaan indien deze functies zijn voorzien van een dove gevel;

2. de bepaling onder 1 buiten toepassing blijft voor de oost- en zuidzijde indien:

a. de bedrijfsactiviteiten van de huidig gevestigde bedrijven aan de Mauritsstraat 4, 6, 8 en 10 Zaandam zijn beëindigd of;

b. nieuwvestiging van bedrijven in categorieën hoger dan categorie 1 van de Lijst van bedrijfstypen, zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Inverdan", aan de Mauritsstraat 4, 6, 8 en 10 Zaandam niet meer mogelijk is of;

c. uit akoestisch onderzoek blijkt dat de gevelbelasting voldoet aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde uit de Wgh.

Ingevolge artikel 4, lid 4.3, onder a, geldt in aanvulling op het bepaalde in lid 4.2.1 dat, voor zover een geluidsgevoelige functie is voorzien van een dove gevel dan wel in andere geluidoverdrachtbeperkende voorziening(en) is voorzien, deze dove gevel dan wel geluidoverdrachtbeperkende voorziening(en) ook bij aanpassingen of veranderingen van dan wel aan het gebouw in stand moet worden gehouden.

Ingevolge lid 4.3, onder 3, blijft lid 4.3, onder a, buiten toepassing indien:

a. de bedrijfsactiviteiten van de huidig gevestigde bedrijven aan de Mauritsstraat 4, 6, 8 en 10 Zaandam zijn beëindigd of;

b. nieuwvestiging van bedrijven in categorieën hoger dan categorie 1 van de Lijst van bedrijfstypen, zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Inverdan", aan de Mauritsstraat 4, 6, 8 en 10 Zaandam niet meer mogelijk is of;

c. uit akoestisch onderzoek blijkt dat de gevelbelasting voldoet aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde uit de Wgh.

7.2. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor de maximale geluidsniveaus op de gevel van gevoelige gebouwen geldt dat deze niet meer mogen bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge artikel 1.1 moet onder het begrip ‘gevel’ worden verstaan een gevel als bedoeld in artikel 1 in samenhang bezien met

artikel 1b, vierde lid, van de Wgh.

Ingevolge artikel 1 van de Wgh moet onder het begrip ‘gevel’ worden verstaan een bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak.

Ingevolge artikel 1b, vierde lid, onder a, wordt in afwijking van artikel 1 onder een gevel in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen niet verstaan een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A).

7.3. In het door Peutz op 10 februari 2014 opgestelde rapport "Geluid ten gevolge van bedrijven aan de Mauritsstraat te Zaandam op geplande school" (hierna: het akoestisch onderzoek) staat dat op de gevels van de MFA op basis van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit een grenswaarde van 50 dB(A) geldt en een maximaal geluidsniveau van 70 dB(A). Dit betreffen alleen gevels waarachter verblijfsruimten zijn gesitueerd met als functie leslokalen en theorie(vak)lokalen van onderwijsgebouwen en kinderdagverblijven. Als de geluidbelasting op de gevels van deze verblijfsruimten hoger is dan 50 dB(A) per bedrijf, dan is de betreffende ruimte daar alleen mogelijk als de gevel geheel gesloten wordt uitgevoerd (zogenoemde dove gevel).

De MFA bestaat uit twee bouwlagen. De meetpunten ter plaatse zijn gesitueerd op 1,5 en 5 m boven het plaatselijk maaiveld ter hoogte van de akoestisch relevante verblijfsruimten. De beoordelingsposities betreffen alleen die verblijfsruimten die als geluidgevoelig gelden, dus leslokalen en theorielokalen en het kinderdagverblijf. Voor het laatste is de peuterspeelzaal als zodanig beschouwd. Volgens de Wgh en het Bgh is een peuterspeelzaal niet als geluidgevoelig aan te merken. Echter, vanuit een goede ruimtelijke onderbouwing is de peuterspeelzaal desondanks als geluidgevoelig aangemerkt. De overige verblijfsruimten, zoals de buitenschoolse opvangruimten, de gymzaal met kleedruimte, multifunctionele ruimten, kantoren, vergaderruimten, opslag- en speellokalen, zijn niet geluidgevoelig, aldus het akoestisch onderzoek.

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten van bedrijven aan de Mauritsstraat op sommige gevels van de relevante verblijfsruimten van de geplande MFA een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau hoger dan 50 dB(A) optreedt in de voor de scholen maatgevende dagperiode. Op enkele gevels van de relevante verblijfsruimten van de MFA in de dagperiode is het maximale geluidsniveau tevens hoger dan 70 dB(A). In het akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de geluidimmissieniveaus dusdanig hoog zijn dat de gevels van de betreffende verblijfsruimten als dove gevels uitgevoerd dienen te worden.

7.4. Wat betreft de in lid 4.2.1, onder 2, en de in lid 4.3, onder 3, van de planregels opgenomen voorwaarde onder a waarin staat dat de verplichting om te voorzien in dove gevels buiten toepassing blijft indien de bedrijfsactiviteiten van de huidige gevestigde bedrijven aan de Mauritsstraat 4, 6, 8 en 10 Zaandam zijn beëindigd, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting heeft het college toegelicht dat met deze voorwaarde is beoogd aan te geven dat de thans aanwezige bedrijfsactiviteiten, zoals

las- en constructiewerkzaamheden en metaalbewerking, feitelijk moeten zijn beëindigd ongeacht of deze activiteiten werden uitgeoefend door de thans ter plaatse aanwezige bedrijven of door andere bedrijven. Volgens het college blijft de verplichting om te voorzien in dove gevels derhalve bestaan indien bijvoorbeeld één van de thans aanwezige bedrijven failliet gaat, maar de thans aanwezige bedrijfsactiviteiten worden voortgezet door een nieuw bedrijf. Deze uitleg volgt echter niet zonder meer uit voornoemde voorwaarde onder a, omdat deze voorwaarde ook zo kan worden uitgelegd dat de verplichting om te voorzien in dove gevels reeds buiten toepassing blijft wanneer de thans aanwezige bedrijven ter plaatse niet meer gevestigd zijn, waarbij dan niet van belang is of de thans aanwezige bedrijfsactiviteiten zouden kunnen worden voortgezet door een ander bedrijf. Bovendien heeft het college, indien hij gevolgd moet worden in zijn uitleg van voornoemde voorwaarde, naar het oordeel van de Afdeling niet onderkend dat totdat een nieuw bestemmingsplan is vastgesteld voor de bedrijfspercelen aan de Mauritsstraat waarin uitsluitend bedrijven zijn toegestaan met een lagere milieucategorie dan de categorie van de thans gevestigde bedrijven, de thans aanwezige bedrijfsactiviteiten ter plaatse planologisch blijven toegestaan. Dit betekent dat in de situatie dat deze bedrijfsactiviteiten feitelijk beëindigd zijn - ongeacht door welk bedrijf de bedrijfsactiviteiten werden uitgeoefend - dit gebruik altijd weer kan worden hervat.

Wat betreft de in lid 4.2.1, onder 2, en de in lid 4.3, onder 3, van de planregels opgenomen voorwaarde onder b waarin staat dat de verplichting om te voorzien in dove gevels buiten toepassing kan blijven indien nieuwvestiging van bedrijven in categorieën hoger dan categorie 1 van de Lijst van bedrijfstypen, zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Inverdan", aan de Mauritsstraat 4, 6, 8 en 10 Zaandam niet meer mogelijk is, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting heeft het college toegelicht dat aan deze voorwaarde is voldaan, indien op voornoemde percelen uitsluitend nog maar nieuwe bedrijven tot en met milieucategorie 1 kunnen worden gevestigd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college echter niet onderkend dat in de situatie dat een nieuw bestemmingsplan is vastgesteld voor de bedrijfspercelen aan de Mauritsstraat waarin uitsluitend bedrijven tot en met milieucategorie 1 zijn toegestaan terwijl de bedrijven van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen feitelijk nog wel aanwezig zijn, de bestaande bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen onder de beschermende werking van het overgangsrecht komen te vallen, hetgeen betekent dat het bestaande gebruik mag worden voortgezet. Indien de gevels van de MFA niet meer als dove gevels hoeven te worden uitgevoerd omdat nieuwvestiging van bedrijven in categorieën hoger dan categorie 1 niet meer mogelijk is, dan staat vast dat [appellante sub 1] en Kraduma en anderen niet kunnen voldoen aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit waardoor zij ernstig worden beperkt in de onder het overgangsrecht gebrachte bedrijfsvoering.

Wat betreft de in lid 4.2.1, onder 2, en de in lid 4.3, onder 3, van de planregels opgenomen voorwaarde onder c waarin staat dat de verplichting om te voorzien in dove gevels buiten toepassing kan blijven indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de gevelbelasting voldoet aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde uit de Wgh, is de Afdeling van oordeel dat deze voorwaarde onvoldoende zekerheid biedt. Zo zou de verplichting om te voorzien in dove gevels reeds buiten toepassing kunnen blijven indien uit akoestisch onderzoek volgt dat slechts aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan door het treffen van maatregelen, terwijl niet is verzekerd dat de desbetreffende maatregelen ook daadwerkelijk zullen worden getroffen.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat artikel 4, lid 4.2.1, onder 2, en lid 4.3, onder 3, van de planregels in strijd met de rechtszekerheid zijn vastgesteld.

Het betoog van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen slaagt.

8. [appellante sub 1] en Kraduma en anderen voeren verder aan dat artikel 4, lid 4.3, onder a, van de planregels alleen betrekking heeft op het gebruik van de MFA en niet op de bouw, zodat hiermee onvoldoende is gewaarborgd dat hun (toekomstige) bedrijfsactiviteiten niet zullen worden belemmerd indien de bebouwing eenmaal is opgericht.

8.1. Naar het oordeel van de Afdeling is met de in artikel 4, lid 4.2.1, onder 1, van de planregels opgenomen bouwregel en de in lid 4.3, onder a, opgenomen gebruiksregel voldoende verzekerd dat, indien op gronden met de bestemming "Maatschappelijk" geluidgevoelige functies worden gerealiseerd, de oost-, west- en zuidzijde van deze bebouwing ter plaatse van deze functies moet worden voorzien van een dove gevel en dat een dergelijke gevel in stand moet worden gehouden.

Het betoog van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen faalt.

9. Verder voeren [appellante sub 1] en Kraduma en anderen aan dat het uitwerkingsplan in strijd is met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan "Inverdan". Zij wijzen erop dat als uitwerkingsregel is opgenomen dat de gevelbelasting op de te projecteren woningen ten hoogste 50 dB(A) mag bedragen, terwijl de gevelbelasting op het voorziene woon(zorg)gebouw meer zal bedragen dan 50 dB(A). Voorts betogen [appellante sub 1] en Kraduma en anderen dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de maximale geluidsniveaus op de gevels van het woon(zorg)gebouw op de gronden met de bestemming "Wonen".

9.1. Blijkens de verbeelding is aan het noordwestelijke deel van het plangebied de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke verplichting 1" toegekend. Aan een groot deel van deze gronden zijn tevens de aanduidingen "bouwvlak" en "maximum bouwhoogte 18 m" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Wonen" bestemd voor woningen in gestapelde vorm, al dan niet in combinatie met de uitoefening van aan huis gebonden beroep of activiteit, en zorgwoningen.

Ingevolge lid 7.2.2 is het ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke verplichting 1" in gebruik nemen van geluidgevoelige objecten, zoals bedoeld in lid 7.1, alleen dan toegestaan als blijkens akoestisch onderzoek de noodzakelijke geluidoverdrachtbeperkende voorziening(en) is/zijn gerealiseerd.

Ingevolge lid 7.3, onder a, geldt in aanvulling op het bepaalde in lid 7.2.2 dat, voor zover een geluidsgevoelige functie/ruimte is voorzien van een dove gevel dan wel in andere geluidoverdrachtbeperkende voorziening(en) is/zijn voorzien, deze dove gevel dan wel geluidoverdrachtbeperkende voorziening(en) ook bij aanpassingen of veranderingen van dan wel aan het gebouw in stand moet worden gehouden.

9.2. Blijkens de plankaart behorende bij het bestemmingsplan "Inverdan" is aan de gronden van het onderhavige plangebied de bestemming "Uit te werken gemengde doeleinden II" toegekend.

Ingevolge artikel 4, aanhef en vierde lid, onder B, onder UGD II, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, werkt het college de bestemming "Uit te werken gemengde doeleinden II" uit in achtneming van de volgende regels:

b. de gevelbelasting van te projecteren woningen mag ten gevolge van op de aangrenzende bestemming "Bedrijfsdoeleinden" uitgeoefende bedrijvigheid ten hoogste 50 dB(A) bedragen.

9.3. In de plantoelichting staat in paragraaf 5.3.5.1 dat om te voorkomen dat er geluidsnormen voor de bedrijven aan de Mauritsstraat gaan gelden, de oostelijke gevel van het woon(zorg)gebouw als dove gevel wordt uitgevoerd.

9.4. Naar het oordeel van de Afdeling moet - anders dan door het college wordt verondersteld - onder het begrip ‘gevelbelasting’ als bedoeld in de in artikel 4, aanhef en vierde lid, onder B, onder UGD II, onder b, van de planvoorschriften behorend bij het bestemmingsplan "Inverdan" opgenomen uitwerkingsregel niet slechts worden verstaan de belasting op een gevel als bedoeld in artikel 1 in samenhang bezien met artikel 1b, vierde lid, van de Wgh. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in deze uitwerkingsregel noch in de begripsbepalingen behorend bij het bestemmingsplan "Inverdan" onderscheid is gemaakt tussen een dove gevel en een gevel als bedoeld in artikel 1 in samenhang bezien met artikel 1b, vierde lid, van de Wgh, terwijl dit onderscheid ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan al wel in de Wgh was opgenomen. Ook volgt uit het bestemmingsplan "Inverdan" niet dat voor het begrip ‘gevel’ moet worden aangesloten bij de begripsomschrijving uit de Wgh. Derhalve heeft voornoemde uitwerkingsregel betrekking op het geluidsniveau op welke gevel dan ook, waaronder ook een dove gevel. Nu niet in geschil is dat het geluidsniveau op de oostelijke gevel van het mogelijk gemaakte woon(zorg)gebouw meer dan 50 dB(A) zal bedragen als gevolg van de aan de Mauritsstraat uitgeoefende bedrijvigheid, heeft het college het uitwerkingsplan op dit punt in strijd met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan "Inverdan" vastgesteld. Hierbij wijst de Afdeling er tevens op dat - anders dan waar het college vanuit is gegaan - de norm van 50 dB(A) uit artikel 4, aanhef en vierde lid, onder B, onder UGD II, onder b, van de planvoorschriften behorend bij het bestemmingsplan "Inverdan" geldt voor de cumulatieve geluidsbelasting vanwege de bedrijven aan de Mauritsstraat en niet voor de geluidsbelasting vanwege elk bedrijf afzonderlijk.

Het betoog van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen slaagt.

9.5. Gelet op hetgeen in 9.4 is overwogen, behoeft het overige betoog van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen dat betrekking heeft op de maximale geluidsniveaus ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Wonen" geen bespreking meer.

Verkeer en parkeren

10. [appellante sub 1] en Kraduma en anderen voeren aan dat de looproute van het parkeerterrein naar de MFA is voorzien op gronden met de bestemming "Wonen", hetgeen in strijd is met deze bestemming. Verder betogen [appellante sub 1] en Kraduma en anderen dat de ontsluiting van het woon(zorg)gebouw en de ontsluiting van de daarbij behorende parkeerplaatsen zijn voorzien op gronden met de bestemming "Maatschappelijk", maar dat hiervoor onvoldoende ruimte aanwezig is. Hierdoor vrezen zij voor opstoppingen in de Mauritsstraat. Volgens [appellante sub 1] en Kraduma en anderen is verder niet inzichtelijk gemaakt op welke manier het voorziene woon(zorg)gebouw bereikbaar is voor grote motorvoertuigen, zoals vuilniswagens.

10.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

10.2. Wat betreft de looproute van het parkeerterrein naar de MFA, beroepen [appellante sub 1] en Kraduma en anderen zich op normen die kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, te weten de ongehinderde uitoefening van hun bedrijven. Gelet hierop laat de Afdeling deze beroepsgrond dan ook buiten beschouwing nu deze, gelet op artikel 8:69a van de Awb, er niet toe kan leiden dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.

10.3. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder b, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Maatschappelijk" bestemd voor parkeervoorzieningen en toegangswegen, tevens ten behoeve van de bestemming "Wonen".

10.4. In paragraaf 2.5.1 van de plantoelichting staat dat het plangebied wordt ontsloten voor autoverkeer vanaf de Provincialeweg N203. De Mauritsstraat wordt ten behoeve van de nieuwe ontwikkeling opnieuw ingericht. Bij de vormgeving van het keerpunt en het breedteprofiel van de Mauritsstraat wordt rekening gehouden met het in- en uitrijden van de bedrijfspercelen. Verkeer vanaf de Provincialeweg ondervindt geen obstakels bij het bereiken van de parkeerplaatsen, zoals slagbomen.

10.5. Het college heeft toegelicht dat het woon(zorg)gebouw voor gemotoriseerd verkeer, waaronder grote motorvoertuigen, zal worden ontsloten via het parkeerterrein behorend bij de MFA en dat hiervoor voldoende ruimte aanwezig is. Voorts heeft het college ter zitting toegelicht dat de piekmomenten op het parkeerterrein vanwege verkeer van en naar de MFA niet samen vallen met de piekmomenten op dit terrein vanwege verkeer van en naar het woon(zorg)gebouw. Gelet hierop en nu ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder b, van de planregels gronden met de bestemming "Maatschappelijk" zijn bestemd voor toegangswegen, tevens ten behoeve van de bestemming "Wonen", ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het voorziene woon(zorg)gebouw kan worden ontsloten en dat dit niet leidt tot onaanvaardbare overlast op de Mauritsstraat.

Het betoog van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen faalt.

11. Verder voeren [appellante sub 1] en Kraduma en anderen aan dat in het uitwerkingsplan niet is geborgd dat voor het voorziene woon(zorg)gebouw en de MFA in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien.

11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de beroepsgronden ten aanzien van de gevreesde parkeeroverlast, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, nu de relativiteit hieraan in de weg staat.

11.1.1. Naar het oordeel van de Afdeling kan niet worden uitgesloten dat [appellante sub 1] en Kraduma en anderen gevolgen zullen ondervinden van een eventueel tekort aan parkeerruimte in het plangebied, nu hun bedrijfspanden op de percelen Mauritsstraat 4, 6 en 6b direct grenzen aan het plangebied en een mogelijk tekort aan parkeerplaatsen kan leiden tot een toename van de parkeerdruk in de directe omgeving van de bedrijfspanden van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat [appellante sub 1] en Kraduma en anderen zich wat betreft de parkeerruimte in het plangebied beroepen op een aspect van een goede ruimtelijke ordening dat kennelijk niet strekt tot bescherming van hun belangen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:264). Artikel 8:69a van de Awb staat derhalve niet in de weg aan een vernietiging van het bestreden besluit om deze reden.

11.2. Ter zitting heeft het college toegelicht dat hij met artikel 9 van de planregels in samenhang bezien met artikel 12, lid 12.1, heeft beoogd een planregel te formuleren die ertoe leidt dat bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor bouwen via de Bouwverordening Zaanstad zal worden getoetst aan de gemeentelijke Parkeernota Zaanstad 2013 en de daarbij behorende parkeernormen.

11.3. Ingevolge artikel 9 van de planregels mag een gebouw alleen worden gebouwd indien uit de aanvraag om vergunning blijkt dat in, onder of nabij het gebouw voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd (zie artikel 12, lid 12.1, van de planregels).

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, blijven de regels van de Bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard overeenkomstig het gestelde in artikel 9, tweede lid, van de Woningwet buiten toepassing, behoudens ten aanzien van de volgende onderwerpen:

a. de bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer;

b. de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten;

c. de parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden.

11.4. Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 (Stb. 2014, 458) in werking getreden. Bij deze wet is onder meer de Woningwet gewijzigd.

Ingevolge artikel XXIII, onder c, van de Reparatiewet BZK 2014 is het vijfde lid van artikel 8 van de Woningwet komen te vervallen. Dit artikel maakte het mogelijk om in de gemeentelijke bouwverordening voorschriften van stedenbouwkundige aard op te nemen. Artikel 2.5.30 van de Bouwverordening Zaanstad, dat voorschriften bevat over parkeren, is zo’n voorschrift van stedenbouwkundige aard waarvoor artikel 8, vijfde lid, (oud) van de Woningwet de grondslag vormde.

Ingevolge artikel 133, eerste lid, van de Woningwet, zoals dit is toegevoegd ingevolge artikel XXIII, onder H, van de Reparatiewet BZK 2014, blijven voor gebieden waar op het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 een bestemmingsplan als bedoeld in de Wro van toepassing is, de artikelen 1, eerste lid, onderdeel g, 7b, eerste lid, 8, vijfde en zevende lid, 9, 10 en 12, derde lid, zoals die laatstelijk luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, van toepassing tot het tijdstip van wijziging van het bestemmingsplan voor het gebied, doch uiterlijk tot 1 juli 2018.

11.5. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel XXIII, onder H, van de Reparatiewet BZK 2014 (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 951, nr. 3, blz. 10 en 11) staat het volgende:

"[..] Er is gekozen voor een overgangstermijn van bijna 5 jaar. Het ligt in de verwachting dat gemeenten binnen die periode hun huidige uitvoering op het gebied van stedenbouwkundige voorschriften en bestemmingsplannen kunnen aanpassen aan de nieuwe situatie. Tot de inwerkingtreding van deze wet is het denkbaar dat een gemeente gebruik maakt van zowel een bestemmingsplan als van stedenbouwkundige voorschriften op grond van de Woningwet. Op die situatie blijft het oude recht van toepassing zo lang voor het betreffende deel van de gemeenten vóór de inwerkingtreding van deze wetswijziging geen bestemmingsplan is vastgesteld of, indien wel een bestemmingsplan is vastgesteld, geen wijziging daarvan is vastgesteld. Echter, indien na inwerkingtreding van deze wetswijziging en voor 1 juli 2018 een bestemmingsplan of een wijziging daarvan wordt vastgesteld, dan is het oude recht niet langer van toepassing. Bij het vaststellen of wijzigen van het bestemmingsplan moeten stedenbouwkundige voorschriften, indien wenselijk is dat die opgenomen worden, in dat bestemmingsplan of gewijzigde bestemmingsplan worden gesteld."

11.6. Het onderhavige uitwerkingsplan is vastgesteld na de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014. Derhalve zal moeten worden beoordeeld of artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, voor het onderhavige uitwerkingsplan zijn gelding heeft verloren, hetgeen zou betekenen dat de bij de Parkeernota Zaanstad 2013 behorende parkeernormen, waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen als gevolg van de daartoe in het uitwerkingsplan opgenomen regeling via de Bouwverordening Zaanstad moet worden getoetst, geen gelding meer hebben voor het plangebied.

Naar het oordeel van de Afdeling moet onder wijziging van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 133, eerste lid, van de Woningwet niet worden verstaan de vaststelling van een uitwerkingsplan door het college op grond van een daartoe op de voet van de in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro in een bestemmingsplan opgenomen bevoegdheid. Hierbij acht de Afdeling van belang dat in artikel 133, eerste lid, van de Woningwet uitsluitend het begrip bestemmingsplan staat genoemd en dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel XXIII, onder H, van de Reparatiewet BZK 2014 niet volgt dat hieronder ook een uitwerkingsplan moet worden verstaan.

Het voorgaande betekent dat voor het onderhavige uitwerkingsplan artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, van toepassing blijft, zodat de aanvullende werking van de desbetreffende stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening Zaanstad voor de in het plangebied begrepen gronden niet is komen te vervallen. Derhalve zal bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen via de Bouwverordening aan de Parkeernota Zaanstad 2013 en de daarbij behorende parkeernormen kunnen worden getoetst. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat in het uitwerkingsplan op een toereikende wijze is geregeld dat bij het effectueren van de in het uitwerkingsplan opgenomen bouwmogelijkheden voldoende parkeergelegenheid zal worden gerealiseerd.

Het betoog van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen faalt.

12. Voorts betogen [appellante sub 1] en Kraduma en anderen dat aan de noordzijde van de Mauritsstraat parkeerplaatsen zijn voorzien voor de aanwezige bedrijven, maar dat deze parkeerplaatsen een probleem opleveren voor de bereikbaarheid van de bedrijfspercelen voor vrachtverkeer. Volgens hen kunnen vrachtwagens vanwege de beperkte breedte van de Mauritsstraat de draai vanaf de Mauritsstraat naar de bedrijfspercelen in de bestaande situatie al nauwelijks maken en zal dat na herinrichting van de Mauritsstraat alleen nog maar verslechteren. [appellante sub 1] en Kraduma en anderen wijzen er daarbij op dat schoolgaande kinderen de Mauritsstraat moeten oversteken, hetgeen vanwege afslaand vrachtverkeer verkeersonveilige situaties oplevert.

12.1. In paragraaf 2.5.1 van de plantoelichting staat dat het kruispunt Mauritsstraat/Provincialeweg reeds met verkeerslichten wordt geregeld. Uit waarnemingen blijkt een potentieel risico; vrachtwagens steken in een aantal gevallen achteruit vanaf de Provincialeweg de Mauritsstraat in. Het is wenselijk om dergelijke situaties te voorkomen door het aanleggen van een keerlus in het zuidoosten van het plangebied aan het einde van de Mauritsstraat.

12.2. Het college heeft toegelicht dat gebruik is gemaakt van het rijcurvesimulatieprogramma AutoTURN om te beoordelen tot welke lengte vrachtwagens gebruik kunnen maken van de keerlus die aan het einde van de Mauritsstraat zal worden aangelegd en of vrachtwagens na de herinrichting van de Mauritsstraat de bedrijfspercelen kunnen opdraaien. Uit de resultaten van dit programma, welke niet zijn overgelegd, volgt volgens het college dat de keerlus geschikt is voor vrachtverkeer met een lengte van maximaal 17 m en dat het geen probleem is om na de herinrichting van de Mauritsstraat dergelijke vrachtwagens in te laten draaien op de bedrijfspercelen van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen. Ter zitting hebben [appellante sub 1] en Kraduma en anderen echter onweersproken gesteld dat hun bedrijven ook enkele keren per dag worden bezocht door zogenoemde diepladers met een lengte van meer dan 17 m, welke voertuigen laden en lossen op de Mauritsstraat zelf en vanwege hun lengte geen gebruik kunnen maken van de keerlus. Niet is gebleken dat het college bij de vaststelling van het uitwerkingsplan met deze diepladers rekening heeft gehouden. Gelet hierop heeft het college naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende onderzocht of na de herinrichting van de Mauritsstraat het vrachtverkeer voldoende ruimte heeft om de bedrijfspercelen van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen te bereiken, te meer nu sprake is van een verkeerssituatie waarin onder meer fietsende schoolkinderen de Mauritsstraat zullen oversteken. Daarbij acht de Afdeling tevens van belang dat blijkens de verbeelding de breedte van de Mauritsstraat ter hoogte van het bedrijfsperceel van [appellante sub 1] ongeveer 12,5 m zal bedragen en ter hoogte van de bedrijfspercelen van Kraduma en anderen ongeveer 11 m onderscheidenlijk 13 m. Nu aan de noordzijde van de Mauritsstraat parkeerplaatsen zijn voorzien met een breedte van 5 m, zal het rijgedeelte ter plaatse van de bedrijfspercelen slechts ongeveer 7,5 m breed onderscheidenlijk 6 m en 8 m zijn waardoor het onzeker is of vrachtverkeer elkaar kan passeren.

Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding voor het oordeel dat het uitwerkingsplan in zoverre niet met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid is voorbereid.

De betogen van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen slagen.

Overige beroepsgronden

13. [appellante sub 1] en Kraduma en anderen voeren voorts aan dat uit de uitwerkingsregels die in het bestemmingsplan "Inverdan" zijn opgenomen, volgt dat op gronden met de bestemmingen "Uit te werken gemengde doeleinden I" en "Uit te werken gemengde doeleinden II" tezamen

55 woningen mogen worden gerealiseerd. Bij de vaststelling van het uitwerkingsplan zijn de gronden met de bestemming "Uit te werken gemengde doeleinden I" echter niet betrokken, terwijl het wellicht wenselijker zou zijn om op die gronden woningen te realiseren in plaats van in de directe omgeving van de bedrijven van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen.

13.1. Blijkens de plankaart bij het bestemmingsplan "Inverdan" is aan gronden ten noorden van het Volkspark de bestemming "Uit te werken gemengde doeleinden I" toegekend.

Ingevolge artikel 4, aanhef en vierde lid, onder B, onder UGD II, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, werkt het college de bestemming "Uit te werken gemengde doeleinden II" uit met in achtneming van de volgende regels:

c. het aantal woningen dat is toegestaan bedraagt in UGD I en UGD II gezamenlijk ten minste 35 en ten hoogste 55.

13.2. Niet in geschil is dat het uitwerkingsplan voorziet in maximaal

54 woningen en dat op de gronden met de bestemming "Uit te werken gemengde doeleinden I" geen woningen aanwezig zijn dan wel zijn voorzien. Derhalve is het uitwerkingsplan naar het oordeel van de Afdeling in zoverre niet in strijd met de desbetreffende uitwerkingsregel. Door het college is verder te kennen gegeven dat woningbouw op gronden met de bestemming "Uit te werken gemengde doeleinden I" thans ook niet mogelijk is vanwege de aanwezigheid van bedrijven in de directe omgeving. Gelet hierop heeft het college er naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid voor kunnen kiezen om het woon(zorg)gebouw niet mogelijk te maken op gronden met de bestemming "Uit te werken gemengde doeleinden I".

Het betoog van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen faalt.

14. Volgens [appellante sub 1] en Kraduma en anderen is een deel van de gronden waaraan in het bestemmingsplan "Inverdan" de bestemming "Uit te werken gemengde doeleinden II" is toegekend ten onrechte buiten het plangebied gelaten. Hierdoor blijft invulling van dat deel van de gronden onzeker.

14.1. Blijkens de plankaart behorende bij het bestemmingsplan "Inverdan" is aan een deel van de gronden ten zuiden van de Mauritsstraat eveneens de bestemming "Uit te werken gemengde doeleinden II" toegekend. Deze gronden zijn niet opgenomen in het onderhavige plangebied.

14.2. Het college komt in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een uitwerkingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat het college een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht. Het college heeft toegelicht dat herontwikkeling van alle gronden waaraan de bestemming "Uit te werken gemengde doeleinden II" is toegekend niet haalbaar was, omdat voor de gronden ten zuiden van de Mauritsstraat niet duidelijk was op welke manier deze ontwikkeld zouden moeten worden. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 1] en Kraduma en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de begrenzing van het uitwerkingsplan, zonder dat daarbij de rest van het gebied waaraan in het bestemmingsplan de bestemming "Uit te werken gemengde doeleinden II" is meegenomen, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen faalt.

Conclusie

15. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak de in 7.4, en 12.2 genoemde gebreken in het uitwerkingsplan te herstellen. Het college dient daartoe:

- met inachtneming van hetgeen in 7.4 is overwogen het uitwerkingsplan te wijzigen door, rekening houdend met de belangen van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen, een nieuwe planregeling vast te stellen voor de situatie waarin de verplichting om te voorzien in dove gevels buiten toepassing kan blijven, dan wel artikel 4, lid 4.2.1, onder 2, en artikel 4, lid 4.3, onder 3, van de planregels te laten vervallen;

- met inachtneming van hetgeen in 12.2 is overwogen alsnog deugdelijk onderzoek te doen naar de gevolgen van het uitwerkingsplan voor de bereikbaarheid van de bedrijfspercelen van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen en gelet op de uitkomst van dit onderzoek te motiveren waarom het besluit in stand kan blijven, dan wel indien nodig een nieuw besluit te nemen.

Bij de voorbereiding van het te nemen besluit tot wijziging hoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Het besluit tot wijziging van het uitwerkingsplan dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt en te worden medegedeeld.

Ten aanzien van het in overweging 9.4 vastgestelde gebrek in het besluit van het college tot vaststelling van het uitwerkingsplan bestaat geen aanleiding om een opdracht tot herstel te geven. Daartoe wordt overwogen dat niet in geschil is dat het uitwerkingsplan het mogelijk maakt dat woningen worden gerealiseerd waarvan de gevelbelasting als gevolg van de aan de Mauritsstraat uitgeoefende bedrijvigheid meer dan 50 dB(A) zal bedragen, zodat niet kan worden voldaan aan de desbetreffende uitwerkingsregel.

16. Gelet op de samenhang met de geconstateerde gebreken zal de Afdeling het betoog van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen dat bij de vaststelling van het uitwerkingsplan ten onrechte niet is onderzocht of hun bedrijfsactiviteiten zouden kunnen worden verplaatst, niet in deze tussenuitspraak beoordelen.

De beroepen tegen de omgevingsvergunning

17. Het college heeft omgevingsvergunning verleend voor het op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo (ver)bouwen van een schoolgebouw met peuterspeelzaal en buitenschoolse opvang en de daarbij behorende terreininrichting. De aanvraag is op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo mede aangemerkt als een aanvraag voor afwijking van het uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.

18. Ter zitting hebben [appellante sub 1] en Kraduma en anderen de beroepsgrond die betrekking heeft op het aantal benodigde fietsparkeerplaatsen ingetrokken.

19. Volgens [appellante sub 1] en Kraduma en anderen is bij het berekenen van het benodigde aantal parkeerplaatsen voor het halen en brengen van leerlingen uitgegaan van een leerlingenaantal van 600, terwijl uitgegaan had dienen te worden van de maximale capaciteit van het gebouw voor 750 leerlingen. Uitgaande van 750 leerlingen bestaat er een tekort aan parkeerplaatsen, aldus [appellante sub 1] en Kraduma en anderen.

Verder voeren [appellante sub 1] en Kraduma en anderen aan dat 33% van de basisschoolleerlingen met de auto wordt gebracht en gehaald, zodat het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het halen en brengen ook bij een leerlingenaantal van 600 hoger is dan uit de berekeningen van het college volgt.

19.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de door [appellante sub 1] en Kraduma en anderen aangevoerde beroepsgronden over het parkeren, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, nu de relativiteit hieraan in de weg staat.

19.1.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

19.1.2. Artikel 2.5.30 van de Bouwverordening Zaanstad strekt ertoe te waarborgen dat voor een bouwplan voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn ten einde onder meer parkeeroverlast in de directe omgeving van de gronden waarop het bouwplan is voorzien te voorkomen. Nu niet is uitgesloten dat een tekort aan parkeerplaatsen in de buurt van het voorziene schoolgebouw gevolgen heeft voor de bereikbaarheid van het bedrijf van [appellante sub 1] aan de Mauritsstraat 6 en de bedrijven van Kraduma en anderen aan de Mauritsstraat 4 en 6b, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 2.5.30 van de Bouwverordening kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen. Artikel 8:69a van de Awb staat derhalve niet in de weg aan een vernietiging van het bestreden besluit om deze reden.

19.2. Ingevolge artikel 133, derde lid, van de Woningwet, zoals dit is toegevoegd ingevolge artikel XXIII, onder H, van de Reparatiewet BZK 2014, blijven op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, alsmede op enig bezwaar of beroep, ingesteld tegen een besluit over een dergelijke aanvraag, de artikelen 1, eerste lid, onderdeel g, 7b, eerste lid, 8, vijfde en zevende lid, 9, 10 en 12, derde lid, zoals deze luidden op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend, van toepassing.

De aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend vóór 29 november 2014. Uit artikel 133, derde lid, van de Woningwet volgt dat artikel 2.5.30 van de Bouwverordening Zaanstad hierop na de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 van toepassing is gebleven.

19.3. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening Zaanstad moet, indien de omvang of de bestemming van een bouwwerk daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat bouwwerk behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het bouwwerk, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het zesde lid kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste, derde en vierde lid. In de door de raad vastgestelde parkeernota worden regels gesteld over de wijze waarop het bevoegd gezag gebruik maakt van deze bevoegdheid.

In de Parkeernota Zaanstad 2013 zijn parkeernormen opgenomen op grond waarvan het college de parkeerbehoefte en parkeereis van de desbetreffende functie dient vast te stellen.

19.4. In de overwegingen behorende bij de omgevingsvergunning staat dat de parkeerberekening is uitgevoerd overeenkomstig de uitgangspunten van de Parkeernota Zaanstad 2013. Het bouwplan betreft een basisschool met 25 lokalen, een peuterspeelzaal van 83 m² en een buitenschoolse opvang van 139 m². Het totaal aantal leerlingen voor de basisschool bedraagt 600. Daarnaast zijn er 17 plaatsen op de peuterspeelzaal. Uit de Parkeernota Zaanstad 2013 volgt dat voor een basisschool een parkeernorm geldt van één parkeerplaats per klaslokaal, zodat voor het bouwplan dient te worden voorzien in 25 parkeerplaatsen. Voor de peuterspeelzaal en de buitenschoolse opvang geldt volgens de Parkeernota Zaanstad 2013 een parkeernorm van 0,9 per 100 m². Het totaal aan m² voor de peuterspeelzaal en de buitenschoolse opvang bedraagt 211 m², hetgeen resulteert in twee benodigde parkeerplaatsen. Het totale reguliere aantal parkeerplaatsen komt daarmee op 27 parkeerplaatsen.

In de overwegingen staat verder dat voor het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het halen en brengen is aangesloten bij de normen uit de CROW-publicatie 182. Hierin is de volgende formule gehanteerd: totaal aantal leerlingen X percentage kinderen dat per auto wordt gebracht X de reductiefactor voor het aantal kinderen per auto X de parkeerduurfactor. Het aantal parkeerplaatsen voor het halen en brengen uitgaande van een leerlingenaantal van 600 is als volgt berekend. Groep 1 tot en met 3: 225 leerlingen, waarvan 30% met de auto komt, met een reductiefactor van 0,75 en een parkeerduurfactor van 0,5. Dit resulteert in

25,7 parkeerplaatsen. Groep 4 tot en met 8: 375 leerlingen, waarvan 10% met de auto komt, met een reductiefactor van 0,85 en een parkeerduurfactor van 0,25. Dit resulteert in 3,4 parkeerplaatsen. De peuterspeelzaal met 17 plaatsen waarvan 65% met de auto komt, met een reductiefactor van 65% en een parkeerduurfactor van 0,25. Dit resulteert in 1,9 parkeerplaatsen. De norm voor buitenschoolse opvang is op nul gezet, aangezien het hoofdzakelijk kinderen betreft die ook al de basisschool bezoeken. Het aanvullende aantal parkeerplaatsen voor het halen en brengen komt daarmee in totaal op 31.

De Afdeling stelt verder vast dat, indien wordt uitgegaan van een leerlingenaantal van 750, het aanvullende aantal parkeerplaatsen voor het halen en brengen in totaal op 44 komt.

19.5. In voorschrift 2 behorende bij de omgevingsvergunning staat dat het minimaal benodigde aantal van 58 autoparkeerplaatsen op eigen terrein dient te worden gerealiseerd en in stand wordt gehouden zolang de vergunde functies worden uitgevoerd.

Uit het bij de omgevingsvergunning behorende Terreinplan volgt dat het bouwplan voorziet in 64 autoparkeerplaatsen op eigen terrein.

19.6. Uit de tekeningen behorende bij de omgevingsvergunning volgt dat in het schoolgebouw 25 klaslokalen worden gerealiseerd, welke lokalen ruimte bieden aan 30 leerlingen per lokaal. Derhalve biedt het bouwplan naar het oordeel van de Afdeling plaats aan 750 leerlingen. Voor zover het college heeft gewezen op zijn beslissing van 15 januari 2013 waarin hij de capaciteit van het te bouwen schoolgebouw heeft vastgesteld op 600 leerlingen en hij ter zitting heeft toegelicht dat dit aantal van 600 is gebaseerd op de door de raad vastgestelde Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Zaanstad, overweegt de Afdeling als volgt. Het college heeft, mede gelet op de toekomstverwachting, onvoldoende gemotiveerd hoe tot dit aantal van 600 leerlingen is gekomen. Voorts overweegt de Afdeling dat deze beslissing noch voornoemde Verordening er aan in de weg staan dat het schoolgebouw door meer dan 600 leerlingen zal worden bezocht.

Ter zitting heeft het college erkend dat bij een leerlingenaantal van 750 niet wordt voldaan aan de in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening gestelde eis dat ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat bouwwerk behoort. Nu het bouwplan in strijd met de Bouwverordening is, was het college, gelet op het bepaalde in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, gehouden de omgevingsvergunning voor het bouwplan te weigeren.

Het betoog van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen slaagt.

19.7. Voor zover [appellante sub 1] en Kraduma en anderen hebben betoogd dat voor het berekenen van de benodigde autoparkeerplaatsen voor het halen en brengen uitgegaan had dienen te worden van de norm dat 33% van de kinderen met de auto worden gebracht en gehaald, is de Afdeling van oordeel dat het college heeft kunnen rekenen met de normen van 30% onderscheidenlijk 10%. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de overwegingen behorend bij de omgevingsvergunning volgt dat het college voor het berekenen van de benodigde parkeerplaatsen voor het halen en brengen heeft getoetst aan de normen uit de CROW-publicatie 182. In deze publicatie staat dat 30% van de leerlingen in groep 1 tot en met 3 met de auto worden gebracht en 10% van de leerlingen in groep 4 tot en met 8.

Het betoog van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen faalt.

20. [appellante sub 1] en Kraduma en anderen wijzen er voorts op dat in aanvullend bodemonderzoek van Tauw wordt geadviseerd om vanwege de kans op ophoping van methaangas de vloer van het gebouw gasdicht te maken en de aanwezige (kruip)ruimte onder de vloer, al dan niet mechanisch, te ventileren. In de omgevingsvergunning is volgens hen slechts als voorschrift opgenomen dat één van beide maatregelen dient te worden getroffen, zodat het ophopen van methaangas niet volledig wordt voorkomen en gevaar blijft bestaan voor de gebruikers.

20.1. Ingevolge artikel 2.4.1, eerste lid, van de Bouwverordening Zaanstad mag op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:

a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;

b. voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist; en

1. dat de grond raakt, of;

2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.

20.2. Door Tauw is nader bodemonderzoek uitgevoerd waarvan de resultaten in het op 24 oktober 2014 opgestelde rapport "Aanvullend onderzoek school Overtuinen D te Zaandam" (hierna: het Tauw rapport) zijn neergelegd. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de samenstelling van het stortmateriaal ter plaatse van het toekomstige schoolgebouw en daarbij het vaststellen van de risico’s van aanwezige verontreinigingen voor het beoogde gebruik. Tevens is onderzoek gedaan naar het vrijkomen van stortgassen.

In het Tauw rapport staat dat in Nederland geen toets- of grenswaarden voor methaan beschikbaar zijn. Toetsing kan plaatsvinden aan de toetswaarden voor methaan zoals vermeld in "Guidance on monitoring landfill gas surface emissions, Environmental Agency". Voor het plangebied wordt als toetswaarde voor methaan uitgegaan van 1.000 ppm. Naar aanleiding van de uitgevoerde metingen wordt geconcludeerd dat geen sprake is van overschrijding van deze indicatieve toetswaarden. Echter, gezien de gemeten waarden die ter plaatse van meetpunten 103, 107, 108 en 109 zijn aangetoond, is de kans aanwezig dat ophoping van methaangas onder het te realiseren schoolgebouw kan ontstaan waardoor mogelijk de indicatieve toetswaarden overschreden worden. Naar aanleiding hiervan wordt geadviseerd om de vloer van het gebouw gasdicht te maken en de aanwezige (kruip)ruimte onder de vloer al dan niet mechanisch te ventileren.

20.3. In één van de voorschriften onder 1 behorende bij de omgevingsvergunning staat dat uiterlijk drie weken voor aanvang van de betreffende werkzaamheden in tweevoud ter goedkeuring bij de afdeling Vergunningen en Toezicht van de sector Omgevingsvergunningen onder meer gegevens moeten worden ingediend waaruit blijkt dat maatregelen zijn genomen om risico’s vanwege het ophopen en/of vrijkomen van stortgas onder de bebouwing tegen te gaan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hiermee voldoende is verzekerd dat niet zal worden gebouwd op gronden die zodanig verontreinigd zijn dat schade of gevaar voor de gezondheid van de gebruikers te verwachten is, zodat aan artikel 2.4.1, eerste lid, van de Bouwverordening Zaanstad is voldaan. Dat in het desbetreffende voorschrift verder staat dat risico’s kunnen worden tegengegaan door middel van het gasdicht maken van de vloer en/of de aanwezige (kruip)ruimte al dan niet mechanisch te ventileren, terwijl in het Tauw rapport beide maatregelen tezamen worden geadviseerd, doet aan het voorgaande niets af. De Afdeling overweegt daartoe dat het alleen dan is toegestaan om slechts één van de twee voorgestelde maatregelen te treffen, indien uit de ingediende gegevens blijkt dat ook met deze maatregel alleen de risico’s vanwege het ophopen en/of vrijkomen van stortgas onder de bebouwing kunnen worden tegengegaan.

Het betoog van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen faalt. Derhalve zal de Afdeling niet ingaan op de vraag of de relativiteit aan een vernietiging van het bestreden besluit in zoverre in de weg staat.

21. Ten slotte wijzen [appellante sub 1] en Kraduma en anderen erop dat in de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Inverdan" een bouwverbod is opgenomen.

21.1. Ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Inverdan" mogen, zolang en voor zover de vaststelling of goedkeuring van een in het vierde lid bedoelde uitwerking niet onherroepelijk is, geen bouwwerken worden gebouwd.

Ingevolge het zesde lid kan het college met toepassing van het gestelde in artikel 32 vrijstelling verlenen van het bepaalde in het vijfde lid, indien:

a. een ontwerp van het uitwerkingsplan ter inzage is gelegd;

b. het bouwplan in overeenstemming is met dat ontwerpuitwerkingsplan;

c. van het college van gedeputeerde staten vooraf een verklaring van geen bezwaar ter zake is ontvangen, tenzij het college van gedeputeerde staten ter gelegenheid van de goedkeuring van dit bestemmingsplan hebben verklaard dat de uitwerking geen goedkeuring behoeft en gedurende de termijn van de terinzagelegging van het ontwerpuitwerkingsplan geen zienswijzen omtrent de uitwerking naar voren zijn gebracht.

21.2. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan "Inverdan" een bouwverbod bevat. Dit betekent dat, behoudens indien ingevolge artikel 4, zesde lid, van de planvoorschriften van dat bestemmingsplan door het college omgevingsvergunning voor het afwijken van dit bouwverbod is verleend, geen omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend gedurende de tijd dat nog geen uitwerkingsplan onherroepelijk is. Nu vast staat dat het uitwerkingsplan "Overtuinen D" thans niet onherroepelijk is en het college geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bouwverbod heeft verleend, mocht het college, gelet op het bepaalde in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning voor het bouwplan niet verlenen zonder daarbij de benodigde ontheffing te verlenen.

Het betoog van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen slaagt.

Conclusie

22. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak de in 19.6 en 21.2 genoemde gebreken in de omgevingsvergunning te herstellen. Het college dient daartoe:

- met inachtneming van hetgeen in 19.6 is overwogen alsnog deugdelijk te motiveren waarom van een prognose van een leerlingenaantal van 600 kan worden uitgegaan, dan wel te motiveren dat met een leerlingenaantal van 750 wordt voldaan aan artikel 2.5.30 van de Bouwverordening Zaanstad, waarbij ook de mogelijkheid van het verlenen van een ontheffing als bedoeld in het zesde lid kan worden betrokken;

- met inachtneming van hetgeen in 21.2 is overwogen alsnog ingevolge artikel 4, zesde lid, van de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Inverdan" ontheffing te verlenen van artikel 4, vijfde lid, van deze planvoorschriften, dan wel de gevraagde omgevingsvergunning alsnog te weigeren. Ter voorlichting van partijen overweegt de Afdeling dat de beperkende voorwaarde van de verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten waaronder de ontheffing krachtens artikel 4, zesde lid, onder c, van de planvoorschriften kan worden verleend, ingevolge artikel 9.1.7, derde lid, van de Invoeringswet Wro per 1 juli 2009 is vervallen.

Bij de voorbereiding van het te nemen besluit tot wijziging hoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Het besluit tot wijziging van de omgevingsvergunning dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt en te worden medegedeeld.

De beroepen tegen het besluit hogere waarden

23. Het voorziene woon(zorg)gebouw ligt binnen de geluidszone van de spoorlijn Zaandam/Alkmaar/Purmerend en binnen de geluidszone van de Provincialeweg N203. Het college heeft voor dit gebouw hogere waarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het weg- en railverkeer.

24. [appellante sub 1] en Kraduma en anderen betogen dat bij de berekening van gecumuleerde geluidsbelasting ten onrechte een aftrek van 5 dB heeft plaatsgevonden. Verder is volgens hen onduidelijk of het besluit hogere waarden in overeenstemming is met de beleidsregel "Hogere waarde Zaanstad 2014".

24.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

24.2. Hoofdstuk VI van de Wgh bevat een regeling volgens welke bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die behoren tot een zone langs een weg, ter zake van de geluidbelasting vanwege de weg waarlangs die zone ligt, voor woningen gelegen binnen die zone de waarden in acht moeten worden genomen die als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. Als beschermingsniveau geldt in beginsel de waarde die voor de betrokken woningen is vastgelegd in de regeling. Indien deze waarde niet wordt gehaald, is het mogelijk om voor de betrokken woningen een ander beschermingsniveau te bepalen door middel van het bij besluit vaststellen van een hogere waarde voor die woningen.

Afdeling 4.2 van het Bgh bevat een soortgelijke regeling ter zake van de geluidbelasting vanwege een spoorweg.

24.3. De regelingen in hoofdstuk VI van de Wgh en afdeling 4.2 van het Bgh strekken ertoe dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidbelasting - na het zo mogelijk treffen van maatregelen - bij de te bouwen woningen vanwege de weg onderscheidenlijk spoorweg maximaal mag optreden. [appellante sub 1] en Kraduma en anderen zijn geen eigenaar van een van de woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld en niet is gebleken van concrete interesse in de koop en/of bewoning van een van de voorziene woningen. Onder de omstandigheden die zich hier voordoen strekt de regeling kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen. De Afdeling wijst in dit verband op de uitspraak van 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9570, en de uitspraak van 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2771. Gelet hierop kan hetgeen [appellante sub 1] en Kraduma en anderen aanvoeren niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de Afdeling af van een verdere inhoudelijke bespreking van hetgeen [appellante sub 1] en Kraduma en anderen hierover hebben aangevoerd.

Conclusie

25. De beroepen van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen, voor zover ontvankelijk, tegen het besluit hogere waarden zijn ongegrond.

De beroepen tegen het besluit op grond van de Wet bodembescherming

26. Het college heeft ten slotte vastgesteld dat ter plaatse van het kadastrale perceel gemeente Zaandam, sectie K, nr. 8868, sprake is van ernstige bodemverontreiniging als bedoeld in artikel 29 van de Wbb, waarvan spoedige sanering als bedoeld in artikel 37 van die wet niet noodzakelijk is.

27. [appellante sub 1] en Kraduma en anderen voeren aan dat door de aanwezigheid van stortgas sprake is van ernstige bodemverontreiniging als bedoeld in artikel 29 van de Wbb, waarvan spoedige sanering als bedoeld in artikel 37 van die wet wel noodzakelijk is. Zij wijzen er daarbij op dat in de omgevingsvergunning onvoldoende maatregelen zijn opgenomen om te verzekeren dat het in de bodem opgehoopte stortgas niet kan vrijkomen.

27.1. Bij besluit van 30 juni 2015 heeft het college vastgesteld dat zich in de grond ter plaatse van het plangebied van het uitwerkingsplan bodemverontreiniging met lood, zink en koper voordoet. Tevens is het grondwater verontreinigd met polycyclische aromatische koolwaterstoffen (hierna: PAK). Uit de door Tauw uitgevoerde risicobeoordeling volgt dat de aangetroffen verontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s voor de mens, plant of dier dan wel verspreiding opleveren, zodat de sanering niet als spoedeisend wordt beschouwd.

27.2. Ingevolge artikel 1 van de Wbb wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder geval van verontreiniging een geval van verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem dat betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen.

Ingevolge artikel 1 van de Wbb wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder geval van ernstige verontreiniging een geval van verontreiniging waarbij de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, kan het college van gedeputeerde staten in een beschikking vaststellen of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging:

a. naar aanleiding van een nader onderzoek, of;

b. naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, stelt het college van gedeputeerde staten in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, waarbij zij vaststelt dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, tevens vast of het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging leiden tot zodanige risico’s voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 88, eerste en vijfde lid, gelezen in verbinding met artikel 1, aanhef en onder x, van het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming wordt de gemeente Zaanstad voor de toepassing van onder meer de artikelen 29 en 37 van de Wbb gelijkgesteld met een provincie.

27.3. De beoordeling of spoedige sanering noodzakelijk is, heeft het college aan de hand van de Circulaire bodemsanering 2013 van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (hierna: Circulaire) verricht. In de Circulaire worden onder meer richtlijnen gegeven ten behoeve van de vaststelling van de noodzaak tot spoedige sanering.

Volgens de Circulaire is spoedige sanering noodzakelijk indien er bij het huidige of voorgenomen gebruik van de locatie onaanvaardbare risico's voor de mens zijn. Dat doet zich voor indien een situatie bestaat waarbij chronische of acute negatieve gezondheidseffecten kunnen optreden.

Voorts is volgens de Circulaire spoedige sanering noodzakelijk indien er bij het huidige of voorgenomen gebruik van de locatie onaanvaardbare risico's voor het ecosysteem zijn. Dat doet zich voor indien de biodiversiteit kan worden aangetast, kringloopfuncties kunnen worden verstoord of bio-accumulatie en doorvergiftiging kunnen plaatsvinden.

Ten slotte is volgens de Circulaire spoedige sanering noodzakelijk indien sprake is van onaanvaardbare risico's van verspreiding van verontreiniging. Dat doet zich voor wanneer het gebruik van de bodem door mens of ecosysteem wordt bedreigd door de verspreiding van verontreiniging in het grondwater waardoor kwetsbare objecten hinder ondervinden of wanneer er sprake is van een onbeheersbare situatie.

De Circulaire omschrijft in paragraaf 3.4 stappen om te bepalen of een geval van ernstige verontreiniging spoedig moet worden gesaneerd. Volgens paragraaf 3.4 heeft stap één als doel vast te stellen of er op de locatie sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Het doel van stap twee is om voor het geval van ernstige verontreiniging, of een deel daarvan, vast te stellen of er sprake is van onaanvaardbare risico’s. Volgens bijlage 2 bij de Circulaire betreft de tweede stap een generieke modelberekening met Sanscrit en kan deze modelberekening worden uitgevoerd op basis van de resultaten van het nader onderzoek.

27.4. In het Tauw rapport zijn de risico’s beoordeeld met behulp van het softwareprogramma Sanscrit. In het rapport is geconcludeerd dat op basis van de gemeten gehalten van verontreiniging geen onacceptabele risico’s voor de mens worden voorspeld. Indien de verontreiniging zich bevindt in de bovenste 0,5 m van de onbedekte bodem is er mogelijk sprake van ecologische risico’s. Aangezien de locatie grotendeels wordt verhard en bebouwd en gelegen is in een stedelijke omgeving, is er volgens het Tauw rapport geen sprake van ecologische risico’s. Het bodemvolume met verontreinigd grondwater met PAK is vermoedelijk kleiner dan 6.000 m³. De verontreiniging met barium is van natuurlijke oorsprong en betreft om deze reden geen geval van ernstige bodemverontreiniging. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de toekomstige school geen actuele humane, ecologische en verspreidingsrisico’s zijn. Hiermee is geen sprake van een saneringsnoodzaak.

In het Tauw rapport staat verder dat ter plaatse van vijf monsterpunten verhoogde gehalten aan methaan in de bodemlucht zijn aangetroffen. In Nederland zijn geen toets- of grenswaarden voor methaan beschikbaar. Toetsing kan plaatsvinden aan de toetswaarden voor methaan zoals vermeld in "Guidance on monitoring landfill gas surface emissions, Environmental Agency". Voor het plangebied wordt als toetswaarde voor methaan uitgegaan van 1.000 ppm. Naar aanleiding van de uitgevoerde metingen wordt geconcludeerd dat geen sprake is van overschrijding van deze indicatieve toetswaarden. Echter, gezien de gemeten waarden die ter plaatse van meetpunten 103, 107, 108 en 109 zijn aangetoond, is de kans aanwezig dat ophoping van methaangas onder het te realiseren schoolgebouw kan ontstaan waardoor mogelijk de indicatieve toetswaarden overschreden wordt. Naar aanleiding hiervan wordt geadviseerd om de vloer van het gebouw gasdicht te maken en de aanwezige (kruip)ruimte onder de vloer al dan niet mechanisch te ventileren.

27.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, hoewel verhoogde gehalten aan methaan in de bodemlucht zijn aangetroffen, spoedige sanering niet noodzakelijk is, omdat zich geen onaanvaardbare risico’s voor de mens en het ecosysteem voordoen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit het Tauw rapport volgt dat op dit moment geen sprake is van overschrijding van de indicatieve toetswaarde. Nu in één van de voorschriften behorende bij de op 30 juni 2015 verleende omgevingsvergunning staat dat uiterlijk drie weken voor aanvang van de betreffende werkzaamheden in tweevoud ter goedkeuring bij de afdeling Vergunningen en Toezicht van de sector Omgevingsvergunningen onder meer gegevens moeten worden ingediend waaruit blijkt dat maatregelen zijn genomen om risico’s vanwege het ophopen en/of vrijkomen van stortgas onder de bebouwing tegen te gaan, is naar het oordeel van de Afdeling voldoende verzekerd dat zich in de toekomst niet een te hoge concentratie aan methaangas onder het schoolgebouw kan ophopen.

Het betoog van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen faalt. Derhalve zal de Afdeling niet ingaan op de vraag of de relativiteit aan een vernietiging van het bestreden besluit in zoverre in de weg staat.

Conclusie

28. De beroepen van [appellante sub 1] en Kraduma en anderen, voor zover ontvankelijk, tegen het besluit op grond van de Wbb zijn ongegrond.

Proceskosten

29. In de einduitspraak zal beslist worden over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kraduma B.V. en anderen, voor zover ingediend door [appellante sub 2A], niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen:

a. het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad van 30 juni 2015 waarbij hogere waarden zijn vastgesteld voor het voorziene woon(zorg)gebouw;

b. het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad van 30 juni 2015 waarbij is vastgesteld dat ter plaatse van het kadastrale perceel gemeente Zaandam, sectie K, nr. 8868, sprake is van ernstige bodemverontreiniging als bedoeld in artikel 29 van de Wbb, waarvan spoedige sanering als bedoeld in artikel 37 van die wet niet noodzakelijk is;

II. verklaart ongegrond:

a. de beroepen van [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kraduma B.V. en anderen, voor zover ontvankelijk, tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad van 30 juni 2015 waarbij hogere waarden zijn vastgesteld voor het voorziene woon(zorg)gebouw;

b. de beroepen van [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kraduma B.V. en anderen, voor zover ontvankelijk, tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad van 30 juni 2015 waarbij is vastgesteld dat ter plaatse van het kadastrale perceel gemeente Zaandam, sectie K, nr. 8868, sprake is van ernstige bodemverontreiniging als bedoeld in artikel 29 van de Wbb, waarvan spoedige sanering als bedoeld in artikel 37 van die wet niet noodzakelijk is;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad op om binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak:

- met inachtneming van overwegingen 15 en 22 de daar omschreven gebreken te herstellen en;

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en de nieuwe besluiten op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

IV. treft de voorlopige voorziening dat het plandeel met de bestemming "Wonen" wordt geschorst tot het moment waarop de Afdeling einduitspraak doet.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J.W. van de Gronden en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, griffier.

w.g. Hoekstra w.g. Driessen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2016

634.