Home

Gerechtshof Amsterdam, 11-10-2012, BY2299, 11/00760

Gerechtshof Amsterdam, 11-10-2012, BY2299, 11/00760

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11 oktober 2012
Datum publicatie
7 november 2012
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2299
Formele relaties
Zaaknummer
11/00760

Inhoudsindicatie

Ten aanzien van twee van de elf aangiften moet de navordering achterwege blijven omdat er sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten omdat zij bij de controle aan de hand van bescheiden hadden kunnen zien dat de ingevoerde knoflook van circa -1,5°C niet voldeed aan de grens van -7°C die de inspecteur hanteert voor de kwalificatie bevroren knoflook. Het doorlaten van de goederen na een containerscan vormt in onderhavige situatie geen vergissing. Het gelijkheids-, rechtszekerheids- noch het zorgvuldigheidsbeginsel is in deze zaak geschonden. Het Hof gaat in de onderhavige zaak voorbij aan de vermelding van een onjuist jaartal in het aangiftenummer.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00760

11 oktober 2012

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[A] B.V., te [P], belanghebbende,

Gemachtigde: mr. M.C. van de Leur,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 09/4180 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Rotterdam Rijnmond,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 13 november 2007 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (hierna: UTB) uitgereikt voor een totaalbedrag van € 152.256,05, met betrekking tot 11 aangiften ten invoer gedaan in de periode van 17 november 2004 tot en met 26 juli 2006. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 15 juli 2009, de UTB gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 18 augustus 2011 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 27 augustus 2011 per post, aangevuld bij brief van 15 november 2011. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. In de periode 12 november 2004 tot en met 26 juli 2006 heeft eiseres 11 aangiften ten invoer gedaan voor het vrije verkeer van knoflooktenen met als goederenomschrijving “bevroren knoflook”, onder vermelding van goederencode 0710 8095 80 (bevroren knoflook). De aangiften betreffen knoflooktenen met een temperatuur van circa -1,5 graden Celsius.

2.2. Op 9 oktober 2006, op 4 december 2006 en op 6 april 2007 is, op grond van artikel 78, tweede lid, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW), een controle na invoer uitgevoerd. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de inspecteur de knoflooktenen ingedeeld in onderverdeling 0703 20 00 (knoflook, vers of gekoeld) van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN) en de in geschil zijnde UTB ’s uitgereikt voor de volgende aangiften:

Aangiftnr. Aanvaarding Einde verificatie Controle Correctie

1. […] 04 00003356 12-11-2004 17-11-2004 geen € 8.852,42

2. […] 04 00003421 16-12-2004 16-12-2004 geen € 8.857,35

3. […] 05 00003497 20-01-2005 20-01-2005 geen € 9.444,12

4. […] 05 00003553 18-02-2005 18-02-2005 geen € 12.809,35

5. […] 05 00003656 08-04-2005 08-04-2005 containerscan € 12.985,69

6. […] 05 00003671 15-04-2005 15-04-2005 geen € 12.985,69

7. […] 05 00003767 27-05-2005 30-05-2005 a.h.v. bescheiden € 30.117,07

8. […] 06 00004376 09-02-2006 09-02-2006 containerscan € 14.116,17

9. […] 06 00004438 30-03-2006 30-03-2006 geen € 13.828,61

10. […] 06 00004561 16-06-2006 16-06-2006 a.h.v. bescheiden € 14.132,10

11. […] 06 00004654 26-07-2006 26-07-2006 geen € 14.127,49

In het hiernavolgende zal het Hof deze aangiften aanduiden met de laatste vier cijfers van het aangiftenummer.

2.3. Tot de stukken van het geding behoort een controlerapport met dagtekening 23 mei 2007. In dit rapport is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“2.1 Indeling van goederen

(...)

De knoflook is aangevoerd met containers uit China en uit de overgelegde Bills of lading blijkt dat de knoflook vervoerd is met een temperatuur van -0,5°C, -1°C of -1,5°C.

In het boekwerk Heffingen bij invoer, Deel III, wordt in de GS-toelichting een definitie gegeven wat wordt verstaan onder bevroren. Dit is “een product dat is afgekoeld tot onder het vriespunt, totdat het door en door bevroren is”.

Een voorbeeld over gekoeld geeft aan dat producten zelfs bij -10°C nog steeds worden beschouwd als “gekoeld”.

In overleg met het Douanelaboratorium te Amsterdam is vastgesteld dat er geen sprake is van “bevoren” als knoflook onder een temperatuur van -0,5°C, -1°C of -1,5°C wordt vervoerd, maar dat er sprake is van gekoeld.

Op basis van het vorenstaande moet de knoflook dan ook ingedeeld worden onder goederencode 0703 2000 met een douanerecht van 9,6% + € 120 per 100 kg.

(...)”

3. Geschil in hoger beroep

3.1. Primair is in geschil is of navordering achterwege had moeten blijven omdat de voorwaarden van artikel 220, tweede lid, aanhef en letter b, van het CDW zijn vervuld, hetgeen belanghebbende stelt doch de inspecteur bestrijdt.

3.2. Voor zover het gelijk met betrekking tot 3.1 aan de inspecteur is, is in geschil of navordering achterwege had moeten blijven omdat is gehandeld in strijd met het gelijkheids-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, hetgeen belanghebbende stelt, doch de inspecteur bestrijdt.

3.3. Zo het gelijk met betrekking tot 3.1 en 3.2 aan de inspecteur is, is in geschil of de onjuiste jaaraanduiding in vier van de elf op het aanslagbiljet vermelde aangiftenummers, er toe dient te leiden dat de uitnodiging tot betaling ten aanzien van deze vier aangiften dient te worden vernietigd, hetgeen belanghebbende stelt, doch de inspecteur bestrijdt.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van zitting.

5. De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil het volgende overwogen.

“5.1. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie beoogt artikel 220, tweede lid, aanhef, sub b, van het CDW de bescherming van gewettigd vertrouwen van de douaneschuldenaar (in de juistheid van alle factoren die een rol spelen bij het besluit om al dan niet tot boeking achteraf van invoerrechten over te gaan). Op grond van deze bepaling wordt niet overgegaan tot boeking achteraf van invoerrechten indien de volgende drie, cumulatieve voorwaarden zijn vervuld: het niet heffen van de rechten is te wijten aan een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf; de vergissing is van dien aard dat zij door een douaneschuldenaar die te goeder trouw is, redelijkerwijze niet kon worden ontdekt en de douaneschuldenaar heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte voldaan. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 27 juni 1991, C-348/89, inzake Mecanarte, volgt dat vergissingen inzake de uitlegging of de toepassing van de voorschriften betreffende de rechten bij invoer of bij uitvoer, die de belastingschuldige niet redelijkerwijze kon ontdekken, alle vergissingen omvatten, wanneer zij het gevolg zijn van een actieve gedraging. Op eiseres (Hof: belanghebbende) rust de bewijslast haar stelling aannemelijk te maken dat de voorwaarden zijn vervuld.

5.2. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er sprake is van een vergissing door de bevoegde autoriteiten. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en motiveert dit als volgt.

5.3.1. Allereerst is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een actieve standpuntbepaling ten aanzien van de indeling van het onderhavige product wanneer het product is gecontroleerd via een containerscan. Bij de scan gaat de vrachtwagen waarin de goederen zijn geladen door een zogenoemde scanstraat. Daarbij wordt de lading tamelijk goed zichtbaar. De rechtbank volgt verweerder (Hof: de inspecteur) in zijn standpunt dat bij een containerscan primair wordt gecontroleerd of sprake is van smokkel; of aannemelijk is dat (enkel) de aangegeven goederen in de container aanwezig zijn. De scan kent echter beperkingen doordat controle alleen plaatsvindt aan de hand van beelden. Verweerder heeft niet dan wel onvoldoende weersproken gesteld dat de scan niet geschikt is om goederen in te delen in het tarief en dat de scan daartoe dan ook niet wordt gebruikt. Voorts heeft verweerder niet dan wel onvoldoende weersproken gesteld dat de scan een hulpmiddel is ten behoeve van de stopfunctie van de douane. De mededeling van het Ministerie van Financiën is in die zin bedoeld. De rechtbank volgt verweerder hierin. De scan geeft over de indeling in het tarief dus geen uitsluitsel en er is geen sprake van een actieve standpuntbepaling.

5.3.2. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de aangifte eindigend op nummer 4486 buiten werking is gesteld, dat de aangifte eindigend op nummer 4487 is gecontroleerd door de Voedsel- en Warenautoriteit en dat van de aangifte eindigend op nummer 4561 slechts de bescheiden zijn gecontroleerd. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze drie aangiften fysiek door verweerder zijn gecontroleerd. Er heeft in die gevallen dan ook geen actieve standpuntbepaling ten aanzien van de indeling van het product plaatsgehad.

Voorts volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat het product bij de controle van de aangifte eindigend op nummer 4687, door een fout bij de monstername, niet is beoordeeld in zijn (oorspronkelijk) aangeleverde staat. Hier is weliswaar sprake van een vergissing van verweerder maar één die eiseres redelijkerwijze had kunnen ontdekken. Eiseres had namelijk kunnen en moeten beseffen dat hier sprake was van een vergissing nu het laboratorium kennelijk is uitgegaan van knoflook met een temperatuur van –18 graden Celcius. Onder die omstandigheden is geen sprake van gewekt vertrouwen en is de inspecteur niet gehouden op grond van artiel 220 CDW af te zien van navordering.

5.3.3. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval het accepteren van de aangegeven GN-code na een controle van de bescheiden evenmin een vergissing vormt in de zin van artikel 220 CDW. Het vereiste dat de belastingschuldige bij zijn douaneaangifte heeft "voldaan aan alle voorschriften van de geldende regeling", moet worden geacht te zijn vervuld, wanneer de goederen te goeder trouw onder een verkeerde tariefpost zijn aangegeven, deze tariefpost duidelijk en uitdrukkelijk is vermeld tezamen met de omschrijving van de betrokken goederen, zodat de bevoegde douaneautoriteiten onmiddellijk en met zekerheid hadden moeten vaststellen dat het niet de juiste tariefpost was (vgl. het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 1 april 1993, Société Hewlett-Packard France, C-250/91). In deze zaak kan niet worden gezegd dat, gelet op de omschrijving van de betrokken goederen in de bescheiden, de bevoegde douaneautoriteiten aan de hand daarvan onmiddellijk en met zekerheid hadden moeten vaststellen, dat een onjuiste tariefpost was aangegeven.

Het van toepassing zijnde criterium: ‘onmiddellijk en met zekerheid’ heeft betrekking op vergissingen die in één oogopslag duidelijk moeten zijn. Het accepteren van een aangifte van knoflooktenen met een temperatuur van minder dan 0 graden Celcius – de temperatuur waarbij water bevriest – onder de GN-code ‘bevroren knoflooktenen’, kan niet onder deze door het HvJ EU bedoelde situatie worden begrepen. Van een douaneambtenaar, die alleen een bescheiden controle doet, mag niet worden verwacht dat het hem – zonder nader onderzoek – onmiddellijk en met zekerheid duidelijk is dat knoflook met een temperatuur van – ½ tot –1½ graad Celsius, niet als bevroren kan worden aangemerkt. Aan het voorgaande wordt niet afgedaan door het feit dat op de bill of lading de temperatuur staat vermeld waaronder het product is vervoerd, zijnde een temperatuur van – ½ tot –1½ graad Celsius.

5.4. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er geen sprake is van actieve standpuntbepaling die een vergissing in de zin van artikel 220 CDW vormt.

5.5. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de vraag of sprake is van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, behoeven de overige stellingen aangaande artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW geen behandeling meer.

5.6. Eiseres heeft zich in repliek subsidiair op het standpunt gesteld dat de utb voor vier van de elf invoeraangiften ten onrechte is opgelegd omdat daarvan in de utb de onjuiste nummers zijn vermeld. Als jaar van aangifte staat vermeld 2004 in plaats van 2005.

5.7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hierbij sprake is van een verschrijving die eiseres eerst heeft opgemerkt nadat daarvan in het verweerschrift melding is gemaakt. Van begin af aan is eiseres duidelijk geweest welke aangiften in de utb zijn betrokken.

5.8. De rechtbank is van oordeel dat deze grief eiseres niet kan baten. Er is in dit geval sprake van een kenbare vergissing waaraan de rechtbank met analoge toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht voorbijgaat, nu eiseres hierdoor niet is benadeeld. Dit leidt de rechtbank af uit het feit dat eiseres de grief pas heeft ingebracht nadat zij door verweerder op de verschrijving was gewezen. Het was eiseres van meet af aan duidelijk welke aangiften waren begrepen in de utb. Gelet hierop ziet de rechtbank geen reden de utb te verminderen.”.

6. Beoordeling van het geschil

Artikel 220, tweede lid, aanhef en letter,b CDW

6.1. Het Hof stelt voorop dat de inspecteur, op grond van artikel 220, tweede lid, aanhef en letter b, CDW, gehouden is af te zien van navordering, indien drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld: (1) sprake moet zijn van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf, (2) die de belastingschuldige, die te goeder trouw is, redelijkerwijze niet kon ontdekken en (3) de belastingschuldige heeft voldaan aan alle voorschriften inzake de douaneaangifte. Het ligt op de weg van belanghebbende om, bij betwisting door de inspecteur, aannemelijk te maken dat deze voorwaarden zijn vervuld.

6.2. De inspecteur heeft voor alle aangiften gemotiveerd betwist dat sprake is van een vergissing. Ter onderbouwing van haar stelling dat wel sprake is van een vergissing van de inspecteur, heeft belanghebbende in haar appelschrift gewezen op de behandeling van de aangiften 3656, 3767, 4376, 4519 en 4687.

6.2.1. De containers welke zijn aangegeven met de aangiften 3656 en 4376 zijn door de douane geïnspecteerd met behulp van een containerscan in het kader van de zgn. “stop-functie” van de douane. Naar de inspecteur ter zitting onweersproken heeft gesteld is op een containerscan niet zichtbaar wat de temperatuur is van goederen welke zich in de container bevinden. Nu de betreffende aangiften overigens niet aan enige verificatie zijn onderworpen dient naar ’s Hofs oordeel reeds om die reden de stelling dat de inspecteur zich bij de behandeling van deze aangiften heeft vergist in de zin van artikel 220 CDW, te worden verworpen.

6.2.2. Aangifte 4519 maakt geen deel uit van de bestreden navordering. Voormelde aangifte is aanvaard op 18 mei 2006, doch de verificatie is pas op 14 december 2006 beëindigd. Gelet op deze omstandigheid is aangifte 4519 niet van betekenis voor de beoordeling of de inspecteur zich heeft vergist ten aanzien van de onderwerpelijke 11 aangiften, welke zijn aanvaard in de periode12 november 2004 tot en met 26 juli 2006, nog daargelaten dat bij de beëindiging van de verificatie de tariefpost is gecorrigeerd van post 0710 (bevroren) naar 0703 (gekoeld).

6.2.3. Aangifte 4687 maakt geen deel uit van de bestreden navordering. Voormelde aangifte is ingediend op 10 augustus 2006, derhalve eerst nádat de aangiften zijn ingediend welke onderwerp vormen van de bestreden navordering. Reeds om die reden is deze aangifte niet van betekenis voor de beoordeling of de inspecteur zich heeft vergist ten aanzien van de 11 aangiften welke het onderwerp van de bestreden navordering zijn.

6.2.4. Aangifte 3767 is geverifieerd aan de hand van bescheiden. Deze verificatie heeft niet geleid tot een correctie van de aangegeven tariefpost 0710 (bevroren). Naar ’s Hofs oordeel heeft de inspecteur zich daarmee vergist in de zin van artikel 220 CDW. Het Hof overweegt ter zake als volgt. Blijkens het onder 2.3 aangehaalde controlerapport is de bestreden navordering, voor alle betrokken aangiften, uitsluitend gebaseerd op de vervoerstemperatuur welke op de bills of lading is vermeld. De inspecteur heeft ter zitting uitdrukkelijk bevestigd dat deze vrachtpapieren ook bij aangifte 3767 zijn overgelegd ten behoeve van de verificatie. De inspecteur heeft ter zitting daarenboven gesteld dat hij ten tijde van de onderwerpelijke invoeren een grens van -7°C hanteerde voor de kwalificatie van knoflook als “bevroren”. Naar ’s Hofs oordeel had, gelet op deze omstandigheden, de onjuiste tariefindeling reeds bij de verificatie van aangifte 3767 op eenvoudige wijze onderkend kunnen worden.

Hetzelfde heeft te gelden voor aangifte 4561, welke aangifte - naar de inspecteur in zijn pleitnota uitdrukkelijk heeft bevestigd - eveneens is geverifieerd aan de hand van bescheiden.

6.2.5. Naar ’s Hofs oordeel kan, anders dan belanghebbende bepleit, aan het vorenoverwogene niet de gevolgtrekking worden verbonden dat de inspecteur zich ten aanzien van alle aangiften heeft vergist. Het Hof volgt belanghebbende evenmin in haar stelling dat een begane vergissing bij de behandeling van één aangifte doorwerkt alle in daarop volgende aangiften. Deze stelling vindt geen steun in het recht, ook niet in het door belanghebbende aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009, 07/10290 (LJN BD4373).

6.3. De inspecteur heeft voor het Hof niet betwist dat de overige voorwaarden voor toepassing van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW zijn vervuld, zodat ten aanzien van de aangiften 3767 en 4561 is voldaan aan alle onder 6.1 genoemde voorwaarden voor het afzien van navordering.

Gelijkheids-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel

6.4. In haar indelingsverordening 902/2007 van 27 juli 2007 heeft de Europese Commissie verduidelijkt dat knoflook op een temperatuur tussen 0°C en -5°C als ‘gekoelde knoflook’ onder post 0703 moet worden ingedeeld, omdat deze niet geheel bevroren is. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur het gelijkheids-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door een controle na de invoer in te stellen nadat de indelingskwestie reeds was aangekaart bij de Europese Commissie en door de indelingsverordening met terugwerkende kracht toe te passen op de onderwerpelijke aangiften. Het Hof overweegt ter zake als volgt. De omstandigheid dat een indelingskwestie door een lidstaat bij de Europese Commissie is aangekaart, vormt geen beletsel voor het instellen van administratieve nacontroles op de betreffende goederensoort. Uit de dagtekening van het controlerapport volgt dat de inspecteur zijn controle reeds heeft afgerond op 23 mei 2007. Blijkens de onder 2.3 aangehaalde tekst van dit rapport was de inspecteur op genoemde datum, ruim twee maanden voor de publicatie van de verordening, de mening toegedaan dat knoflook met een temperatuur van -0,5°C, -1°C of -1,5°C niet als “bevroren” kan worden aangemerkt. De stelling dat de inspecteur de verordening met terugwerkende kracht heeft toegepast mist daarmee feitelijke grondslag, nog daargelaten dat op het aanslagbiljet op geen enkele wijze wordt gerefereerd aan verordening 902/2007. Ook anderszins is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een schending van het gelijkheids-, rechtszekerheids- of zorgvuldigheidsbeginsel.

6.5. Uit de vaststelling van verordening 902/2007 kan worden afgeleid dat in de Europese Unie sprake is geweest van onjuiste tariefindeling van knoflook met een temperatuur van 0°C tot -5°C . Dat in andere lidstaten sprake is geweest van dergelijke onjuistheden blijkt tevens uit de door belanghebbende aangehaalde Belgische en Duitse bindende tariefinlichtingen. Voor zover het betoog van belanghebbende aldus moet worden verstaan dat een schending van het gelijkheidsbeginsel is gelegen in de afwijkende behandeling van andere aangevers in andere lidstaten, dient dit beroep te worden verworpen, reeds omdat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie een met de gemeenschapsregeling strijdige praktijk van een lidstaat nooit tot het ontstaan van een door het gemeenschapsrecht beschermde rechtspositie kan leiden (HvJ 15 december 1982, zaak 5/82, Maizena, Jurispr. 1982 blz. 04601, alsmede HvJ 26 april 1988, zaak 316/86, Krücken, Jurispr. 1988 blz. 02213).

Vermelding onjuiste aangiftenummers

6.6. Belanghebbende heeft gesteld dat de UTB voor vier van de elf aangiften dient te worden vernietigd, omdat voor deze aangiften in zowel het controlerapport als het aanslagbiljet het jaar 2004 als jaar van aangifte staat vermeld in plaats van het jaar 2005. Het betreft de volgende aangiften:

00002786800 05 00003497

00002786800 05 00003553

00002786800 05 00003656

00002786800 05 00003671

Het Hof overweegt ter zake als volgt. Tot de stukken van het geding behoren lijsten met de nummers van te controleren aangiften, welke de inspecteur voorafgaand aan de controle aan belanghebbende heeft toegezonden. Op genoemde lijsten zijn de voormelde aangiften met de juiste jaaraanduiding (05) vermeld. In haar bezwaarschrift beschrijft belanghebbende van alle aangiften, ook de voormelde aangiften, op welke wijze deze door de douane zijn gecontroleerd. Zij gaat daarbij gedetailleerd in op de afhandeling van aangifte 3656.

In haar beroepschrift bij de rechtbank heeft belanghebbende de jaaraanduiding van de aangiften 3656 en 3671 uit eigen beweging en zonder enig commentaar gecorrigeerd van 04 naar 05. Noch in haar bezwaarschrift, noch in haar beroepschrift heeft belanghebbende gesteld dat haar niet duidelijk zou zijn op welke aangiften de bestreden UTB betrekking heeft. Onder deze omstandigheden kan naar ’s Hofs oordeel aan de verschrijving in de motivering van de UTB voorbij worden gegaan, voorzover nodig met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Slotsom

6.7. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

7. Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Awb. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit)

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: € 161 voor de bezwaarprocedure, 2,5 [beroepschrift, repliek, mondelinge behandeling] x € 322 x 1,5 = € 1.207,50 voor de procedure bij de rechtbank en 2 [hogerberoepschrift en mondelinge behandeling] x € 437 x 1,5 = € 1.311 voor het hoger beroep, in totaal € 2.679,50.

Ook het griffierecht in beide instanties (€ 297 + € 454 = € 751) dient aan belanghebbende te worden vergoed.

8. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de UTB met € 44.249,17 tot € 108.006,88;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.679,50;

- gelast de inspecteur/de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 297 (beroep bij de rechtbank) en € 454 (hoger beroep bij het Hof), in totaal €751 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, B.A. van Brummelen en S.T.M. Beelen, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van R.J.M. Bosch als griffier. De beslissing is op 11 oktober 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.