Home

Hoge Raad, 05-09-2006, AU6712, 01233/05 B

Hoge Raad, 05-09-2006, AU6712, 01233/05 B

Inhoudsindicatie

Beklag ex art. 552a Sv. X laat bij zijn overlijden € 874.874,99 na aan zijn minderjarige kinderen Y en Z, welk vermogen volgens het OM een criminele herkomst heeft. Het OM heeft ten laste van de wettelijke vertegenwoordigsters van Y en Z onder de notaris strafvorderlijk beslag doen leggen, stellende dat zij zich door aanvaarding van de erfenis schuldig hebben gemaakt aan witwassen ex art. 420bis Sr. De rb heeft het beklag van Z strekkende tot opheffing van het beslag ongegrond verklaard. 1. Art. 420bis Sr is ook van toepassing in geval van verkrijging van zaken en/of vermogensrechten door erfopvolging. 2. Dat X is overleden staat niet in de weg aan onderzoek naar de verwerving van zijn vermogen. Art. 69 Sr noch art. 6 EVRM verzet zich tegen zo’n onderzoek. 3. Na enige meer algemene overwegingen omtrent witwassen ex art. 420bis Sr en aanvaarding van een nalatenschap acht de HR dat het oordeel van de rb dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de wettelijke vertegenwoordigster door de later oordelende strafrechter zal worden veroordeeld wegens witwassen, niet blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting. 4. Geld als wettig betaalmiddel is niet vatbaar voor onttrekking aan het verkeer (HR LJN AR7626). 5. Het is niet uitgesloten dat in gevallen als i.c. het wettelijk stelsel onvoldoende tegemoet komt aan de behoefte tot "confiscatie van crimineel vermogen". Het is niet aan de rechter daarin te voorzien. 6. Het gaat hier om een beslag ex art. 94 Sv gelegd onder een notaris ten laste van de wettelijke vertegenwoordigster op een vordering die Z op de notaris heeft tot betaling van het geldbedrag dat hem uit hoofde van zijn erfdeel toekomt, met het oog op de mogelijke verbeurdverklaring in een tegen de wettelijke vertegenwoordigster in te stellen strafprocedure, alsmede om een beslag ex art. 94a Sv. In het geval dat een derde/niet-beslagene – hier de minderjarige klager Z – zich daartegen keert, stellende dat het zijn vordering is, dient de rechter die over het beslag oordelt, na te gaan of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel staat dat die derde als rechthebbende van het inbeslaggenomene moet worden aangemerkt. Indien dat het geval is, dient het vorderingsrecht van klager te worden gerespecteerd. Dat is slechts anders als zich het geval voordoet a.b.i. art. 33a.2.a Sr of een van de gevallen genoemd in art. 94a.3 en 4 Sv. De rb heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel staat dat Z de eerdergenoemde vordering heeft op de notaris. Zonder nadere, doch ontbrekende motivering valt echter niet in te zien dat en waarom t.a.v. Z, die t.t.v. van de beneficiaire aanvaarding van zijn erfdeel 14 jaar was, sprake was van de wetenschap of het vermoeden ex art. 33a.2.a Sr onderscheidenlijk art. 94a.3 Sv. Gelet hierop is het oordeel van de rb dat de vordering vatbaar is voor inbeslagneming met het oog op verbeurdverklaring dan wel voordeelsontneming in een strafrechtelijke procedure tegen zijn wettelijke vertegenwoordigster niet naar behoren met redenen omkleed. HR verwijst zaak naar hof.

Uitspraak

5 september 2006

Strafkamer

nr. 01233/05 B

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Maastricht van 14 april 2005, nummer RK 04/339, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[klaagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, wonende te [woonplaats], handelend in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster (hierna te noemen: de wettelijke vertegenwoordigster) van:

[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988 (hierna te noemen: de klager).

1. De bestreden beschikking

De Rechtbank heeft het klaagschrift strekkende tot opheffing van het gelegde beslag en tot teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag ongegrond verklaard.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de ontvankelijkverklaring van de klager in zijn klaagschrift, is ingesteld door de wettelijke vertegenwoordigster van de klager. Namens deze heeft mr. H.E.P. van Geelkerken, advocaat te Heerlen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag en subsidiair tot vernietiging van de bestreden beschikking en verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. De vaststaande feiten

Blijkens de stukken van het geding gaat het in deze zaak om het volgende.

Op 26 september 2002 is [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1952, overleden. Bij testament heeft [betrokkene 1] zijn minderjarig kind [betrokkene 3] als enig erfgenaam aangewezen. Na een daartoe strekkend verzoek van [klaagster] is door de Rechtbank te Maastricht bij beschikking van 24 september 2003 vastgesteld dat [betrokkene 1] ook de vader is van haar kind [klager] (klager). Op grond daarvan is in de "akte van erfrecht en volmacht" van 3 februari 2004, opgemaakt door mr. P.J.N.T. Zeestraten, notaris te Heerlen, opgenomen dat de beide kinderen ieder voor de helft erfgenaam van [betrokkene 1] zijn.

[Betrokkene 1] heeft een vermogen van € 874.874,99 nagelaten. Dit bedrag staat op een derdengeldrekening van voornoemde notaris. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het vermogen van [betrokkene 1] een criminele herkomst heeft. Op grond daarvan heeft het op 14 december 2004 ten laste van de wettelijke vertegenwoordigster van ieder van de beide minderjarige kinderen onder de notaris strafvorderlijk beslag doen leggen. Het Openbaar Ministerie heeft daartoe gesteld dat de beide wettelijke vertegenwoordigsters zich door aanvaarding van de erfenis schuldig hebben gemaakt aan witwassen in de zin van art. 420bis Sr. Het beslag is gelegd met het oog op een eventuele op te leggen verbeurdverklaring, geldboete of maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in of naar aanleiding van een strafzaak tegen de wettelijke vertegenwoordigsters.

4. Het oordeel van de Rechtbank

De Rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

"Door de officier van justitie is onder [betrokkene 2] en [klaagster] beslag gelegd op € 874.874,99, de nalatenschap van [betrokkene 1]. De erfgenamen van [betrokkene 1] zijn zijn kinderen, [betrokkene 3], geboren op [geboortedatum] 2000 en [klager], geboren op [geboortedatum] 1988. De raadsman stelt terecht dat de overledene niet meer strafrechtelijk kan worden vervolgd en dat dit laatste ook voor [betrokkene 3] geldt, die immers nog geen twaalf jaar oud is. De officier van justitie heeft beslag gelegd omdat hij van mening is dat de nalatenschap door misdrijf verkregen geld betreft en dat de wettelijk vertegenwoordigsters door het aanvaarden van deze nalatenschap zich schuldig hebben gemaakt aan witwassen (art 420bis Sr.)

Volgens opgave bij de belastingen heeft [betrokkene 1] gedurende zijn leven beschikt over een Belgische uitkering van ongeveer f 16.000,- en over huurinkomsten van ongeveer hetzelfde bedrag. Onverklaarbaar is derhalve dat [betrokkene 1] bij overlijden bleek te beschikken over een vermogen van meer dan € 800.000,-. Volgens de officier van justitie hield [betrokkene 1] zich bezig met de handel, import en productie van verdovende middelen. Hierover zou CRIE informatie beschikbaar zijn.

Blijkens de wetsgeschiedenis betreffende artikel 420bis Sr. is voor de bewezenverklaring van het bestanddeel "van misdrijf afkomstig" uit dit artikel niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf.

Volgens LJN AP2124, Hoge Raad, 28-09-2004, 02679/03 hoeft uit de bewijsmiddelen niet te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Gelet op dit arrest kan een samenstel van factoren voldoende zijn om aan te nemen dat het betreffende geld van misdrijf afkomstig is.

In deze zaak is wat dat betreft van belang dat het door [betrokkene 1] aan de fiscus opgegeven inkomen niet verklaart hoe hij zijn aanzienlijke vermogen heeft kunnen opbouwen. Daarnaast geeft te denken dat dit vermogen van [betrokkene 1] voor het overgrote deel op buitenlandse rekeningen stond en onder meer was belegd in buitenlands onroerend goed.

In het kader van deze raadkamerprocedure zal moeten worden beoordeeld of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomene zal bevelen danwel een boete of een ontnemingveroordeling zal opleggen.

De mate waarin aannemelijk is dat de erfenis uit door misdrijf verkregen geld bestaat, dient derhalve te worden beoordeeld. Volledig bewijs wordt nog niet geëist.

Op grond van de bestaande jurisprudentie en voormelde omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat de nalatenschap van [betrokkene 1] uit door misdrijf verkregen geld bestaat. Het feit dat [betrokkene 1] is overleden heeft niet tot gevolg dat niet nader zou mogen worden onderzocht op welke wijze hij zijn vermogen heeft verworven.

Artikel 420bis Sr. eist niet alleen dat het geld van misdrijf afkomstig is maar ook dat de verdachte - voor zover hier van belang - "een voorwerp voorhanden heeft". Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten (lid 2). Onder voorhanden hebben wordt verstaan het voorwerp feitelijk tot je beschikking hebben. Er dient feitelijke zeggenschap te bestaan over het voorwerp, al is niet nodig dat het voorwerp zich in de fysieke nabijheid bevindt. Zo is chartaal geld blijkens de wetsgeschiedenis een voorwerp in de zin van artikel 420bis Sr. De vordering van de erven op de notaris, onderwerp van beslag, kan hiermee gelijk worden gesteld en is derhalve als een voorwerp in de zin van artikel 420bis Sr. aan te merken.

Hoewel de kinderen erfgenaam zijn, zijn de wettelijk vertegenwoordigers degenen die feitelijk dienen te handelen en dus over het geld dienen te beschikken. Zij zijn derhalve - in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigsters- ook terecht als beslagenen aangemerkt. Zij hebben ook reeds beslissingen genomen betreffende het vermogensrecht door de erfenis niet te verwerpen. Concluderend kan derhalve worden gesteld dat de wettelijk vertegenwoordigsters "een voorwerp voorhanden hebben" zoals bedoeld in artikel 420bis van het wetboek van strafrecht. Dit kan worden beschouwd als het door voormeld artikel vereiste "handelen".

Voorts eist art 420bis Sr. de wetenschap dat het geld van misdrijf afkomstig is. Daartoe is voorwaardelijk opzet voldoende ofwel willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaarden dat men een voorwerp voorhanden heeft dat uit misdrijf afkomstig is.

In het kader van deze procedure acht de rechtbank de inhoud van het gesprek met de notaris (een advocaat van de wettelijk vertegenwoordigsters zou hebben gezegd dat het geld van misdrijf afkomstig was) alsmede het feit dat de wettelijk vertegenwoordigsters wisten dat [betrokkene 1] buitenlands vermogen had voldoende om opzet van hun kant aannemelijk te achten. Aannemelijk is dat de wettelijk vertegenwoordigsters in ieder geval kort voor de inbeslagneming wisten althans konden weten dat het geld van misdrijf afkomstig was. Ook toen hebben zij er niet voor gekozen om namens de minderjarigen af te zien van de nalatenschap en hebben zij het geld bewust (opzettelijk) voorhanden gehouden.

Dat een wettelijk vertegenwoordiger namens een ander optreedt, is geen vrijbrief om in die hoedanigheid in strijd met de wet te handelen.

Veroordeling van iemand die in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger strafbare feiten pleegt, is derhalve mogelijk.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het dus niet onwaarschijnlijk dat een later oordelend rechter tot veroordeling van de wettelijk vertegenwoordigsters [betrokkene 2] en [klaagster] zal komen.

De laatste vraag die dient te worden beantwoord is of een eventuele veroordeling van [betrokkene 2] en [klaagster] voornoemd gevolgen kan hebben voor het vermogen van hun kinderen.

Zouden de kinderen meerderjarig zijn geweest dan hadden zij- nu zich geen enkele logische verklaring voordoet hoe [betrokkene 1] zijn vermogen opgebouwd kan hebben anders dan door het plegen van strafbare feiten - de erfenis dienen te verwerpen. Van goede wettelijk vertegenwoordigers wordt verlangd dat zij handelen zoals de kinderen zouden moeten handelen als zij volwassen zouden zijn. De handelingen van de wettelijk vertegenwoordiger kunnen aan de minderjarige worden toegerekend. Op andere rechtsgebieden heeft onjuist beheer van het vermogen van de minderjarige door een wettelijk vertegenwoordiger gevolgen voor het vermogen van de minderjarige en is het voor de minderjarige naar derden toe niet mogelijk zich te beroepen op onwetendheid van zijn kant. De rechtbank acht het niet hoogst onwaarschijnlijk dat een later oordelende strafrechter deze lijn doortrekt naar het strafrecht en verbeurdverklaring van het inbeslaggenomene zal bevelen danwel terzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal uitspreken. Het tegendeel zou veronderstellen dat in casu een minderjarige erfgenaam in een onterechte bevoorrechte positie zou komen te verkeren door zijn minderjarigheid.

Op grond van het vorenstaande zal het klaagschrift ongegrond worden verklaard."

5. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Beoordeling van het derde middel

6.1. Het middel strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het te dezen gaat om vermogensbestanddelen die afkomstig zijn uit enig misdrijf als bedoeld in art. 420bis Sr.

6.2. Het middel steunt op de opvatting dat art. 420bis Sr niet van toepassing is in geval van verkrijging van zaken en/of vermogensrechten door erfopvolging. Die opvatting vindt geen steun in het recht.

6.3. Het middel faalt.

7. Beoordeling van het zesde middel

7.1. Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat de nalatenschap van [betrokkene 1] vatbaar is voor verbeurdverklaring dan wel voordeelsontneming op de grond dat nimmer is vastgesteld dat activa van deze nalatenschap uit misdrijf afkomstig zijn en dat zulks niet meer wettig kan worden bewezen, gelet op het in art. 69 Sr voorziene verval van het recht tot strafvordering door de dood van [betrokkene 1] en de omstandigheid dat deze zich niet meer kan verdedigen in de zin van art. 6, derde lid aanhef en onder c, EVRM.

7.2. De Rechtbank heeft overwogen dat de omstandigheid dat [betrokkene 1] is overleden "niet tot gevolg [heeft] dat niet nader zou mogen worden onderzocht op welke wijze hij zijn vermogen heeft verworven". Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder niet wat betreft art. 69 Sr, aangezien het onderzoek naar de herkomst van het vermogen van [betrokkene 1] niet oplevert het instellen van een strafvervolging tegen hem en daarmee ook niet op één lijn kan worden gesteld. Ook art. 6 EVRM verzet zich niet tegen een dergelijk onderzoek omdat geen sprake is van een vervolging in de zin van deze bepaling noch van het in rechte vaststellen van schuld.

In het middel wordt miskend dat het hier niet gaat om een strafrechtelijke procedure tegen [betrokkene 1] op grond van de verdenking dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de misdrijven door middel waarvan hij bedoeld vermogen zou hebben verkregen, maar om een strafrechtelijke procedure tegen de wettelijke vertegenwoordigster van de klager op grond van de verdenking dat zij zich door de nalatenschap niet te verwerpen heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van het door [betrokkene 1] nagelaten vermogen.

7.3. Het middel faalt.

8. Beoordeling van het tweede, het vierde en het zevende middel

8.1. De middelen keren zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de wettelijke vertegenwoordigster door de later oordelende strafrechter zal worden veroordeeld wegens witwassen, onder meer op de grond dat de (beneficiaire) aanvaarding van de nalatenschap door de wettelijke vertegenwoordigster geen voorhanden hebben in de zin van art. 420bis Sr door die vertegenwoordigster oplevert.

8.2. De wettelijke vertegenwoordigster heeft blijkens de hiervoor onder 3 genoemde "akte van erfrecht en volmacht" op 31 oktober 2002 in haar hoedanigheid van moeder-voogdes de nalatenschap van [betrokkene 1] aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Dit brengt mee dat op de aanvaarding van de nalatenschap de regels van het vóór 1 januari 2003 geldende erfrecht van toepassing zijn, zij het dat ingevolge art. 137 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek op de vóór 1 januari 2003 aangevangen vereffening van een nalatenschap de daar genoemde bepalingen van Boek 4 nadien zoveel mogelijk van toepassing zijn.

8.3.1. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 420bis Sr:

"1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.

2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten."

- art. 1:353 (oud) BW:

"1. De voogd kan een de minderjarige opgekomen erfenis niet anders aanvaarden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

2. Hij kan niet zonder machtiging van de kantonrechter een de minderjarige opgekomen erfenis verwerpen, noch van een deze toekomend aandeel in een ontbonden huwelijksgemeenschap afstand doen."

- art. 4:1079 (oud) BW:

"De erfgenaam, die de nalatenschap onder het voorregt van boedelbeschrijving heeft aanvaard, is verpligt de daartoe behorende goederen als een goed huisvader te besturen, en de nalatenschap, zoo dra mogelijk, tot effenheid te brengen; hij is aan de schuldeischers en legatarissen verantwoording verschuldigd."

- art. 4:1092 (oud) BW:

"Erfenissen, aan minderjarige en onder curatele gestelde personen opgekomen, kunnen niet wettiglijk worden aanvaard, dan met inachtneming der wetsbepalingen welke die personen betreffen."

- art. 4:1103 (oud) BW:

"Het verwerpen eener erfenis moet uitdrukkelijk geschieden, en moet plaats hebben door middel eener verklaring, afgelegd ter griffie van de arrondissementsregtbank, onder welks ressort de erfenis opengevallen is."

8.3.2. Art. 420bis Sr is in het Wetboek van Strafrecht ingevoegd bij de op 14 december 2001 in werking getreden Wet van 6 december 2001, Stb. 606, inzake de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven.

De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot deze wet houdt met betrekking tot de uitdrukking "voorhanden hebben" het volgende in:

"De termen "verwerven, voorhanden hebben en overdragen" hebben dezelfde betekenis als in de helingbepalingen. Zij veronderstellen feitelijke zeggenschap ten aanzien van het voorwerp, al is niet vereist dat het voorwerp zich in de fysieke nabijheid bevindt." (Kamerstukken II 1999-2000, 27 159, nr. 3, blz. 15)

De Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer houdt onder meer in:

"Tot slot stelden deze leden nog een vraag over het in de memorie van antwoord gegeven voorbeeld ter verduidelijking van de reikwijdte van het begrip "het voorhanden hebben van een voorwerp" in de voorgestelde strafbaarstellingen. Het voorbeeld betrof de situatie van de bezitter van een luxueus plezierjacht die dit verkoopt aan een crimineel, terwijl hij zelf de houder ervan blijft. De CDA-fractieleden merkten over dit voorbeeld op dat naar hun oordeel een en ander impliceert dat bij afwezigheid ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst van enige wetenschap van de verkoper die vervolgens houder wordt van het plezierjacht deze zich toch schuldig maakt aan het strafbare feit van witwassen, ook als hij pas later erachter komt, dat de prijsbetaling is geschied met geld dat uit een strafbaar feit is verkregen. In reactie hierop zou ik willen verduidelijken dat voor de strafbaarheid van het "voorhanden hebben van een voorwerp" vereist is dat de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. In de situatie zoals door deze leden geschetst, zal daarvan pas sprake zijn op het moment waarop de houder van het plezierjacht op enigerlei wijze informatie verkrijgt over de herkomst van het geld waarmee het plezierjacht is aangeschaft op grond waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze verband houdt met het plegen van misdrijven. Dit moment kan zich voordoen ten tijde van de koopovereenkomst maar uiteraard ook later. Laat de betrokkene onder de laatstgenoemde omstandigheden de situatie voortduren (en wordt derhalve het inschakelen van politie en justitie achterwege gelaten), dan maakt hij zich schuldig aan het strafbare feit van witwassen. In dat geval doen de motieven van de verdachte waar het gaat om het laten voortduren van de situatie in beginsel niet meer ter zake. In het voorhanden hebben van een voorwerp waarvan men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit afkomstig is uit enig misdrijf, ligt het laakbare besloten, ongeacht of dit nu uit geldelijke motieven in de zin van winstbejag is of bijvoorbeeld enkel en alleen omdat men behulpzaam wil blijven bij het verhullen of verbergen van de werkelijke herkomst van het voorwerp."

(Kamerstukken I 2001-2002, 27 159, nr. 33a, blz. 5-6)

8.4. In het licht van deze wetsgeschiedenis moet art. 420bis Sr aldus worden uitgelegd dat de (zuivere dan wel beneficiaire) aanvaarding van een nalatenschap tot gevolg heeft dat de erfgenaam tot de nalatenschap behorende goederen (zaken en vermogensrechten in de zin van art. 420bis, tweede lid, Sr) voorhanden heeft in de zin van die wetsbepaling. Genoemde wetsbepaling stelt daarnaast de eis dat, wil de erfgenaam veroordeeld kunnen worden, hij weet (eventueel in de zin van voorwaardelijk opzet) dat die goederen onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf. Een redelijke wetsuitleg brengt evenwel mee dat ook indien aan deze eisen is voldaan, het voorhanden hebben van die goederen door de erfgenaam niet steeds zal kunnen worden gekwalificeerd als witwassen in de zin van art. 420bis Sr.

Dit geval kan zich in het bijzonder voordoen indien een erfgenaam die reeds bij de aanvaarding weet dat de nalatenschap een of meer goederen bevat die afkomstig zijn uit enig misdrijf, niet het oogmerk heeft de feitelijke zeggenschap daarover te gaan uitoefenen. Het ontbreken van dat oogmerk zou daaruit kunnen blijken dat de erfgenaam - al dan niet door tussenkomst van de notaris - onverwijld heeft gemeld aan de politie of de officier van justitie dat de nalatenschap zodanige goederen omvat en tevens die goederen ter beschikking heeft gesteld en gehouden van de Staat. Hetzelfde geldt indien de wetenschap omtrent de herkomst van de nalatenschap eerst is opgekomen na de aanvaarding van de nalatenschap en de erfge-naam daarna insgelijks heeft gehandeld.

Er is geen grond om ten aanzien van de wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam anders te oordelen.

8.5. Blijkens haar hiervoor onder 4 weergegeven overwegingen heeft de Rechtbank geoordeeld dat wat betreft de wettelijke vertegenwoordigster sprake is van het voorhanden hebben in de zin van art. 420bis Sr van een voorwerp als bedoeld in het tweede lid van dat artikel, te weten een vordering van de minderjarige klager op de notaris, nu zij in haar hoedanigheid van voogdes de aan de minderjarige klager opgekomen nalatenschap niet heeft verworpen, terwijl zij wist of kon weten dat die nalatenschap (mede) bestaat uit van misdrijf afkomstig geld (banktegoed). In het licht hiervan en in aanmerking genomen dat niet is vastgesteld of aangevoerd dat hier sprake is van een geval als hiervoor onder 8.4 bedoeld, geeft het oordeel van de Rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de wettelijke vertegenwoordigster door de later oordelende strafrechter zal worden veroordeeld wegens witwassen, niet blijk van een verkeerde rechtsopvatting.

8.6. Voorzover de middelen dit bestrijden, zijn ze tevergeefs voorgesteld.

9. Beoordeling van het vijfde en het achtste middel

9.1. De middelen komen naar de kern bezien op tegen het oordeel van de Rechtbank dat het aan de minderjarige klager toebehorende vermogen in een tegen de wettelijke vertegenwoordigster in te stellen strafrechtelijke procedure kan worden verbeurdverklaard dan wel kan dienen tot verhaal van een aan die wettelijke vertegenwoordigster op te leggen maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

9.2. Bij de beoordeling van de middelen moet het volgende worden vooropgesteld. Ingevolge art. 36b, eerste lid

onder 4º, Sr in verbinding met art. 552f Sv kan onder meer in de gevallen waarin geen strafvervolging (meer) wordt ingesteld, bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie de onttrekking aan het verkeer worden uitgesproken van inbeslaggenomen voorwerpen die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Geld als wettig betaalmiddel is echter, ongeacht de herkomst en/of de bestemming ervan en ongeacht aan wie het toebehoort, niet vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Daarbij verdient opmerking dat sedert de invoering van de onttrekking aan het verkeer bij de Wet van 22 mei 1958, Stb. 1958, 296 verschillende nieuwe wettelijke regelingen tot stand zijn gekomen die (mede) gelden met een criminele herkomst tot onderwerp hebben, zoals de bepalingen met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (Wet van 10 december 1992, Stb. 1993, 11) en die met betrekking tot de strafbaarstelling van witwassen (Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606), en dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze wetten evenmin blijkt dat de wetgever er van is uitgegaan dat geld met een criminele herkomst vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer (vgl. HR 8 maart 2005, LJN AR7626). Dit heeft tot gevolg dat wat betreft inbeslaggenomen geld met een criminele herkomst niet de onttrekking aan het verkeer kan worden uitgesproken - noch als een bij rechterlijke uitspraak in een strafzaak op te leggen maatregel, noch bij afzonderlijke rechterlijke beschikking.

De door de wetgever beoogde "confiscatie van crimineel vermogen", waaronder blijkens de Memorie van Toelichting verstaan moet worden de verbeurdverklaring of de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (Kamerstukken II 1999-2000, 27 159, nr. 3, blz. 12), kan dus slechts op een van deze twee manieren plaatsvinden. Het is niet uitgesloten dat in gevallen als het onderhavige het wettelijk stelsel met deze twee sanctiemodaliteiten onvoldoende tegemoet komt aan de behoefte tot "confiscatie van crimineel vermogen". Het is niet aan de rechter daarin te voorzien.

9.3. Voor de beoordeling van de middelen zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 33a, tweede lid aanhef en onder a, Sr:

"Voorwerpen als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met e die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien:

a. degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden."

- art. 94, tweede lid, Sv:

"Voorts zijn vatbaar voor inbeslagneming alle voorwerpen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen."

- art. 94a, derde en vierde lid, Sv:

"3. Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, kunnen in beslag worden genomen indien:

a. die voorwerpen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig zijn van het misdrijf in verband waarmee de geldboete kan worden opgelegd onderscheidenlijk het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, en

b. voldoende aanwijzingen bestaan dat die voorwerpen aan die ander zijn gaan toebehoren met het doel de uitwinning van die voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en

c. die ander ten tijde van dat gaan toebehoren wist of redelijkerwijze kon vermoeden dat die voorwerpen van enig misdrijf afkomstig waren.

4. In het geval, bedoeld in het derde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het derde lid bedoelde voorwerpen."

9.4. Het gaat hier om een beslag in de zin van art. 94 Sv dat is gelegd onder een notaris ten laste van de wettelijke vertegenwoordigster op een vordering die de minderjarige erfgenaam op de notaris heeft tot betaling van het geldbedrag dat hem uit hoofde van zijn erfdeel toekomt, met het oog op de mogelijke verbeurdverklaring in een tegen de wettelijke vertegenwoordigster in te stellen strafprocedure, alsmede om een beslag in de zin van art. 94a Sv. In het geval dat een derde/niet-beslagene - hier de minderjarige klager - zich daartegen keert, stellende dat het zijn vordering is, dient de rechter die over het beslag heeft te oordelen, na te gaan of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel staat dat die derde als rechthebbende van het inbeslaggenomene moet worden aangemerkt. Indien dat het geval is, dient het vorderingsrecht van de klager te worden gerespecteerd. Dat is slechts anders als zich het geval voordoet als bedoeld in art. 33a, tweede lid aanhef en onder a, Sr of een van de gevallen genoemd in art. 94a, derde en vierde lid, Sv.

9.5. In de hiervoor onder 4 weergegeven overwegingen ligt als oordeel van de Rechtbank besloten dat buiten redelijke twijfel staat dat de minderjarige klager de eerdergenoemde vordering heeft op de notaris. Zonder nadere, doch ontbrekende motivering valt echter niet in te zien dat en waarom ten aanzien van de klager, die ten tijde van de beneficiaire aanvaarding van zijn erfdeel veertien jaar oud was, sprake was van de wetenschap of het vermoeden als bedoeld in art. 33a, tweede lid aanhef en onder a, Sr onderscheidenlijk art. 94a, derde lid, Sv. Gelet hierop is het oordeel van de Rechtbank dat meergenoemde vordering vatbaar is voor inbeslagneming met het oog op verbeurdverklaring dan wel voordeelsontneming in een strafrechtelijke procedure tegen zijn wettelijke vertegenwoordigster niet naar behoren met redenen omkleed.

9.6. De middelen zijn terecht voorgesteld.

10. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking meer behoeven en als volgt moet worden beslist.

11. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden beschikking;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de president W.J.M. Davids als voorzitter, de vice-president G.J.M. Corstens, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, J.W. Ilsink en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 2006.