Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14-12-2010, BO8048, HD 200.067.992

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14-12-2010, BO8048, HD 200.067.992

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14 december 2010
Datum publicatie
20 december 2010
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2010:BO8048
Zaaknummer
HD 200.067.992

Inhoudsindicatie

Art. 377 Rv; maten deugdelijk gedagvaard?, nasleep HR 11 juli 2003, NJ 2004,570

HD 200.006.833 uitgesproken op 14-12-2010 LJN BO8043, en

HD 200.006.838 uitgesproken op 14-12-2010 LJN BO8046

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.067.992

arrest van de tweede kamer van 14 december 2010

in de zaak van

1. [X.],

wonende te [woonplaats],

2. [A.],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. I.M. van den Heuvel,

tegen:

1. de maatschap KANTORENGEMEENSCHAP [Y.]-[B.] EN [C.],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.A.H. Post,

2. [X.],

wonende te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JR PRODUCTIONS B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RIVO B.V. ook handelende onder de naam MONEY TREE en MUSIC TREE,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerden, niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 januari 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 23 december 2009 tussen appellanten – tezamen [X.] c.s. en afzonderlijk respectievelijk [X.] en [A.] te noemen - als eisers en geïntimeerden – de maatschap, [X.], JR Productions en Rivo - als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 197190/ HA ZA 08-2052)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven hebben [X.] c.s. twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot verbetering respectievelijk vernietiging van het vonnis van 6 november 1990 aldus dat

[X.] wordt ontheven van de tegen hem uitgesproken veroordeling en veroordeling van de maatschap in de proceskosten.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de maatschap de grieven bestreden.

2.3. Daarna hebben de partijen de gedingstukken overgelegd voor uitspraak.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de precieze inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende:

a. [X.] was eind jaren ’80 directeur en enig aandeelhouder van Valley Sound B.V. De maatschap Kantoorgemeenschap [Y.]-[B.] en [C.] (verder ook ‘de maatschap’ te noemen) heeft voor Valley Sound B.V. accountantswerkzaamheden verricht.

b. Tussen (de maten [Y.], [B.] en [C.] van) de maatschap en Valley Sound B.V. liep een gerechtelijke procedure bij de rechtbank Breda waarin in conventie de maatschap van Valley Sound B.V. betaling vorderde van door de maatschap verrichte (accountants)werkzaamheden. In die procedure heeft op 22 december 1988 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Op die comparitie heeft [X.] zich zowel persoonlijk als namens enkele vennootschappen waarvan hij eveneens directeur was borg gesteld voor het in conventie toe te wijzen bedrag.

c. De maatschap heeft [X.] en drie van zijn vennootschappen op grond van de borgtocht in rechte betrokken. Bij vonnis van 6 november 1990 ( toev. hof: gevolgd door een correctievonnis van 13 november 1990 dat in het geding tussen partijen verder onvermeld wordt gelaten, zodat ook het hof verder alleen over het vonnis van 6 november 1990 zal spreken ) van de rechtbank Breda zijn [X.] en vorenbedoelde vennootschappen hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van

f 42.189,31, te vermeerderen met een rente van 1% per maand over een bedrag van f 36.772,50 vanaf 15 juli 1988 tot de dag der voldoening. [X.] en de medegedaagde vennootschappen werden bij dat vonnis voorts veroordeeld in de proceskosten, welke kosten aan de zijde van de maatschap ten tijde van het vonnis werden begroot op f 1.730,30.

d. De maatschap heeft uit hoofde van het vonnis van 6 november 1990 op 10 januari 1991 executoriaal beslag gelegd op een aan [X.] en diens toenmalige echtgenote [A.] in eigendom toebehorende landgoed met woning te [vestigingsplaats].

e. Bij brief van 5 maart 1993 aan Kantorengemeenschap [Y.]-[B.] en [C.] heeft [A.] bij monde van haar advocaat de door [X.] op 22 december 1988 afgegeven borgstelling vernietigd omdat deze door [X.] was afgegeven zonder dat zij daarvan op de hoogte was. In de brief is aan de maatschap en de afzonderlijke maten verzocht de executie van het vonnis van 6 november 1990 te staken en zijn de maatschap en de maten afzonderlijk namens [A.] aansprakelijk gesteld voor alle door haar en haar echtgenoot te lijden schade.

f. [X.] en [A.] hebben bij dagvaarding van 29 juni 1994 bij de kort geding rechter van de rechtbank Breda gevorderd dat de executie door de maatschap zou worden geschorst en het beslag zou worden opgeheven. Deze vordering is bij kort geding vonnis van 6 juli 1994 afgewezen. [X.] en [A.] hebben tegen het vonnis in kort geding hoger beroep ingesteld.

g. [X.] is bij vonnis van de rechtbank Breda van 18 november 1994 in staat van faillissement verklaard op een door de maatschap gedane faillissementsaanvraag. Het faillissement is bij beschikking van 21 september 1999 door de rechtbank opgeheven wegens de toestand van de boedel.

h. Het hoger beroep van het vonnis in kort geding van 6 juli 1994 is ten aanzien van [X.] geëindigd door een aan de maatschap verleend ontslag van instantie nadat de curator in het faillissement van [X.] te kennen had gegeven de procedure in hoger beroep niet te willen overnemen. Tussen [A.] en de maatschap is de procedure in hoger beroep geschorst en na de beëindiging van het faillissement van [X.] voortgezet. Bij arrest van 20 november 2001 heeft dit hof het vonnis van 6 juli 1994 bekrachtigd. In hoger beroep speelde daarbij alleen nog de vordering tot schorsing van de executie van het vonnis van 6 november 1990 omdat het beslag op de onroerende zaak door het faillissement van [X.] al van rechtswege was opgeheven. Het hof achtte voor schorsing van de executie onder meer geen plaats omdat, kort samengevat, van enig tegen het vonnis van 6 november 1990 ingesteld rechtsmiddel geen sprake meer was en dit vonnis in kracht van gewijsde was gegaan. Het hof verwierp het standpunt van [A.] dat zij nog derdenverzet tegen het desbetreffende vonnis zou kunnen instellen.

i. De Hoge Raad heeft voormeld arrest van 20 november 2001 in cassatie vernietigd bij arrest van 11 juli 2003 omdat, naar de Hoge Raad in r.o. 3.4.2 van zijn arrest overwoog:’…. in een geval als het onderhavige, waarin de vordering, tot betaling waarvan [X.] bij vonnis is veroordeeld, kan worden verhaald op de huwelijksgoederengemeenschap waarin hij en [A.] zijn gehuwd, [A.] door dit vonnis (toev. hof: het vonnis van 6 november 1990 tussen de maatschap en [X.]) in haar rechten op de gemeenschap (wordt) benadeeld. Daarom is [A.], die geen partij was in de procedure die tot dat vonnis heeft geleid, bevoegd daartegen derdenverzet in te stellen’. De Hoge Raad verwees de zaak ter verdere afdoening naar het gerechtshof te Arnhem.

j. Het gerechtshof te Arnhem heeft vervolgens bij arrest van 9 augustus 2005 het vonnis in kort geding van 6 juli 1994 vernietigd voor zover dit was gewezen tussen [A.] en de maatschap en, opnieuw rechtdoende, de executie van het vonnis van de rechtbank Breda van 6 november 1990, gewezen tussen de maatschap als eiseres en [X.] als gedaagde, geschorst ten aanzien van [A.].

k. Aan het door de maatschap op 10 januari 1991 op het landgoed gelegde beslag is nimmer uitvoering gegeven. Dit beslag is door het faillissement van [X.] komen te vervallen. Het landgoed is tijdens het faillissement door de curator verkocht. De maatschap heeft haar vordering uit hoofde van het vonnis van 6 november 1990 in het faillissement ingediend doch geen uitkering uit het faillissement gekregen. De vordering is ook nadien nimmer voldaan of verhaald. De maatschap heeft na het – door het faillissement vervallen – executoriale beslag op het landgoed geen verdere executiemaatregelen getroffen.

l. Het huwelijk tussen [X.] en [A.] is op 30 november 2005 ontbonden. Terzake de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen zijn [X.] en [A.] overeengekomen dat aan [X.] zouden worden toebedeeld de baten en lasten van de gemeenschap met uitzondering van de privé rekeningen bij de Rabobank. Bij akte van 3 januari 2006 heeft [A.] ter uitvoering van die overeenkomst haar (aandeel in) vorderingen op de maatschap of een van de afzonderlijke vennoten van de maatschap in eigendom overgedragen aan [X.].

m. Bij exploot van 29 december 2006 hebben [X.] c.s. derdenverzet ingesteld tegen het vonnis van 6 november 1990. Bij vonnis van 6 februari 2008 (zaaknr.169667/ HA ZA 07-54) heeft de rechtbank Breda hen in dat verzet niet ontvankelijk verklaard omdat zij niet alle partijen bij het vonnis van 6 november 1990 in het verzet hadden gedagvaard. In het in die zaak door [X.] c.s. ingesteld hoger beroep (zaaknr. HD 200.006.838) zal eveneens heden uitspraak worden gedaan.

n. Bij dagvaarding van 24 november 2008 hebben [X.] c.s. opnieuw derdenverzet ingesteld in de onderhavige procedure.

o. Vanaf 21 juli 1993 zijn de toenmalige maten van de maatschap hun samenwerkingsverband van accountants en belastingadviseurs gaan voortzetten in een besloten vennootschap, aanvankelijk [Y.] .[B.].[C.] B.V. geheten, thans ESJ Accountants & Belastingadviseurs B.V.

p. De advocaat die zich voor de maatschap heeft gesteld heeft namens [Y.], [B.] en [C.] in privé verklaard dat zij het tussen hen en [X.] op 6 november 1990 gewezen vonnis niet ten laste van [A.] ten uitvoer zullen leggen en dat zij voor zoveel nodig afstand doen van hun recht om dat te doen (concl.v.antw. onder 10, concl.v.dupliek onder 3).

4.1.2. Bij het vonnis van 23 december 2009 heeft de rechtbank [X.] c.s. wederom in hun derdenverzet tegen het vonnis van 6 november 1990 niet ontvankelijk verklaard. De rechtbank overwoog (r.o. 3.3 vonnis) dat het vonnis van 6 november 1990 was gewezen tussen ‘[Y.], [B.] en [C.], tesamen in maatschapsverband handelende onder de naam Kantorengemeenschap [Y.]-[B.] en [C.]’ als eisers en [X.], JR Productions B.V., Music Tree B.V. en Rivo B.V. als gedaagden en dat [X.] c.s. door het dagvaarden van de maatschap niet de oorspronkelijke procespartijen [Y.], [B.] en [C.] hadden gedagvaard. Volgens de rechtbank was daarom niet voldaan aan het vereiste van art. 377 Rv dat het derdenverzet dient te worden ingesteld tegen alle partijen tussen wie het vonnis is gewezen.

4.1.3. De rechtbank overwoog in het bestreden vonnis verder (r.o. 3.4) dat [X.] c.s. ook niet ontvankelijk waren in het derdenverzet omdat zij een maatschap hadden gedagvaard die sedert 21 juli 1993 niet meer bestond. De rechtbank overwoog voorts (r.o. 3.5) dat de voor de (niet meer bestaande) maatschap verschenen advocaat geacht moest worden mede verweer te hebben gevoerd namens [Y.], [B.] en [C.] en veroordeelde [X.] c.s. in de proceskosten van [Y.], [B.] en [C.] (althans hun rechtsopvolgers

4.2.1. In grief I bestrijden [X.] c.s. het oordeel van de rechtbank dat de dagvaarding in het derdenverzet van de maatschap ontoereikend was als dagvaarding van de maten [Y.], [B.] en [C.].

4.2.2. Deze grief slaagt. Een maatschap kan, anders dan een vennootschap onder firma, niet als zodanig eisende en verwerende in rechte optreden doch dat sluit niet uit dat, indien door of tegen de maten van een maatschap een vordering in rechte wordt ingesteld, in die gevallen waarin de maatschap op een voor derden duidelijke wijze onder een bepaalde naam aan het rechtsverkeer deelneemt, in de dagvaarding die naam wordt vermeld in plaats van de namen van de afzonderlijke vennoten (HR 05-11-1976, LJN: AB7103, NJ 1977, 586). [X.] c.s. konden daarom in de dagvaarding van het derdenverzet volstaan met het dagvaarden van de maatschap ter aanduiding van de gezamenlijke vennoten die in het vonnis van 6 november 1990 met name zijn genoemd. Hieraan doet niet af dat de vennoten op enig moment hun samenwerking hebben voortgezet in een besloten vennootschap, aangezien dat niet met zich brengt dat de nieuwe vennootschap als rechtsopvolger onder algemene titel van de maatschap kan worden beschouwd. De ontbinding van de maatschap laat voorts onverlet dat de ontbonden maatschap (de gezamenlijke vennoten van de ontbonden maatschap) als toenmalige procespartij in het derdenverzet kon worden betrokken. De dagvaarding in het derdenverzet is namens de maatschap in ontvangst genomen en voor de maatschap heeft zich - ten behoeve van de maten – een advocaat heeft gesteld. Daarmee zijn de maten [Y.], [B.] en [C.] die partij waren bij het vonnis van 6 november 1990 in de procedure van het derdenverzet betrokken en verschenen. Het hof zal in navolging van [X.] c.s. deze maten blijven aanduiden als de maatschap.

4.3.1. Het slagen van grief I betekent dat het hof alsnog de andere door de maatschap aangevoerde en in eerste aanleg onbesproken weren dient te bespreken.

4.3.2. In de eerste plaats is dat het verweer dat [X.] partij was bij het vonnis van 6 november 1990 en dat hem daarom niet het rechtsmiddel van derdenverzet toekomt. Dat verweer is gegrond. Voor zover [X.] uit eigen hoofde derdenverzet heeft ingesteld is hij in het derdenverzet niet ontvankelijk, zodat het slagen van grief I in zoverre niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden.

4.3.3. Ten aanzien van [A.] heeft de maatschap voorts gesteld dat zij bij een derdenverzet geen belang meer heeft nu er tussen [X.] en haar geen huwelijksgoederengemeenschap meer bestaat en alle baten en lasten van de huwelijksgoederengemeenschap aan [X.] zijn toebedeeld. De maatschap heeft daaraan toegevoegd dat [Y.], [B.] en [C.] aan [A.] de toezegging hebben gedaan de tegen [X.] uitgesproken veroordeling niet ten laste van [A.] ten uitvoer te zullen leggen.

4.3.4. Het hof is met de maatschap van oordeel dat, gelet op voormelde omstandigheden, niet valt in te zien dat [A.] nog enig belang bij het derdenverzet heeft. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat, anders dan [X.] c.s. lijken te veronderstellen, het rechtsmiddel derdenverzet geen verdere strekking heeft dan dat een derde, die geen partij bij het vonnis is geweest maar die van een executie van het vonnis nadeel kan ondervinden, zich in zoverre tegen het vonnis kan verzetten. Door het rechtsmiddel derdenverzet kan niet worden bewerkstelligd dat – zoals [X.] c.s. vorderen - een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan verdergaand wordt gewijzigd dan nodig is ter voorkoming van benadeling van de derde in diens rechten. Voormelde strekking van het derdenverzet komt ook tot uitdrukking in het arrest van het hof Arnhem van 9 augustus 2005, waarin het hof Arnhem de executie van het vonnis van 6 november 1990 alleen ten aanzien van [A.] heeft geschorst.

4.3.5. Nu tot op heden geen tenuitvoerlegging van het vonnis van 6 november 1990 is gerealiseerd, tussen [X.] en [A.] geen huwelijksgoederengemeenschap meer bestaat zodat van uitwinning van enig gemeenschapsgoed ter voldoening van de schuld van [X.] uit het vonnis van 6 november 1990 geen sprake meer kan zijn, en de maatschap bovendien heeft toegezegd dat het vonnis in elk geval niet ten laste van [A.], respectievelijk niet op een tot haar vermogen behorend goed ten uitvoer zal worden gelegd, is onvoldoende gesteld en gebleken dat thans of ten tijde van het instellen van het derdenverzet nog sprake was van benadeling van [A.] in haar rechten door het vonnis van 6 november 1990. Voor zover het derdenverzet door [X.] c.s. is gedaan namens [A.] dient dit verzet om die reden te worden afgewezen.

4.4.1. Het voorgaande betekent dat de andere door de maatschap aangevoerde weren geen verdere bespreking behoeven en dat hetzelfde geldt voor grief II. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd onder verbetering in die zin dat [X.] c.s. niet ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vordering voor zover het derdenverzet mede door [X.] in persoon is ingesteld en dat die vordering zal worden afgewezen voor zover [X.] c.s. het verzet namens [A.] hebben gedaan.

4.4.2. [X.] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling van gronden en onder verbetering van het vonnis in die zin dat [X.] c.s. niet ontvankelijk worden verklaard in hun vordering voor zover deze door [X.] pro se is ingesteld en dat de vordering wordt afgewezen voor zover [X.] c.s. deze namens [A.] hebben gedaan;

veroordeelt [X.] c.s. in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van de maatschap tot op heden worden begroot op € 303,= aan verschotten en op € 1.708,= aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schaik-Veltman, Vriezen en Van der Flier en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 december 2010.