Home

Hoge Raad, 11-01-1989, ZC3968, 25398

Hoge Raad, 11-01-1989, ZC3968, 25398

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 januari 1989
Datum publicatie
8 april 2013
ECLI
ECLI:NL:HR:1989:ZC3968
Zaaknummer
25398
Relevante informatie
Algemene wet inzake rijksbelastingen [Tekst geldig vanaf 01-01-2022 tot 01-01-2024]

Uitspraak

ARREST

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financien tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 mei 1987 betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto s.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1983 een naheffingsaanslag in de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto s opgelegd ten bedrage van f 5.011 aan enkelvoudige belasting en f 5.011 aan verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd, met het besluit geen kwijtschelding van de verhoging te verlenen.

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot op een bedrag van f 5.011 aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Hij heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

De Advocaat-Generaal Van Soest heeft op 1 juli 1988 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot vernietiging van de naheffingsaanslag.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

Belanghebbende heeft in juni 1983 een personenauto gekocht, die in september 1983, voorzien van de voor een brandweerauto vereiste kenmerken, na door de importeur te zijn ingevoerd met vrijstelling van bijzondere verbruiksbelasting van personenauto s, aan belanghebbende is afgeleverd.

De factuur is gesteld ten name van de Brandweer te Z, waarvan belanghebbende sinds mei 1983 commandant was. Een kopie van die factuur heeft belanghebbende aan de Inspecteur gezonden.

In zijn voormelde hoedanigheid had belanghebbende op 21 juli 1983 ten behoeve van de leverancier van de auto een verklaring afgegeven als bedoeld in paragraaf 13, lid 4, onder a, van de Leidraad bijzondere verbruiksbelasting van personenauto s, vastgesteld bij Beschikking van de Staatssecretaris van Financiën van 1 februari 1982, nr. 282-941. Met die verklaring en de genoemde factuur diende krachtens de Leidraad te worden aangetoond dat de auto was bestemd om te worden gebruikt door de brandweer, opdat de bij die Leidraad toegestane vrijstelling van belasting voor brandweerauto s kon worden genoten. Ingevolge genoemde Leidraadbepaling zou echter niet van heffing kunnen worden afgezien, indien een brandweerfunctionaris een aan hem in eigendom toebehorende auto (mede) zou bezigen voor het uitoefenen van zijn functie.

Belanghebbendes echtgenote heeft het aankoopbedrag voldaan, waarbij het betalingsbewijs op naam van genoemde brandweerinstantie is gesteld.

De onderhavige auto was evenwel, behalve voor gebruik door de brandweer, tevens bestemd tot gebruik als privé-auto van belanghebbende. Aldus is de auto door toedoen van belanghebbende ten onrechte met vrijstelling van bedoelde belasting ingevoerd, ten gevolge waarvan bovendien f 901 te weinig aan omzetbelasting is voldaan.

Op 19 juni 1984 heeft belanghebbende te dezer zake een bedrag van f 5.011 aan bijzondere verbruiksbelasting van personenauto s betaald.

Bij de onderhavige naheffingsaanslag, gedagtekend 6 september 1984, heeft de Inspecteur een bedrag van f 5.011 aan bijzondere verbruiksbelasting van personenauto s van belanghebbende nageheven op de voet van artikel 20, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Het nageheven bedrag is vermeerderd met een verhoging van honderd percent op de voet van artikel 21, lid 1, eerste volzin, AWR, van welke verhoging de Inspecteur geen kwijtschelding heeft verleend.

3.2. Voor zover het middel uitgaat van de opvatting dat de betaling door belanghebbende van het bedrag groot f 5.011 aan bijzondere verbruiksbelasting van personenauto s niet kan worden beschouwd als een betaling in de zin van artikel 20, lid 1, AWR, faalt het. Deze betaling immers had betrekking op belasting die de importeur bij invoer had behoren te voldoen, aangezien de onderhavige auto niet met vrijstelling van de heffing van bijzondere verbruiksbelasting van personenauto s mocht worden ingevoerd. Daaraan doet niet af dat belanghebbende zelf niet belastingplichtig was ten aanzien van de bij invoer verschuldigde belasting, noch dat de naheffingsaanslag in dit geval niet aan de belastingplichtige, doch ingevolge artikel 20, lid 2, tweede volzin, AWR aan belanghebbende is opgelegd.

3.3. Niet kan worden gezegd - zoals het middel doet - dat s Hofs beslissing onbegrijpelijk is omdat enerzijds wordt overwogen dat wegens de betaling, gedaan voordat de naheffingsaanslag werd opgelegd, niet een aanslag kon worden opgelegd op de voet van artikel 20 AWR, en anderzijds de aanslag niet is vernietigd. Blijkens de in de bestreden uitspraak gegeven omschrijving van het geschil en de verwijzing naar het standpunt van belanghebbende, die in zijn beroepschrift voor het Hof niet had gevorderd de aanslag te vernietigen voor zover het de enkelvoudige belasting betreft, heeft het Hof immers klaarblijkelijk geoordeeld dat belanghebbende de juistheid van de aanslag voor wat betreft de vaststelling van het bedrag aan enkelvoudige belasting niet in het geschil wenste te betrekken.

3.4. Voor het overige keert zich het middel tegen door het Hof ten overvloede gegeven overwegingen, zodat het ook in zoverre niet tot cassatie kan leiden.

4. Beslissing