Home

Parket bij de Hoge Raad, 04-10-2022, ECLI:NL:PHR:2022:884, 21/01683

Parket bij de Hoge Raad, 04-10-2022, ECLI:NL:PHR:2022:884, 21/01683

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
4 oktober 2022
Datum publicatie
6 oktober 2022
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:884
Zaaknummer
21/01683

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Mishandeling begaan tegen echtgenoot, meermalen gepleegd. Middel verdachte behelst de klacht dat steunbewijs ontbreekt voor de beweringen van de aangeefster. Middel benadeelde partij richt zich tegen gedeeltelijke afwijzing van vordering tot vergoeding van immateriële schade. De AG adviseert de HR het beroep met toepassing van art. 81 lid 1 RO te verwerpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01683

Zitting 4 oktober 2022

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. De verdachte is bij arrest van 12 april 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 95 uren. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, een en ander zoals omschreven in het bestreden arrest.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.Y. Taekema, advocaat te 'sGravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij [slachtoffer] heeft E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur eveneens een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Ik zal eerst het middel van de verdachte bespreken en vervolgens het middel van de benadeelde partij.

Het middel van de verdachte

4. Het middel richt zich tegen ’s hofs bewezenverklaring dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen plegen van mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.

4.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 16 november 2016 tot en met 26 mei 2017 te [plaats] zijn echtgenote, [slachtoffer], heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, - (met kracht) bij de arm vast te pakken en - bij de keel vast te pakken en/of de keel van die [slachtoffer] dicht te drukken en/of te knijpen en - in het gezicht te slaan en - van de trap te sleuren en - met een (bezem)steel tegen het bovenbeen te slaan.”

4.2.

Deze bewezenverklaring heeft het hof doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 24 april 2018, dossierpagina’s 5-14, betreffende de verklaring van [slachtoffer], voor zover inhoudende:

(dossierpagina 7)

Op 31 augustus 2016 ging ik trouwen met [verdachte]. Op 12 oktober 2016 gingen wij trouwen voor de Marokkaanse wet. Op 4 november 2016 hebben wij in Amsterdam een groot huwelijksfeest gehad.

Op 16 november 2016 omstreeks 21.00 uur was ik thuis in [plaats]. Ik had gekookt en [verdachte] kwam terug van het werk. We hadden samen gegeten. Uit het niets begon [verdachte] tegen mij te schelden. Hij riep: “Jij bent niet opgevoed! Je geeft mij geen aandacht. Je bent een hoer. Je moet opnieuw opgevoed worden.”

Ik zei tegen [verdachte] dat ik niet zo aangesproken wenste te worden en dat ik naar bed ging. Ik ben opgestaan en naar boven gelopen naar de slaapkamer. Ik hoorde [verdachte] schreeuwen: “Kom naar beneden! Ik tel tot 3.”

(dossierpagina 8)

Ik reageerde daar niet op. Ik hoorde [verdachte] naar boven rennen de trap op, de slaapkamer in. Ik hoorde hem schreeuwen: “Wie denk je wel niet wie je bent? Dat je niet naar mij luistert. Dat je mij zo durft te behandelen!”

Ik wilde weglopen richting een andere slaapkamer. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij met kracht bij mijn keel vastgreep. Ik voelde dat [verdachte] met kracht in mijn keel begon te knijpen. Dit deed pijn en ik kreeg bijna geen lucht meer. Ik voelde en zag dat [verdachte] mijn keel losliet. Ik liep weg richting de slaapkamerdeur. Ik zag en voelde dat [verdachte] met kracht met zijn hand een klap gaf in mijn gezicht. Ik voelde pijn ontstaan op de plek waar hij mij sloeg. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij bij mijn arm vastpakte. Ik zag en voelde dat hij mij richting de trap sleurde en mij aan mijn arm de trap afsleurde. Beneden aangekomen zag ik dat [verdachte] de voordeur opendeed. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij door de voordeur naar buiten gooide en dat hij de voordeur dicht deed.

Ik had mijn vader gebeld om te vertellen wat er gebeurd was. Mijn vader gaf aan dat hij onderweg was naar mij toe. Mijn vader moest uit [plaats] komen.

Mijn vader heeft meerdere keren aangeklopt en aangegeven dat hij bij de voordeur stond. Ik zag dat [verdachte] de voordeur open deed. [verdachte] heeft toen mijn vader, mijn zusje en mij binnengelaten. Mijn vader vroeg aan mij wat er was gebeurd. Ik had hem verteld wat ik had meegemaakt. Ik hoorde mijn vader [verdachte] vragen wat er gebeurd was. Ik hoorde [verdachte] vertellen: “Klopt. Ik heb haar geslagen en naar buiten gegooid. Ik weet ook niet waarom dat gebeurd is. Sorry.”

Ik, mijn vader en [verdachte] hebben ruim een uur met elkaar gepraat. Tijdens dit gesprek verontschuldigde [verdachte] zich herhaaldelijk voor wat er gebeurd was. Mijn vader gaf aan dat dit niet normaal was hoe je met elkaar omgaat. Het is pas twee weken dat jullie samen getrouwd zijn.

(dossierpagina 11) Op 26 mei 2017 omstreeks 14.30 uur was ik thuis. Ik zag en hoorde dat [verdachte] thuiskwam. [verdachte] ging in de tuin liggen om te zonnen en wilde dat ik naast hem in de tuin ging liggen. Ik zei dat ik dit niet wilde omdat ik al in de zon had gelegen.

(dossierpagina 12) [verdachte] wilde dat ik mij ging uitkleden tot mijn ondergoed en hem liet zien dat er kleurverschil was. Ik zei tegen hem dat ik dit niet ging doen. Ik wilde niet meer bij hem in de buurt zijn. Ik probeerde [verdachte] al de laatste tijd zoveel mogelijk te ontwijken. Ik liep naar binnen en liep de trap op. Toen ik boven was hoorde ik dat [verdachte] achter mij aan liep. Ik zag boven aan de trap een bezem staan. Ik zag dat [verdachte] de bezem vastpakte. Ik voelde vervolgens een harde klap op mijn bovenbeen. Ik voelde een stekende scherpe pijn op de plek waar de klap terechtkwam. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij bij mijn bovenarm vastpakte. Ik voelde dat hij dit met zo’n kracht deed dat het pijn begon te doen. Ik zag dat [verdachte] mij wilde slaan. Ik zag dat hij zijn hand ophief. Ik heb uit een reflex een klap in de richting van [verdachte] gegeven. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij met kracht bij mijn keel greep. Ik voelde dat [verdachte], terwijl hij mijn keel vastpakte, mij met kracht achteruit duwde de slaapkamer in. Ik zag en voelde dat ik achterover viel op het bed. Ik zag dat [verdachte] over mij heen hing en dat hij nu zijn andere hand ook om mijn nek deed. Ik voelde dat hij met opbouwende druk mijn keel begon dicht te knijpen. Ik voelde dat ik geen adem meer kon halen.

(dossierpagina 13) Op 30 mei 2017 ben ik naar mijn huisarts gegaan vanwege het letsel wat ik nog steeds had. Alles deed pijn en ik voelde mij nog steeds niet lekker. Ik had aan mijn huisarts verteld dat ik problemen had met [verdachte] en mijn schoonmoeder. Ik had mijn huisarts niet verteld dat het letsel dat ik had door de mishandeling van [verdachte] kwam.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 juni 2018, dossierpagina’s 38-39, betreffende de verklaring van [betrokkene 1], voor zover inhoudende:

(dossierpagina 38) Volgens de aangifte van uw dochter bent u op 16 november 2016 getuige geweest van een incident tussen uw dochter [slachtoffer] en haar echtgenoot [verdachte]. De getuige verklaarde:

Ik herinner me dit nog goed. Het was een paar weken na het huwelijk van mijn dochter [slachtoffer] met [verdachte].

Het was ’s avonds laat. Mijn vrouw werd gebeld door mijn dochter [slachtoffer]. Er waren problemen met [verdachte]. Ik begreep dat [slachtoffer] buiten op straat stond. Ik ben meteen naar [plaats] gereden. Ik kwam aan bij haar huis en zag [slachtoffer] buiten op straat. Ze huilde en ze had pijn. Ze had vooral pijn aan haar handen. Ik heb haar gevraagd wat er gebeurd was. Zij vertelde dat ze niets had gedaan. Dat ze had gekookt en daarna tv was gaan kijken en [verdachte] ineens boos op haar was geworden.

Ik ben naar de deur gegaan. [verdachte] heeft de deur voor mij opengemaakt. Ik vroeg hem wat er aan de hand was. Ik wilde zijn kant van het verhaal horen. Hij vertelde mij dat hij het ook niet wist. Dit heeft hij de hele tijd tegen mij gezegd "Ik weet het niet". Hij zei ook sorry. Ik zei: "Jullie zijn pas een paar weken getrouwd, waarom heb jij haar naar buiten gestuurd?" Hij zei dat hij het niet wist. Uiteindelijk zei hij tegen mij "Ze kijkt niet naar mij".

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juli 2018, proces-verbaalnummer 2018122510-7, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant], voor zover inhoudende:

Op donderdag 12 juli 2017 (het hof begrijpt: 12 juli 2018) heb ik telefonisch contact opgenomen met de vader van aangeefster, [betrokkene 1].

Hij vertelde daarna dat hij op 16 november 2016 heeft aangebeld en aangeklopt om de echtgenoot van zijn dochter te spreken. Deze heeft de deur geopend. Hierop heeft [betrokkene 1] gevraagd wat hij had gedaan omdat zijn dochter hem verteld had dat zij was geslagen. Hierop zou de echtgenoot van zijn dochter hebben gezegd “Sorry, ik weet ook niet waarom ik dat heb gedaan”. Desgevraagd bevestigde [betrokkene 1] mij dat zijn ex-schoonzoon dus sorry heeft gezegd tegen hem omdat hij zijn dochter had geslagen.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 27 september 2018, proces-verbaalnummer 2018122510-11, betreffende de verklaring van [betrokkene 2], voor zover inhoudende:

Ik ben de moeder van [slachtoffer]. In de tijd dat [slachtoffer] getrouwd was en ze kwam bij ons in [plaats] op bezoek heb ik op drie of vier gelegenheden blauwe plekjes op haar wang en in haar hals gezien.

Heel kort na hun huwelijk heeft [slachtoffer] mij gebeld en gevraagd of haar vader haar wilde komen halen. Ik vroeg haar toen “Heeft hij jou geslagen [slachtoffer]?”. Ik hoorde haar toen heel kortaf antwoorden “Ja”. Mijn man is toen naar haar gegaan.

5. Een geschrift, te weten een brief van huisarts [betrokkene 3], inhoudende medische informatie van aangeefster, d.d. 28 september 2017, dossierpagina 18, voor zover inhoudende:

[slachtoffer] Geboortedatum: [geboortedatum] 1996

Relevante regels uit het journaal: 30-05-17 S spierpijn hele lichaam Vorige week S onderuit toen geen ramadan. Veel problemen met S schoonmoeder. Geeft ook problemen in relatie met man O nek wat pijnlijk”

De bewijsoverwegingen van het hof houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat de aangifte van [slachtoffer] onvoldoende steun vindt in overige bewijsmiddelen.

Het hof overweegt als volgt. Aangeefster heeft op 24 april 2018 tegenover de politie een uitgebreide verklaring afgelegd over verschillende (gewelds)incidenten die tijdens het huwelijk met verdachte zouden hebben plaatsgevonden.

In de eerste plaats heeft aangeefster een verklaring afgelegd omtrent een geweldsincident op 16 november 2016. Zij verklaarde dat verdachte op die dag, ongeveer een maand nadat zij voor de Marokkaanse wet waren getrouwd, haar bij de keel heeft vastgegrepen, in haar keel heeft geknepen en haar in het gezicht heeft geslagen. Volgens aangeefster heeft verdachte haar vervolgens bij de arm vastgepakt, haar aan haar arm van de trap gesleurd en uiteindelijk naar buiten gewerkt. Hierna heeft zij haar vader gebeld, die naar haar toe is gereden en bij de woning van verdachte heeft aangebeld. Verdachte zou de deur hebben geopend en de mishandeling tegen haar vader hebben erkend en zich daar ook tegen hem voor hebben verontschuldigd.

Het hof is van oordeel dat deze verklaring van aangeefster in de kern en op essentiële punten wordt ondersteund door de verklaringen van haar vader [betrokkene 1] en haar moeder [betrokkene 2]. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij een aantal weken na het huwelijk tussen verdachte en aangeefster na een telefoontje van zijn dochter naar de woning is gereden en dat hij haar buiten op de grond aantrof. Hij heeft vervolgens aangebeld en verdachte heeft de deur geopend. Volgens [betrokkene 1] heeft hij vervolgens met verdachte gesproken over wat er was gebeurd en heeft verdachte desgevraagd bevestigd dat hij [slachtoffer] had geslagen. Hij zei daarbij: “Sorry ik weet ook niet waarom ik dat heb gedaan”. [betrokkene 2] heeft verklaard dat zij kort na het huwelijk door [slachtoffer] is gebeld met de vraag of haar vader haar wilde komen ophalen. [betrokkene 2] vroeg aan [slachtoffer] of verdachte haar had geslagen en zij antwoordde met “Ja”. Haar echtgenoot, [betrokkene 1], is vervolgens naar [slachtoffer] toe gegaan.

Voorts heeft aangeefster verklaard met betrekking tot een geweldsincident van 26 mei 2017, waarbij verdachte haar onder meer met een bezemsteel tegen haar bovenbeen had geslagen, bij haar keel en nek had vastgegrepen en haar keel dicht had dichtgeknepen. Aangeefster heeft verklaard dat zij op 30 mei 2017 naar de huisarts is gegaan omdat alles nog pijn deed. Aangeefster koppelde het bezoek dus aan haar huisarts aan de mishandeling van 26 mei 2017, maar gaf aan dat zij niet tegen de huisarts heeft gezegd dat zij door verdachte was mishandeld. In het dossier bevindt zich medische informatie van de huisarts betreffende aangeefster. Deze medische informatie ondersteunt de verklaring die aangeefster omtrent de mishandeling op 26 mei 2017 heeft afgelegd. Uit de medische informatie blijkt dat bij onderzoek is geconstateerd dat de nek van aangeefster wat pijnlijk was. Voorts blijkt hieruit dat aangeefster inderdaad niet tegen de huisarts heeft gezegd dat zij door verdachte was mishandeld, maar wel dat zij sprak wel over relatieproblemen met haar echtgenoot.

Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen reden om aan de betrouwbaarheid te twijfelen van de hiervoor weergegeven verklaringen van aangeefster met betrekking tot de geweldsincidenten van 16 november 2016 en 26 mei 2017, te meer nu deze steun vinden in andere bewijsmiddelen. Het hof merkt nog op dat de enkele omstandigheid dat zij pas op 24 april 2018 aangifte heeft gedaan, niet maakt dat het hof haar verklaringen onbetrouwbaar acht. Ook hetgeen overigens door de raadsman is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster gedurende de onder 1 tenlastegelegde periode meermalen - te weten tenminste tweemaal - heeft mishandeld.”

4.3.

De steller van het middel klaagt dat het steunbewijs voor de beweringen van de aangeefster tekortschiet en/of de bewijsmiddelen onvoldoende redengevend zijn en/of innerlijk tegenstrijdig, althans onvoldoende onbetrouwbaar om voor het bewijs te worden gebruikt.

4.4.

Ten aanzien van het tweede bewijsmiddel voert de steller van het middel aan dat de verdachte weliswaar sorry zou hebben gezegd, maar niet dat hij erkend zou hebben dat hij aangeefster heeft mishandeld, zodat dit bewijsmiddel niet redengevend is voor de bewezenverklaarde mishandeling. In dat licht bezien zou ook het derde bewijsmiddel niet redengevend zijn. Ook het vierde bewijsmiddel zou niet redengevend zijn nu dit uit dezelfde bron, namelijk die van de aangeefster, zou komen. Tot slot zou niet redengevend zijn voor het bewijs van de mishandeling dat de aangeefster bij de dokter heeft beschreven onderuit te zijn gegaan en zij spierpijn had over haar hele lichaam (bewijsmiddel 5).

4.5.

Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het voorbehouden is aan de feitenrechter om voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. De motiveringsplicht van de tweede volzin van art. 359 lid 2 Sv doet niet af aan het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de feitenrechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren.1 Deze selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter heeft tot gevolg dat de door het gebezigde bewijsvoering in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst.

4.6.

Het hof heeft in zijn nadere bewijsoverwegingen mijns inziens op begrijpelijk gronden uit de gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, afgeleid en kunnen afleiden dat de verdachte aangeefster meermalen, te weten ten minste tweemaal, heeft mishandeld. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar acht en deze verklaringen worden ondersteund door de verklaringen van haar vader [betrokkene 1], haar moeder [betrokkene 2] en de medische informatie van de huisarts betreffende de aangeefster.

4.7.

Voor zover de steller van het middel klaagt dat niet is voldaan aan de bewijsminimumregel van art. 342 lid 2 Sv faalt het eveneens. De verklaring van de aangeefster wordt immers – zo volgt ook uit de overwegingen van het hof – in voldoende mate ondersteund door de verklaringen van haar vader [betrokkene 1], haar moeder [betrokkene 2] en de medische informatie van de huisarts. Aldus doet zich niet voor het geval dat de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.2

4.8.

Het middel faalt.

Het middel van de benadeelde partij

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN