Home

Parket bij de Hoge Raad, 04-04-2014, ECLI:NL:PHR:2014:301, 14/00370

Parket bij de Hoge Raad, 04-04-2014, ECLI:NL:PHR:2014:301, 14/00370

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
4 april 2014
Datum publicatie
6 juni 2014
ECLI
ECLI:NL:PHR:2014:301
Zaaknummer
14/00370

Inhoudsindicatie

Prejudiciële vraag; art. 392 Rv. Loonaanspraak bij ziekte. Verval loonaanspraak bij weigering passende arbeid; art. 7:629 lid 3, aanhef en onder c, BW. Komt loonaanspraak ook te vervallen over het deel van de werktijd waarvoor de werknemer arbeidsongeschikt is? Betekenis “voor de tijd, gedurende welke” in art. 7:629 lid 3 BW. Strekking.

Conclusie

14/00370

mr. J. Spier

Zitting 4 april 2014

(prejudiciële vraag)

Conclusie inzake

[eiser]

(hierna: [eiser])

tegen

CSU Personeel B.V.

(hierna: CSU)

1 Inleiding

1. Bij vonnis van 18 december 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:7614,1 heeft de Kantonrechter (locatie Utrecht) in de Rechtbank Midden-Nederland een prejudiciële vraag gesteld aan de Hoge Raad. De vraag betreft de uitleg van art. 7:629 BW en in het bijzonder van de in lid 3 onder c en d van dit artikel vastgelegde uitzonderingen op de in lid 1 geformuleerde loondoorbetalingsverplichting bij ziekte.

2 Feiten en procesverloop

2.1

De beantwoording van de prejudiciële vraag dient plaats te vinden tegen de achtergrond van de navolgende feiten, goeddeels ontleend aan rov. 2.1 e.v. van het onder 1 genoemde vonnis.

2.2

[eiser] is sinds 1 november 2006 in dienst bij CSU, laatstelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor (gemiddeld) 42 uur per week, als werknemer algemeen schoonmaakonderhoud.

2.3

Op 9 juli 2009 heeft [eiser] zich arbeidsongeschikt gemeld. Op 10 juli 2009 concludeerde de bedrijfsarts dat er op dat moment arbeidsmogelijkheden waren voor eigen en aangepast werk en dat [eiser] per 13 juli 2009 zijn werkzaamheden zou kunnen hervatten (de werkzaamheden die [eiser] zou kunnen hervatten, worden hierna ook aangeduid als “re-integratieve uren”, of “passende arbeid”).

2.4

De bedrijfsarts heeft op 9 december 2009 de arbeidsmogelijkheden in het eigen en aangepast werk teruggekoppeld en geadviseerd dat [eiser] op basis van de huidige beperkingen per 14 december 2009 kan worden ingezet voor halve dagen in aangepaste taken. Ten aanzien van de verdere re-integratie kon volgens de bedrijfsarts het navolgende “opbouwschema” worden gehanteerd: per 4 januari 2010 uitbreiden naar 6 uur per dag, waarbij ook weer zaken als stofzuigen en dweilen kunnen worden opgepakt, waarna op 28 januari 2010 weer volledige werkhervatting kan plaatsvinden.

2.5

De loondoorbetaling is met ingang van 15 december 2009 tot het einde van het dienstverband op 23 augustus 2010 gestaakt. Uit de weergave van de partijstandpunten in rov. 5.3.1 maak ik op dat niet in geschil is dat deze maatregel is genomen omdat [eiser], kort gezegd, passende arbeid niet verrichtte of weigerde aan redelijke voorschriften mee te werken die gericht zijn op de verrichting van passende arbeid.

2.6

De verzekeringsarts van UWV Utrecht heeft in zijn verzekeringsgeneeskundige rapportage van 11 mei 2011 geconcludeerd dat sprake was van een belastbaarheid in de periode van 15 december 2009 tot 7 juli 2010, maar dat vanaf 7 juni 2010 tot 23 augustus 2010 sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid.2

2.7.1

Voor zover thans van belang heeft [eiser] in deze procedure gevorderd dat de Kantonrechter CSU zal veroordelen tot betaling van € 1.275,75 bruto, ter zake van salaris inclusief vakantiebijslag over de periode 15 december 2009 tot 7 juli 2010 (in het vonnis aangeduid als de vordering onder b) en € 118,25 bruto ter zake van niet genoten verlofdagen in de periode 15 december 2009 tot 7 juli 2010 (in het vonnis de vordering onder e genoemd).3

2.7.2

Deze vorderingen hebben, blijkens de eerste volzin van rov. 5.3.1, “eigenlijk” alleen betrekking op de periode van 15 december 2009 tot 28 januari 2010, voor welke periode een re-integratie in drie stappen is afgesproken.4

2.8.1

Ter onderbouwing van zijn vordering(en) heeft [eiser] zich beroepen op de uitspraak van het Hof Amsterdam van 7 april 2005, JAR 2005/111, waarin werd geoordeeld dat een werknemer die niet volledig de aangepaste arbeid verricht, recht heeft op doorbetaling van het loon voor het deel dat hij arbeidsongeschikt is. [eiser] stelt daarom nog recht te hebben op een achterstallig salaris voor 112,5 uur en de “vakantiebijslag” daarover.

2.8.2

CSU bepleit dat het volledige salaris (over de gehele betrokken loonbetalingsperiode waarin [eiser] passende arbeid niet heeft verricht of heeft geweigerd aan redelijke voorschriften mee te werken die gericht zijn op de verrichting van passende arbeid) mag worden stopgezet.5

2.9.1

Volgens de Kantonrechter spitst het geschil zich toe op de vraag hoe de in art. 7:629 lid 3 aanhef en onder c en d BW geformuleerde uitzonderingen op de in lid 1 opgenomen loondoorbetalingsverplichting moeten worden gelezen.6

2.9.2

Voor een goed begrip van de zojuist genoemde vraag, citeer ik de relevante passages van genoemde bepaling:

“1. Voor zover het loon niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag, behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar de eerste 52 weken ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was

(…)

3. De werknemer heeft het in lid 1 bedoelde recht niet:

(…)

c. voor de tijd, gedurende welke hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 voor de werkgever of voor een door de werkgever aangewezen derde, waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt, niet verricht;

d. voor de tijd, gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 te verrichten;

(…)”

2.10

De Kantonrechter wijst erop dat art. 7:629 lid 3 aanhef en onder c en d BW door een aantal rechterlijke colleges verschillend wordt geïnterpreteerd. In een aantal uitspraken wordt geoordeeld dat de weigering passende arbeid te verrichten of de weigering mee te werken aan redelijke voorschriften die daarop zijn gericht, volledig verval van de aanspraak op loondoorbetaling tot gevolg heeft, ook ten aanzien van de niet re-integratieve uren.7 In andere uitspraken wordt geoordeeld dat deze weigering slechts verlies van dit recht tot gevolg heeft ten aanzien van dat deel van de bedongen of aangepaste arbeid die de werknemer, hoewel daartoe in staat, zonder deugdelijke grond niet heeft verricht.8

2.11

De Kantonrechter vraagt de Hoge Raad “de hierboven onder r.o. 5.3.1 tot en met r.o. 5.3.6 geduide rechtsvraag te beantwoorden” (rov. 5.3.6). In rov. 5.3.7 wordt een voorzet gegeven met betrekking tot de gezichtspunten of aspecten die bij de beantwoording daarvan een rol zouden kunnen spelen. Overwogen wordt:

“Het komt de kantonrechter voor dat mede van belang kan zijn voor de door de Hoge Raad te nemen beslissing (en voor de door het parket te nemen conclusie) dat de opbouw van lid 3 van artikel 7:629 BW zodanig is dat er twee “regimes” zijn, te weten a (met “indien”) en b tot en met f (met “voor de tijd gedurende welke”), zodat, wanneer het bepaalde onder bijv. c en d een echte voorwaarde zou zijn geweest, ook bij de letters b tot en met f in de wetsredactie gewerkt zou kunnen zijn met gebruikmaking van het woordje “indien”. Lid 1 onder a zou met andere woorden ook “indien de werknemer door zijn toedoen zijn genezing belemmert” et cetera hebben kunnen luiden, maar daar is kennelijk door de wetgever niet voor gekozen.

Daar komt bij dat “voor de tijd gedurende welke” in zoverre dubbel op is dat met zowel “tijd” als “gedurende” kennelijk expliciet gezegd is dat het gaat om een duur (en niet om een periode).

Verder is het de vraag of alle vijf geschetste situaties (waarin de wetsbepaling de woorden “voor de tijd gedurende welke” gebruikt) over één kam mogen worden geschoren, zoals hof Arnhem-Leeuwarden doet. Denkbaar is een onderscheid tussen b, e en f enerzijds en c en d anderzijds en zelfs tussen c en d.

Het komt de kantonrechter ook voor dat door de Hoge Raad beoordeeld zou moeten worden of art. 7:629 lid 3 BW een verbijzondering (in de vorm van de 6 onder a tot en met f aldaar uitgewerkte gevallen) is van art. 7:627 en 628 BW, zodat de (on)waarde (in het tot nu toe gevoerde debat over de materie) beoordeeld kan worden van het argument dat de wetgever, indien de stopzetting van het loon uitsluitend op het deel zou zien dat de werknemer weigert arbeid te verrichten, zou hebben kunnen volstaan met een verwijzing naar art. 7:627 BW.”

2.12

Na daartoe verleend uitstel heeft mr. Vermeulen op 19 maart 2014 schriftelijke opmerkingen gemaakt. De advocaat van CSU heeft daarvan afgezien.

3 Bespreking van de gestelde vraag

3.1

Art. 392 lid 1 aanhef Rv. behelst een duidelijke en m.i. ook voor de hand liggende beperking van de mogelijkheid tot het stellen van vragen die in het daar genoemde kader aan de Hoge Raad kunnen worden voorgelegd. Beantwoording moet nodig zijn voor de beslissing van het geschil in kwestie.

3.2

Voor zover de niet geheel duidelijk omlijnde vraag van de Kantonrechter kwesties aan de orde stelt die niet nodig zijn voor de beantwoording van de niet reeds door de Kantonrechter afgedane vorderingen van [eiser] ga ik er dus niet op in. Concreet: ik beperk me hierna tot de doorbetalingsverplichting in een situatie als de onderhavige.

3.3

Zoals reeds aangegeven in mijn conclusie van 17 januari 2014 onder 3 blijkt uit het vonnis a quo niet heel duidelijk of en zo ja in hoeverre [eiser] zonder deugdelijke grond passende arbeid niet heeft verricht. In het licht van rov. 5.3.1 houd ik het ervoor dat dit het geval is. Nu Uw Raad heeft besloten om de vraag in behandeling te nemen, wordt deze lezing klaarblijkelijk ook door Uw Raad onderschreven.

4 Inleiding

5 Beantwoording van de prejudiciële vraag