Home

Hoge Raad, 03-04-1985, AW8306, 22 864

Hoge Raad, 03-04-1985, AW8306, 22 864

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 april 1985
Datum publicatie
4 april 2013
ECLI
ECLI:NL:HR:1985:AW8306
Zaaknummer
22 864
Relevante informatie
3.8 IB

Uitspraak

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 maart 1984 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1977.

1. Aanslag en bezwaar

Aan belanghebbende is voor het jaar 1977 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd, welke aanslag, na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van f 164.277.

2. Geding voor het Hof

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft als tussen partijen vaststaande aangemerkt:

'Belanghebbende heeft zich sedert 1949 achtereenvolgens en deels tegelijkertijd bezig gehouden met handel in steenkolen, verkoop van stookolie en van haarden, installatie van centrale-verwarmingssystemen, exploitatie van een benzinepomp, van een autowasstation en van een garagebedrijf.

In het einde van de jaren 1960 zijn allengs de activiteiten met betrekking tot de handel in steenkolen, de verkoop van stookolie en van haarden en de installatie van centrale-verwarmingssystemen beëindigd. Belanghebbendes onderneming heeft een boekjaar dat loopt van 1 april tot 1 april.

In het boekjaar 1976/1977 exploiteerde belanghebbende onder de naam "A'' een onderneming die zich bezig houdt met de verkoop van benzine en van auto-accessoires en die voorts beschikt over een autowasserette en een zogenaamd quick-service-station, alwaar men kleine reparaties aan auto's uitvoert. Voorts was belanghebbende in dat boekjaar en in het gehele jaar 1977 directeur en enig aandeelhouder van B BV, welke aan "A'' de machines verhuurt voor de wasstraat waarin de auto's worden gewassen. B BV heeft geen overige activiteiten.

In de onderneming van belanghebbende bevinden zich de volgende saldi aan liquide middelen:

31 maart 1975 f 326.442

31 maart 1976 f 429.867

31 maart 1977 f 607.581

31 maart 1978 f 693.789.

Het eigen vermogen bedraagt:

31 maart 1975 f 272.185

31 maart 1976 f 300.719

31 maart 1977 f 327.368

31 maart 1978 f 351.860.

De liquide middelen zijn belegd in spaardeposito's en voor het overige bij bank of giro op lopende rekeningen geplaatst.

Op 31 maart 1977 is op de Rabo-spaarrekening f 71.662,65 gedeponeerd en f 375.000 op een spaardeposito bij de Rabobank.

Aan B BV bestond op 31 maart van de jaren 1976, 1977 en 1978 een schuld in rekening-courant van onderscheidenlijk f 178.491, f 251.061 en f 324.928.

De stand van de oudedagsreserve bedroeg op 1 januari 1977 f 21.675 en op 1 januari 1978 f 32.572.

In 1975 werd belanghebbende benaderd door C te Y, registeraccountant, die voor zijn cliënt, D BV te W, een tijdelijke geldschieter zocht. Ten einde belanghebbende daartoe te bewegen verstrekte deze accountant aan belanghebbende een balans van D BV per ultimo oktober 1975, welke voor de periode van 15 juli 1974 tot 1 november 1975 een verlies aanwees van f 132.000, alsmede een prognose voor de periode 1 november 1975 tot 1 januari 1977 met een veronderstelde winst van f 149.400. Het aandelenkapitaal van D BV bedroeg f 23.000.

D BV hield zich bezig met arbeidsbemiddeling.

Naar aanleiding van het contact met de accountant heeft belanghebbende aan D BV achtereenvolgens ter leen verstrekt:

op 5 januari 1976: f 50.000

op 23 januari 1976: f 5.000

op 29 januari 1976: f 45.000

op 27 juli 1976: f 25.000.

Na de laatste betaling van f 25.000 heeft D BV belanghebbende opnieuw om geld gevraagd. Aan dat verzoek heeft belanghebbende niet voldaan. D BV is vervolgens gefailleerd.

Van zijn vordering ten bedrage van in totaal f 125.000 heeft belanghebbende niets terugontvangen.

Op de balans van belanghebbendes onderneming per 31 maart 1976 komt de lening aan D voor voor het alstoen uitgeleende bedrag van f 100.000 en op de balans per 31 maart 1977 voor nihil. Het verlies van f 125.000 heeft belanghebbende ten laste van zijn onderneming gebracht.'

Het Hof heeft het geschil als volgt omschreven:

'dat tussen partijen in geschil is of de vordering op D BV tot belanghebbendes ondernemingsvermogen kan worden gerekend, zoals belanghebbende stelt en de inspecteur betwist.'

Het Hof heeft de standpunten van partijen als volgt nader omschreven:

'dat partijen hun standpunten hebben ontwikkeld zoals in het beroepschrift en het vertoogschrift vermeld, te weten, kort samengevat:

Belanghebbende:

Er is geen sprake van belegging van structureel overtollige middelen en zo daarvan toch sprake zou zijn, dan had belanghebbende de vrijheid, gezien de variatie in zijn activiteiten, de lening aan D BV als ondernemingsvermogen aan te merken.

De inspecteur:

primair: de lening vervult geen enkele functie in de bedrijfsuitoefening;

subsidiair: er is sprake van structureel overtollige kasmiddelen die bij het verstrekken van de lening zijn aangewend;

meer subsidiair: de band die er tussen de kasgelden en het bedrijf bestaat wordt door de belegging in een lening als de onderhavige doorgesneden.

Ter zitting heeft belanghebbendes gemachtigde daaraan nog toegevoegd voor zover te dezen van belang, dat het ging om belegging van tijdelijk overtollige kasmiddelen en dat belanghebbende er geen idee van had dat het een risicovolle belegging betrof.'

Het Hof heeft omtrent het geschil overwogen:

'De sedert 1949 door belanghebbende ontplooide activiteiten en die welke hij in de boekjaren 1975/1976 en 1976/1977 in de voor zijn rekening gedreven onderneming en door middel van B BV uitoefende, lagen, hoewel onderscheiden, duidelijk in elkanders verlengde en hadden op generlei wijze van doen met arbeidsbemiddeling.

Op grond van de door de accountant van D BV aan belanghebbende verstrekte informatie omtrent het in korte tijd door D BV geleden aanzienlijke verlies en omtrent de in korte tijd door die BV te behalen winst, tussen welke beide een verschil bestond van ruim f 280.000, is niet aannemelijk dat belanghebbende de door hem aan D BV verstrekte leningen heeft aangemerkt als een belegging met nauwelijks meer risico dan die welke belanghebbende liep met zijn beleggingen in langlopende leningen bij een bank of een girale instelling.

Ongeacht de vraag of de liquiditeiten in belanghebbendes onderneming structureel dan wel tijdelijk overtollig waren, behoorde op grond van hetgeen in de beide voorgaande alinea's is overwogen in elk geval het verstrekken van een deel van die liquiditeiten aan D BV niet meer tot de normale uitoefening van belanghebbendes onderneming.

Mitsdien behoorden de uit die verstrekking voortvloeiende vorderingen niet tot het vermogen van belanghebbendes onderneming.'

Op deze gronden heeft het Hof de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.

3. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft van 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Hij heeft het navolgende middel van cassatie voorgesteld, toegelicht gelijk daarachter vermeld:

'Schending van het recht met name van art. 7 IB '64. Doordat het Hof heeft beslist dat het belanghebbende niet vrij staat de met overtollige kasgelden gefinancierde leningen aan D BV tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, zulks ten onrechte, althans op gronden die beslissing niet kunnen dragen om de navolgende redenen:

Bij arrest HR d.d. 25 mei 1977, rolnr. 18.244, BNB 1977/251, heeft Uw Raad beslist dat het belanghebbende vrij staat tijdelijke overtollige kasgelden aan te wenden voor aankoop van aandelen in een onderneming, waarvan de bedrijfsuitoefening in geen enkel verband staat met de bedrijfsuitoefening binnen de onderneming van belanghebbende.

Dat niet valt in te zien, althans zonder nadere argumenten, die het Hof verzuimd heeft te geven, dat zulks niet zou gelden voor een geldlening.

Het Hof heeft nagelaten te onderzoeken of in casu sprake is van al dan niet tijdelijke of structurele overtollige middelen.

Daarbij zij tevens opgemerkt, dat ook het argument dat hier sprake zou zijn van een geldlening waaraan een groter dan normaal risico verbonden is, niet de beslissing kan dragen, dat derhalve de geldlening niet tot belanghebbendes onderneming behoorde.

Dit omdat de beoordeling of iets een aantrekkelijke belegging is, gelet op rente en risico van tijdelijke overtollige middelen een beslissing is die de ondernemer in vrijheid mag nemen.

In casu kan overigens ook aan het feit dat aan een belegging grote risico's verbonden zijn geen argument ontleend worden voor de beslissing om aan te nemen dat zulks de belegging tot een privé-belegging kwalificeert, aangezien het toch juist van algemene bekendheid is, dat belastingplichtigen sterke risicodragende activiteiten nu juist via hun onderneming plegen te verrichten.

Het gaat er in het onderhavige geval slechts om of er sprake is van tijdelijke of structurele overtollige middelen.'

De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

4. Beoordeling van het middel van cassatie

5. Slotsom

6. Beslissing