Home

Gerechtshof Leeuwarden, 20-12-2006, AZ5531, 0400506

Gerechtshof Leeuwarden, 20-12-2006, AZ5531, 0400506

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20 december 2006
Datum publicatie
3 januari 2007
ECLI
ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ5531
Zaaknummer
0400506

Inhoudsindicatie

Met betrekking tot de vordering tot afgifte overweegt het hof dat [appellant] niet op inzichtelijke wijze heeft aangegeven welke zaken van enige substantiële waarde hij thans nog onder zich heeft en die hij kan (af)geven aan de bank, terwijl zulks evenmin blijkt uit het in algemene termen gestelde en niet nader toegelichte overzichtje van zaken dat is gehecht aan de rapportage van Veilbos, op basis van welk overzicht wel kan worden geconcludeerd dat vele zaken zich niet meer onder [appellant] bevinden.

Nu [appellant] aldus de hem geboden kansen heeft laten liggen om in de procedure met toereikende nauwgezetheid aan te geven welke van de door hem gekochte zaken waarop het pandrecht van de bank rust, zich thans nog onder hem bevinden en welke de waarde is van elk van deze zaken, zal het hof ervan uitgaan dat [appellant] niet in staat en/of bereid is enige verpande zaak van enige substantiële waarde, aan de bank af te geven. Mitsdien zal de omvang van de door de bank wegens inbreuk op haar pandrecht geleden schade worden vastgesteld op de som van de waarden van de zaken zoals deze vermeld zijn in de koopovereenkomst die op 21 mei 2000 tot stand is gekomen tussen [naam appellant] Schilderwerken BV en [appellant]. Met het oog op dit laatste behoeft thans, in het kader van de eerder genoemde verklaring van recht, niet nader te worden ingegaan op de vraag of de zaken waarop het pandrecht van de bank rust, nog (alle) bestaan en zo ja, of de bank dit pandrecht nog kan tegenwerpen aan derden aan wie (een of meer) zaken zijn vervreemd, bij ontkennende beantwoording van welke vragen immers moet worden geconcludeerd dat het pandrecht op de onderwerpelijke zaken inmiddels verloren is gegaan, en kan worden volstaan met de verklaring dat het pandrecht op de thans relevante zaken rust dan wel heeft gerust.

Uitspraak

Arrest d.d. 20 december 2006

Rolnummer 0400506

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr H.A. van Beilen,

tegen

1. mr Willem Winkel, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam appellant] Schilderwerken B.V.

kantoorhoudende te Drachten,

2. de coöperatieve Rabobank Bergum-Oostermeer e.o. U.A.,

gevestigd te Bergum,

geïntimeerden in het principaal en appellanten in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: de curator en de bank,

procureur: mr R. Smit.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 31 mei 2006 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De curator en de bank hebben een akte ter rolle genomen, waarna [appellant] bij akte heeft geantwoord. Daarna hebben partijen de stukken andermaal gefourneerd voor arrest.

De verdere beoordeling

1. Aan de curator en de bank was opgedragen de toepasselijke Algemene voorwaarden voor verpanding van de Rabobankorganisatie 1994 in het geding te brengen. De curator en de bank hebben daaraan voldaan.

2. Uit art. 1 lid 1 sub i van deze voorwaarden volgt dat onder "inventaris" mede wordt verstaan - voor zover thans van belang - werktuigen, gereedschappen, apparatuur, al dan niet motorisch voortbewogen voertuigen en vervoermiddelen en verplaatsbare bouwwerken, die deel uitmaken of zullen gaan maken van het bedrijf. Op deze grondslag concluderen de curator en de bank dat de bank rechtsgeldig het pandrecht kan uitoefenen op de zaken die voorwerp waren van de koopovereenkomst tussen [naam appellant] Schilderwerken BV en [appellant].

3. In zijn daarna genomen akte heeft [appellant] zich te dezer zake gerefereerd aan de opvatting van het hof. Daarmede staat thans de juistheid vast van de conclusie van de curator en de bank zoals weergegeven in de tweede volzin van de vorige rechtsoverweging.

4. In zijn akte voert [appellant] voorts aan dat het hof, zijns inziens ten onrechte, hem als niet te goeder trouw heeft aangemerkt ten opzichte van (de afwezigheid van) een pandrecht op de door hem gekochte zaken. [appellant] wijst er in dat verband op dat hij bij herhaling heeft gesteld dat hij, anders dan blijkend uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen, niet de functie vervulde van "controller" en "financiëel manager".

5. In de eerste plaats wijst het hof erop dat het in r.o. 10 van het tussenarrest van 31 mei 2006 [appellant] heeft aangemerkt als niet te goeder trouw zijnde, en dat er in de stellingen van [appellant] niet is gebleken van een goede grond om thans op deze bindende eindbeslissing terug te komen. Doch ook inhoudelijk snijdt het bezwaar van [appellant] geen hout. Immers, daargelaten de aan de functie verbonden management-terminologie waartegen [appellant] bezwaar heeft geuit doch waaraan het hof geenszins een doorslaggevende betekenis toekent nu het immers gaat om de inhoud van de functie en niet om de titel, volgt uit de verklaring die [appellant] in prima als getuige heeft afgelegd, dat hij als administrateur tot taak had de administratie van het bedrijf van zijn vader te doen, welke functie naar zijn zeggen dezelfde bleef toen hij per 1 januari 2001 voor twee dagen in de week is gaan werken. Mitsdien kan [appellant], zoals reeds overwogen in het tussenarrest van 31 mei 2006, niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij dient te worden aangemerkt als zijnde te goeder trouw in de betekenis van art. 3:11 BW ten aanzien van (de door hem gestelde onbekendheid met) het pandrecht van de bank, waaraan het door [appellant] nog gestelde omtrent het inschakelen door [naam appellant] Beheer BV van externe administratieve, fiscale en adviserende dienstverlening en het geven van een volmacht aan een derde niet kan afdoen, en ontbeert hij mitsdien, mede op de gronden als in het tussenarrest van 31 mei 2006 reeds gegeven, de bescherming van art. 3:86 lid 2 BW.

6. Gelet op de bindende eindbeslissing in r.o. 8 van het tussenarrest van 26 oktober 2005 tot afwijzing van het door de curator en de bank primair gevorderde, is thans enkel nog de (gewijzigde) subsidiaire vordering aan de orde. Verkort weergegeven vorderen de curator en de bank thans nog (1) een verklaring van recht omtrent het bestaan van het door de curator en de bank gestelde pandrecht, alsmede (2) de afgifte van de verpande zaken aan de bank, zulks onder verbeurte van dwangsommen, en zo deze afgifte niet meer mogelijk zou zijn, subsidiair de afgifte aan de bank van de waarden van de zaken zoals aangegeven in de koopovereenkomst tussen [naam appellant] Schilderwerken BV en [appellant].

7. Aan [appellant] was opgedragen zich bij akte - gespecificeerd - uit te laten over - kort weergegeven - de vraag welke van de door hem gekochte "overige zaken" hij thans nog onder zich heeft, en wat de boekwaarde is van elke desbetreffende zaak (tot het totaal van fl. 25.156,--), alsmede wat destijds de door hem gestelde werkelijke waarde van elk van die zaken was, en waarop zulks berust. Bovendien diende [appellant] zich uit te laten over de eventuele achteruitgang in waarde van de desbetreffende zaken, alsmede wat de reden is van zodanige achteruitgang.

1. [appellant] heeft aan deze opdracht niet voldaan. Hij heeft volstaan met het overleggen van een taxatierapport van Veilbos, waarin melding wordt gedaan van de gebruikswaarde van de - inhoudelijk niet toereikend gespecificeerd omschreven - "bedrijfsinventaris" tot het bedrag van euro 3.650,-- en van de "kantoorinventaris" tot het bedrag van euro 600,--. Daarnaast blijkt uit dit taxatierapport dat de waardebepaling van de kantoor- en bedrijfsinventaris, zoals aangegeven op een lijst die aan Veilbos is verstrekt doch die niet aan het hof is overgelegd, in 2001 gewaardeerd dient te worden op euro 11.500,-- exclusief BTW. Het hof stelt vast dat dit bedrag correspondeert met fl. 25.342,67 , welk bedrag nagenoeg overeenstemt met de in de koopakte vastgelegde waarde van de inventaris. In de context van het vorenoverwogene dient ervan te worden uitgegaan dat Veilbos aldus de waarde in 2001 heeft bevestigd van de inventaris waarop de bank het pandrecht heeft.

9. In r.o. 2.4 van het vonnis d.d. 14 januari 2004 heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat de koopprijs van de verkochte zaken in overeenstemming is met de waarde daarvan, tegen welke overweging [appellant] geen expliciete grief heeft gericht. Niettemin is het hof op het punt van de (werkelijke) waarde van de desbetreffende tot de inventaris behorende zaken nader ingegaan, nu uit de toelichting op grief 4 (i.f.) volgt dat [appellant] de waarde van de betreffende zaken ook in het hoger beroep opnieuw aan de orde wenste te stellen. Nu [appellant] evenwel geen behoorlijk in het geding naar voren gebrachte klacht heeft geformuleerd op het punt van de door de rechtbank aangenomen waarde van de vervoersmiddelen, dient hiervan ook in hoger beroep als juist te worden uitgegaan. Insgelijks kan thans worden vastgesteld dat het laatstgenoemde ook geldt op het punt van de waarde van de bedrijfs- en kantoorinventaris, nu de door [appellant] ingeschakelde taxateur komt tot een bedrag dat in 2001 zelfs iets hoger is dan het contractueel vastgelegde bedrag ad fl. 25.156,--.

10. Op grond van al het bovenoverwoge concludeert het hof dat de in r.o. 6 genoemde verklaring van recht kan worden gegeven. Daarin ligt tevens besloten dat het achterhouden (en de daaraan inherente achteruitgang in waarde) en het vervreemden door [appellant] van zaken waarop de bank een pandrecht kan doen gelden, jegens de bank als onrechtmatig - want inbreuk makend op het absoluut te handhaven recht van de bank - heeft te gelden.

11. Met betrekking tot de vordering tot afgifte overweegt het hof dat [appellant] niet op inzichtelijke wijze heeft aangegeven welke zaken van enige substantiële waarde hij thans nog onder zich heeft en die hij kan (af)geven aan de bank, terwijl zulks evenmin blijkt uit het in algemene termen gestelde en niet nader toegelichte overzichtje van zaken dat is gehecht aan de rapportage van Veilbos, op basis van welk overzicht wel kan worden geconcludeerd dat vele zaken zich niet meer onder [appellant] bevinden.

12. Nu [appellant] aldus de hem geboden kansen heeft laten liggen om in de procedure met toereikende nauwgezetheid aan te geven welke van de door hem gekochte zaken waarop het pandrecht van de bank rust, zich thans nog onder hem bevinden en welke de waarde is van elk van deze zaken, zal het hof ervan uitgaan dat [appellant] niet in staat en/of bereid is enige verpande zaak van enige substantiële waarde, aan de bank af te geven. Mitsdien zal de omvang van de door de bank wegens inbreuk op haar pandrecht geleden schade worden vastgesteld op de som van de waarden van de zaken zoals deze vermeld zijn in de koopovereenkomst die op 21 mei 2000 tot stand is gekomen tussen [naam appellant] Schilderwerken BV en [appellant]. Met het oog op dit laatste behoeft thans, in het kader van de eerder genoemde verklaring van recht, niet nader te worden ingegaan op de vraag of de zaken waarop het pandrecht van de bank rust, nog (alle) bestaan en zo ja, of de bank dit pandrecht nog kan tegenwerpen aan derden aan wie (een of meer) zaken zijn vervreemd, bij ontkennende beantwoording van welke vragen immers moet worden geconcludeerd dat het pandrecht op de onderwerpelijke zaken inmiddels verloren is gegaan, en kan worden volstaan met de verklaring dat het pandrecht op de thans relevante zaken rust dan wel heeft gerust.

13. Waar [appellant] in zijn laatstgenomen akte nog een beroep op verrekening heeft gedaan met zijn vorderingen op de failliete vennootschap, kan zodanig beroep [appellant] niet baten nu het thans gaat om een vordering die toekomt aan de bank.

De conclusie in het principaal appel:

14. Het bovenoverwogene leidt ertoe dat het vonnis d.d. 28 juli 2004, waarin het van [appellant] primair gevorderde aan de curator is toegewezen, in zoverre dient te worden vernietigd. De door de curator en de bank subsidiair gevorderde verklaring van recht zal ten behoeve van de bank kunnen worden verleend zoals deze is gevorderd. Ook de veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag in hoofdsom ad euro 20.085,22 (fl. 44.262,--) dient op de gronden als voormeld omschreven te worden toegewezen aan de bank, en voor het overige missen de grieven gericht tegen genoemd vonnis en het daaraan voorafgaande vonnis d.d. 14 januari 2004 waarin [appellant] tot betaling van een gelijk bedrag aan de curator is veroordeeld, in het licht van het bovenoverwogene doel, zodat deze grieven thans verder geen afzonderlijke bespreking behoeven.

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het beroep.

In het incidenteel appel:

15. De incidentele grief van de curator en de bank is gericht tegen de (eind)beslissing van de rechtbank in haar vonnis d.d. 14 januari 2004 tot afwijzing van de gevorderde vergoeding wegens buitengerechtelijk gemaakte kosten en, naar het hof uit de stellingen van de curator en de bank begrijpt, tot de daarop voortbouwende afwijzing van deze vordering in het dictum van het eindvonnis.

16. Het hof overweegt hieromtrent dat de curator en de bank, bij gelegenheid van de comparitie in prima, hebben aangegeven dat zij, tezamen met hun raadsman, in totaal zeven brieven hebben gezonden aan [appellant], zulks - voor zover twee van deze brieven niet reeds waren erkend door [appellant] - onder opgave van de data van verzending. In dat verband voeren zij aan - in essentie weergegeven - dat het maken van buitengerechtelijke kosten tot het door hen gevorderde bedrag ad euro 1.188,-- de dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 BW kan doorstaan, en dat deze kosten niet geacht moeten worden te zijn begrepen in de vergoeding op basis van het gebruikelijke liquidatietarief.

17. [appellant] heeft in zijn memorie van antwoord in het incidenteel appel, voor zover voor de beslissing op het gevorderde relevant, betwist dat er aan de zijde van de curator en de bank sprake is geweest van meer dan "enkele briefjes" en heeft voorts aangevoerd dat een specificatie van de kosten ontbreekt. In dat verband heeft [appellant] aangevoerd dat het schrijven van enkele sommatiebrieven valt onder de vergoeding voor proceskosten, en dat daarnaast het ontbreken van een deugdelijke specificatie in de weg staat aan toewijzing.

18. Naar het oordeel van het hof berusten de stelplicht en - bij ontkenning - de bewijslast omtrent het bestaan van voor vergoeding in aanmerking komende buitengerechtelijke kosten op de curator en de bank. Nu de curator en de bank ook in hoger beroep de kosten niet nader hebben gespecificeerd en voorts (het merendeel van) de gestelde brieven niet in de procedure hebben overgelegd, zulks terwijl het hof in het duister tast omtrent de inhoud ervan, ontbreekt het aan toereikende feiten of omstandigheden die, indien bewezen, zouden kunnen leiden tot het oordeel dat de curator en de bank aanspraak kunnen maken op vergoeding van buitengerechtelijke kosten tot het gevorderde bedrag.

19. De grief mist derhalve doel, terwijl het honoreren van een bewijsaanbod in het licht van het voorgaande niet aan de orde is. Het incidenteel beroep zal worden verworpen. Als de in het ongelijk te stellen partij dienen de curator en de bank de kosten van het incidenteel appel te dragen.

In het principaal en incidenteel appel:

20. Voor zover partijen thans over en weer bedragen aan elkaar zijn verschuldigd, komen deze bedragen tot hun gemeenschappelijk beloop voor verrekening in aanmerking. In dat licht mist [appellant], die in omvang de geringste vordering heeft, belang bij de gevorderde veroordeling in het incidenteel appel tot hoofdelijke betaling door de curator en de bank.

21. Hetgeen partijen verder nog te berde hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds vervat dan wel als niet ter zake dienende, buiten bespreking blijven.

De beslissing

Het gerechtshof:

In het principaal appel:

I. vernietigt de vonnissen d.d. 14 januari 2004 en 28 juli 2004, waarvan beroep, voorzover daarin aan de curator een bedrag ad euro 20.085,22 in hoofdsom is toegewezen;

en opnieuw rechtdoende:

II. verklaart voor recht dat het pandrecht van de bank rust - althans heeft gerust - op de in de koopovereenkomst tussen [appellant] en [naam appellant] Schilderwerken BV d.d. 21 mei 2000 bedoelde zaken;

III. veroordeelt [appellant] om tegen bewijs van kwijting aan de bank te betalen een bedrag groot euro 20.085,22 (zegge twintigduizend vijfentachtig Euro 22/100), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2002 tot aan de dag van algehele voldoening;

IV. veroordeelt [appellant] in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator en de bank als volgt te begroten:

in prima: euro 445,18 aan verschotten en euro 1.500,-- voor salaris;

in het principaal appel: euro 605,-- aan verschotten en euro 2.316,-- voor salaris (tarief III, 2 punten);

V. wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

In het incidenteel appel:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de curator en de bank in de kosten van het incidenteel appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] te begroten op nihil aan verschotten en euro 316,-- voor salaris (tarief I, 1 punt x 0,5), en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs Knijp, voorzitter, Bax-Stegenga en Kuiper, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 20 december 2006.