Home

Raad van State, 15-12-2021, ECLI:NL:RVS:2021:2849, 201906190/1/R4

Raad van State, 15-12-2021, ECLI:NL:RVS:2021:2849, 201906190/1/R4

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15 december 2021
Datum publicatie
16 december 2021
ECLI
ECLI:NL:RVS:2021:2849
Zaaknummer
201906190/1/R4

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2019 heeft de raad van de gemeente Maasdriel het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2016" vastgesteld. Het bestemmingsplan heeft betrekking op nagenoeg het gehele buitengebied van de gemeente Maasdriel. Casarca is eigenaar van het perceel Lange Weisteeg 3 in Ammerzoden. Zij heeft dit perceel op 18 september 2019 aangekocht. Dat was na de vaststelling van het bestemmingsplan op 26 juni 2019. De leveringsakte werd op 25 september 2019 gepasseerd. Op het perceel werd voorheen een champignonkwekerij geëxploiteerd. De daarvoor benodigde bebouwing is nog op het perceel aanwezig. Ook is op het perceel een tunnelgebouw aanwezig voor het maken van substraat voor de champignonteelt. Casarca wil de voorheen bestaande bedrijfsvoering weer opstarten. Zij kan zich niet verenigen met de bestemmingsregeling voor het perceel en heeft hierover verschillende beroepsgronden ingediend.

Uitspraak

201906190/1/R4.

Datum uitspraak: 15 december 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       Casarca B.V., gevestigd te Ammerzoden, gemeente Maasdriel,

2.       [appellante sub 2], gevestigd te Hoenzadriel, gemeente Maasdriel, en [appellant sub 2], wonende te Hoenzadriel (hierna tezamen in enkelvoud: [appellante sub 2]),

3.       [appellante sub 3], gevestigd te Hurwenen, gemeente Maasdriel,

4.       Stichting Dorp en Landschap Bommelerwaard, gevestigd te Maasdriel,

5.       [appellant sub 5], wonend te Rossum, gemeente Maasdriel,

6.       Stichting Fijn Wonen Schoofbandweg, gevestigd te Rossum,

7.       [appellante sub 7], wonend te Hedel, gemeente Maasdriel,

8.       [appellant sub 8] en anderen, allen wonend te Hoenzadriel,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Maasdriel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2019 heeft de raad het bestemmingsplan

"Buitengebied herziening 2016" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19, 20 en 21 april 2021, waar verschillende partijen zijn verschenen en/of zich hebben laten vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich laten vertegenwoordigen.

Na de zitting zijn een aantal beroepen tegen het plan afgesplitst en voortgezet onder andere zaaknummers. In die beroepen is eerder uitspraak gedaan. De beroepen van de op het voorblad vermelde appellanten hebben het oorspronkelijke zaaknummer (201906190/1/R4) behouden.

Overwegingen

Bijlage

1.       Bij deze uitspraak is een bijlage gevoegd. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Het plan

2.       Het bij besluit van 26 juni 2019 vastgestelde bestemmingsplan heeft betrekking op nagenoeg het gehele buitengebied van de gemeente Maasdriel.

Toetsingskader

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Opbouw uitspraak

4.       De verdere opbouw van de uitspraak is als volgt, met tussen haakjes de nummers van de overwegingen.

- Het beroep van Casarca (5 t/m 5.12);

- Het beroep van [appellante sub 2] (6 t/m 8);

- Het beroep van [appellante sub 3] (9 t/m 13);

- Het beroep van Stichting Dorp en Landschap (14 t/m 20);

- De beroepen van [appellant sub 5] en Stichting Fijn Wonen (21 t/m 22);

- Het beroep van [appellante sub 7] (23 t/m 26);

- Het beroep van [appellant sub 8] (27 t/m 34).

Het beroep van Casarca

Inleiding

5.       Casarca is eigenaar van het perceel Lange Weisteeg 3 in Ammerzoden. Zij heeft dit perceel op 18 september 2019 aangekocht. Dat was na de vaststelling van het bestemmingsplan op 26 juni 2019. De leveringsakte werd op 25 september 2019 gepasseerd.

Op het perceel werd voorheen een champignonkwekerij geëxploiteerd. De daarvoor benodigde bebouwing is nog op het perceel aanwezig. Ook is op het perceel een tunnelgebouw aanwezig voor het maken van substraat voor de champignonteelt.

Casarca wil de voorheen bestaande bedrijfsvoering weer opstarten. Zij kan zich niet verenigen met de bestemmingsregeling voor het perceel en heeft hierover verschillende beroepsgronden ingediend.

De bestemmingsregeling

5.1.    In het bestemmingsplan is aan het perceel Lange Weisteeg 3 de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend, met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - paddenstoelenteelt". Voor de gronden met die aanduiding is ook een bouwvlak op de verbeelding opgenomen.

5.2.    Artikel 4.1 van de planregels luidt:

"De voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. […];

b. […];

c. een paddenstoelenteeltbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - paddenstoelenteelt", met dien verstande dat een tunnelgebouw ten behoeve van substraatteelt voor de eigen kwekerij uitsluitend op het perceel Achterdijk 5a Rossum is toegestaan;

[…]."

In artikel 1.70 van de planregels is bepaald dat onder paddenstoelenteelt moet worden verstaan: paddenstoelenteelt zonder mestfermentatie.

Artikel 4.4.1 van de planregels luidt:

"a. Voor nevenactiviteiten in de vorm van aan het buitengebied gerelateerde bedrijven als bedoeld in artikel 1, lid 1.3, geldt dat maximaal 25% van de totale vloeroppervlakte van de bedrijfsgebouwen tot een maximum van 350 m2 mag worden gebruikt ten behoeve van deze nevenactiviteiten.

b. Voor nevenactiviteiten welke zijn opgenomen in de navolgende tabel en die zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - nevenactiviteit" als bedoeld in lid 4.1, geldt dat de oppervlakte van deze nevenactiviteit niet meer mag bedragen dan is weergegeven in de navolgende tabel:

[…].

c. De nevenactiviteiten mogen uitsluitend worden uitgeoefend door de eigenaar van het agrarische bedrijf, dan wel door de bewoners van de bedrijfswoning van het desbetreffende agrarische bedrijf.

d. Er mag geen sprake zijn van een onaanvaardbare verkeersaantrekkende werking.

e. Er mag geen detailhandel plaatsvinden anders dan detailhandel in lokaal geproduceerde agrarische producten."

Artikel 4.4.4 luidt:

"Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van vee en/of het telen van gewassen indien dit leidt tot een toename van de stikstofemissie ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie zoals die blijkt of kan worden afgeleid uit:

1. een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming, een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 7, lid 5, van de Wnb is aangehaakt, of een melding op grond van artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming, ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan, welke zijn opgenomen in bijlage 7 "Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming", dan wel

2. indien een vergunning of melding als bedoeld onder a ontbreekt: de bestaande planologisch legale activiteit en de daarbij behorende stikstofemissie die ten hoogste feitelijk door die bestaande planologische legale activiteit wordt veroorzaakt;

[…]".

In artikel 1.18, van de planregels is vastgelegd dat ten aanzien van het gebruik onder "bestaand" wordt verstaan "het legale gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan".

De beroepsgronden

5.3.    Casarca wil in het tunnelgebouw substraat bereiden voor de eigen champignonkwekerij, maar ook voor champignonkwekerijen van derden.

Zij vreest dat het bestemmingsplan dit niet mogelijk maakt, omdat in artikel 4.1, onderdeel c, van de planregels is bepaald dat "een tunnelgebouw ten behoeve van substraatteelt voor de eigen kwekerij uitsluitend op het perceel Achterdijk 5a Rossum is toegestaan".

Casarca stelt dat het bereiden van substraat (zowel voor eigen gebruik, als voor derden) op haar perceel mocht plaatsvinden op grond van het vorige bestemmingsplan. Uit ruimtelijk en milieuhygiënisch oogpunt is er geen reden om deze activiteit niet meer toe te staan. De raad heeft het bereiden van substraat dan ook ten onrechte niet mogelijk gemaakt.

Dit is des te bezwaarlijker vanwege het bepaalde in artikel 4.4.4 van de planregels. Dat artikel - waarin is bepaald dat een toename van de stikstofemissie niet is toegestaan - is immers van toepassing bij gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, zo stelt Casarca.

Casarca betwijfelt of het bereiden van substraat is aan te merken als een nevenactiviteit die ter plaatse is toegestaan. Als dit zo is, dan levert de planregeling volgens Casarca nog steeds een ongerechtvaardigde beperking voor haar op. Hiertoe stelt zij dat het oppervlak van het bestaande (en vergunde) tunnelgebouw groter is dan het oppervlak dat maximaal is toegestaan voor nevenactiviteiten.

Als laatste voert Casarca aan dat op het perceel buitenopslag plaatsvindt. Zij vreest dat de planregels hieraan in de weg staan.

Het standpunt van de raad

5.4.    De raad stelt dat de champignonkwekerij van Casarca een paddenstoelenteeltbedrijf is als bedoeld in artikel 1.70 van de planregels. Volgens de raad vormt de substraatbereiding voor de eigen kwekerij een onderdeel van het reguliere teeltproces op zo'n bedrijf. De bereiding van substraat voor de eigen kwekerij is daarom toegestaan op grond van artikel 4.1, aanhef en onderdeel c, van de planregels. Op dit punt zijn de planregels duidelijk, zo stelt de raad.

De zinsnede "met dien verstande dat een tunnelgebouw ten behoeve van substraatteelt voor de eigen kwekerij uitsluitend op het perceel Achterdijk 5a Rossum is toegestaan" betekent volgens de raad niet dat een tunnelgebouw niet is toegestaan bij andere paddenstoelenteeltbedrijven. De raad stelt dat de zinsnede alleen betekenis heeft voor één specifiek bedrijf dat twee vestigingen heeft (namelijk een vestiging aan de Achterdijk 5a in Rossum en een vestiging aan de Kromakkerweg in Velddriel). De zinsnede heeft tot gevolg dat de bereiding van substraat (voor de beide vestigingen van dat specifieke bedrijf) alleen mag plaatsvinden aan de Achterdijk 5a in Rossum. Voor andere paddenstoelenteeltbedrijven is de zinsnede dus niet relevant, aldus de raad.

Substraatbereiding voor champignonkwekerijen van derden maakt volgens de raad geen onderdeel uit van het reguliere teeltproces op een paddenstoelenteeltbedrijf. Daarom is die activiteit niet toegestaan op grond van artikel 4.1, aanhef en onderdeel c, van de planregels. De bereiding van substraat voor champignonkwekerijen van derden is echter wel toegestaan als nevenactiviteit. Volgens de raad volgt dit uit artikel 4.4.1 van de planregels. Daarbij zijn beperkingen gesteld aan het oppervlak dat hiervoor mag worden gebruikt. Voor Casarca is het maximaal toegestane oppervlak voor nevenactiviteiten gelijk aan het oppervlak dat in het vorige plan voor nevenactiviteiten was opgenomen. Ten opzichte van dat plan wordt zij dus niet in haar mogelijkheden beperkt, zo stelt de raad.

Ook op het punt van de buitenopslag wordt Casarca niet beperkt door de planregeling. Volgens de raad is dit toegestaan voor zover dat nodig is voor de uitvoering van toegelaten activiteiten.

Beoordeling

5.5.    Bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft de raad in algemene zin willen toestaan dat paddenstoelenteeltbedrijven op hun percelen substraat voor de eigen teelt bereiden. Volgens de raad maken de planregels dit mogelijk, omdat substraatbereiding voor de eigen teelt inherent is aan de bedrijfsvoering op een paddenstoelenteeltbedrijf.

De Afdeling volgt de raad niet in dit standpunt. Dit kan immers niet worden afgeleid uit artikel 4.1, onderdeel c, bezien in samenhang met artikel 1.70 van de planregels. Dat de bereiding van substraat voor de eigen teelt een regulier onderdeel is van de bedrijfsvoering op een paddenstoelenteeltbedrijf, is ook geen feit dat algemeen bekend mag worden verondersteld. Daarbij merkt de Afdeling op dat in het plangebied ook bedrijven gevestigd zijn die (als hoofd- of als nevenactiviteit) substraat bereiden voor derden. Alleen hieruit al blijkt dat (tegenwoordig) niet alle paddenstoelenteeltbedrijven hun eigen substraat bereiden.

Ook als het begrip "paddenstoelenteeltbedrijf" moet worden uitgelegd zoals de raad voorstaat (in die zin dat substraatbereiding voor de eigen kwekerij mogelijk is omdat dit inherent is aan de bedrijfsvoering), dan betekent dit niet dat deze activiteit bij elk paddenstoelenteeltbedrijf in het plangebied is toegestaan. Naar het oordeel van de Afdeling kan de zinsnede "met dien verstande dat een tunnelgebouw ten behoeve van substraatteelt voor de eigen kwekerij uitsluitend op het perceel Achterdijk 5a Rossum is toegestaan" in artikel 4.1, onderdeel c, van de planregels namelijk niet anders worden gelezen dan dat dit de enige locatie in het plangebied is waar substraatbereiding voor de eigen kwekerij mag plaatsvinden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat een planregel omwille van de rechtszekerheid zo veel mogelijk letterlijk moet worden uitgelegd (zie onder meer de uitspraak van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:211).

Gelet op het voorgaande kan de raad niet worden gevolgd in zijn standpunt dat op het perceel van Casarca substraatbereiding voor de eigen teelt mag plaatsvinden. De bestemmingsomschrijving komt op dit punt dus niet overeen met de bedoeling van de raad bij de vaststelling daarvan. Dit betekent dat de artikelen 1.70 en 4.1, onderdeel c, van de planregels zijn vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Op dit punt slaagt het betoog.

5.6.    Over substraatbereiding voor champignonkwekerijen van derden heeft de raad overwogen dat deze activiteit in elk geval geen regulier onderdeel is van de bedrijfsvoering op een paddenstoelenteeltbedrijf. De raad stelt zich echter op het standpunt dat substraatbereiding voor derden is toegestaan als nevenactiviteit, voor zover daarbij wordt voldaan aan artikel 4.4.1 van de planregels.

De Afdeling volgt de raad hierin.

5.7.    Het bedrijf van Casarca is niet opgenomen in artikel 4.4.1, onderdeel b, van de planregels waar specifieke bedrijven zijn vermeld.

Dat betekent dat voor haar perceel de regeling geldt van artikel 4.4.1, onderdeel a, van de planregels. Uit die bepaling volgt dat op haar perceel maximaal 25% van de totale vloeroppervlakte van de bedrijfsgebouwen, tot een maximum van 350 m2, mag worden gebruikt voor substraatbereiding voor derden.

5.8.    Casarca voert tevergeefs aan dat op dit punt sprake is van een beperking ten opzichte van het vorige planologische regime.

Voor het perceel van Casarca gold voorheen het bestemmingsplan "Buitengebied binnendijks deel" dat de raad op 22 februari 2006 heeft vastgesteld. In de toelichting op dat plan (blz. 78-79) was het bedrijf "Lange Weisteeg 3 Ammerzoden - Champignon compostbedrijf" genoemd als één van de 17 agrarische bedrijven waar niet-agrarische nevenactiviteiten plaatsvonden. Daarbij was vermeld dat hiervoor maximaal 25% van het bebouwd oppervlak tot een maximum van 350 m2 van de bedrijfsgebouwen bij recht mag worden aangewend.

Omdat aan de plantoelichting geen bindende betekenis toekomt en omdat in de voorschriften van dat plan alleen het oppervlak van 350 m2 was vastgelegd (zonder dat daarbij het percentage van maximaal 25% van het bebouwd oppervlak was vermeld), heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland bij besluit van 17 oktober 2006 goedkeuring onthouden aan het voorschrift over niet-agrarische nevenactiviteiten.

Vervolgens heeft de raad bij besluit van 26 januari 2012 het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2009, reparatieplan (BP1065)" vastgesteld. Hierin zijn, voor zover hier van belang, voorschriften opgenomen als aanvulling op het bestemmingsplan "Buitengebied binnendijks deel". Op grond van het nieuwe artikel 4.2, onder j, van de voorschriften waren op het perceel van Casarca niet-agrarische nevenactiviteiten toegestaan tot een vloeroppervlak van ten hoogste 350 m2 en ten hoogste 25% van het bebouwd oppervlak, mits er geen sprake is van een verkeersaantrekkende werking en mits geen detailhandel plaatsvindt anders dan verkoop van lokaal geproduceerde agrarische producten.

Het bij het bestreden besluit vastgestelde bestemmingsplan sluit op dit punt dus aan bij de voorheen geldende planregeling.

Casarca heeft niet aannemelijk gemaakt dat het toegestane oppervlak voor substraatbereiding als nevenactiviteit (voor levering aan derden) voor haar onvoldoende is. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad het bestemmingsplan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. In zoverre slaagt het betoog niet.

5.9.    Op het punt van de buitenopslag volgt de Afdeling de raad in zijn standpunt dat buitenopslag mogelijk is, voor zover die opslag nodig is voor de uitvoering van bedrijfsactiviteiten die op het perceel zijn toegestaan op basis van de planregels. Zoals de raad heeft toegelicht, is voor een dergelijke buitenopslag, die passend is binnen de toegestane bedrijfsactiviteiten, niet de specifieke aanduiding "opslag", als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel n, van de planregels nodig. Gelet hierop wordt Casarca in zoverre niet beperkt door de vastgestelde planregeling. Dit betoog slaagt niet.

Conclusie

5.10.  Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op:

- artikel 1.70 van de planregels en

- de zinsnede "met dien verstande dat een tunnelgebouw ten behoeve van substraatteelt voor de eigen kwekerij uitsluitend op het perceel Achterdijk 5a Rossum is toegestaan" in artikel 4.1, onderdeel c, van de planregels,

is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

Het beroep van Casarca is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover het gaat om de hiervoor aangeduide plandelen, moet worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen om voor deze vernietigde planonderdelen, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

5.11.  Bij het voldoen aan de hiervoor omschreven opdracht dient de raad zich rekenschap te geven van de betekenis die artikel 4.4.4 van de planregels - mogelijk onbedoeld - voor het perceel van Casarca zou kunnen hebben, omdat ten tijde van de vaststelling van het plan geen feitelijke werkzaamheden op het perceel plaatsvonden.

Proceskosten

5.12.  De raad moet de proceskosten van Casarca vergoeden.

Het beroep van [appellante sub 2]

6.       [appellante sub 2] exploiteert een geitenhouderij op het perceel

[locatie A] in Velddriel. Zij is in of omstreeks 2012 eigenaar geworden van het perceel. Het beroep van [appellante sub 2] is gericht tegen de planregeling voor haar perceel. Haar bestaande (intensieve) geitenhouderij is volgens [appellante sub 2] ten onrechte niet als zodanig bestemd, omdat voor haar gronden niet is voorzien in de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij". Volgens [appellante sub 2] heeft het college van burgemeester en wethouders, op verzoek van de vorige eigenaar, een wijzigingsplan vastgesteld voor het perceel bij besluit van 9 augustus 2001, om vervolgens bij besluit van 13 december 2001 bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een melkgeitenstal. De geitenhouderij op het perceel was vanaf het begin een intensieve veehouderij. Bij het vaststellen van het eerstvolgende bestemmingsplan "Buitengebied binnendijks deel" in 2006 is volgens [appellante sub 2] hieraan ten onrechte voorbijgegaan. [appellante sub 2] wijst hiertoe op een "enquêteformulier" uit de periode voor 15 januari 2005. Dat formulier is door de toenmalige eigenaar van het perceel ingevuld en naar de gemeente verzonden, naar aanleiding van een door de gemeente verrichte inventarisatie bij het voorbereiden van het bestemmingsplan "Buitengebied binnendijks deel". In het enquêteformulier heeft de toenmalige eigenaar vermeld dat op het perceel 600 melkgeiten en 200 geitenlammeren worden gehouden, op 1,25 ha grasland. Door de intensieve veehouderij in het bestemmingsplan "Buitengebied binnendijks deel" niet als zodanig te bestemmen, is volgens [appellante sub 2] het gebruik van de gronden onder de werking van het gebruiksovergangsrecht van dat bestemmingsplan gebracht. De raad heeft nu opnieuw een planregeling vastgesteld die de bestaande intensieve veehouderij niet toelaat. Dat betekent volgens [appellante sub 2] dat het bestaande legale gebruik van de gronden voor een intensieve veehouderij ten onrechte opnieuw onder de werking van het gebruiksovergangsrecht is gebracht. Aan het perceel dient de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" te worden toegekend, aldus [appellante sub 2].

6.1.    Volgens de raad zijn de besluiten voor het vestigen van een melkgeitenhouderij op het perceel [locatie A] genomen in 2001. Daartoe is eerst een wijzigingsplan vastgesteld. Vervolgens is een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een melkgeitenstal. De aanvraag van de toenmalige eigenaar van het perceel had betrekking op een melkgeitenbedrijf met 600 melkgeiten. Het bij de aanvraag behorende bedrijfsplan ging uit van een bepaald areaal aan te pachten landbouwgrond/grasland. De raad wijst hiertoe op een advies van de landbouwkundige van de provincie van 31 maart 2000 waarin staat dat het bedrijf zal starten met 550 tot ongeveer 600 melkgeiten in 2002, het perceel aan de Drielse Veldweg een omvang heeft van 1.5 ha en dat de aanvrager 10 ha grond kan pachten van zijn ouders. Ook heeft de raad een overeenkomst overgelegd van 16 augustus 2000, tussen de toenmalige eigenaar van het perceel en een makelaar over (een opdracht tot) de aankoop van fosfaatrechten. In deze overeenkomst wordt melding gemaakt van een gepacht of te pachten grondareaal van 6 ha. De raad wijst er verder op dat in het eerstvolgende bestemmingsplan "Buitengebied binnendijks deel" uit 2006, het perceel [locatie A] niet is bestemd voor een intensieve veehouderij. De toenmalige eigenaar van het perceel heeft geen beroep ingesteld. Dit is een belangrijke aanwijzing dat de veehouderij in 2006 terecht is bestemd als een grondgebonden veehouderij. Het bestaande gebruik is dus niet onder de werking van het gebruiksovergangsrecht gebracht, aldus de raad.

6.2.    Aan het perceel [locatie A] is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend, met de aanduiding "bouwvlak".

In artikel 4.1, aanhef en onder a van de planregels is bepaald dat de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat bij een grondgebonden agrarisch bedrijf tevens een niet-grondgebonden veehouderijtak is toegestaan waarvan de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 250 m², dan wel niet meer dan de bestaande oppervlakte.

6.3.    Bij besluit van 22 februari 2006 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied binnendijks deel" vastgesteld. In dat bestemmingsplan was aan het perceel [locatie A], de bestemming "Agrarisch gebied", met de aanduiding "agrarisch bouwperceel" toegekend. Op het perceel rustte niet de aanduiding "IVH" (intensieve veehouderij).

6.4.    Uit het bestemmingsplan "Buitengebied binnendijks deel" volgt dat de geitenhouderij op het perceel [locatie A] niet was bestemd als een intensieve veehouderij. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Volgens [appellante sub 2] is de intensieve veehouderij echter ten onrechte onder de werking van het gebruiksovergangsrecht van dat bestemmingsplan uit 2006 gebracht. Ook in het thans voorliggende bestemmingsplan zijn de gronden niet bestemd voor een intensieve veehouderij, zodat het gebruik volgens [appellante sub 2] opnieuw onder de werking van het gebruiksovergangsrecht is gebracht.

Voor het slagen van het betoog van [appellante sub 2] is beslissend of het gebruik van het perceel in 2006 onder de werking van het gebruiksovergangsrecht is gebracht. Gelet op de hiervoor weergegeven bepalingen van gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied binnendijks deel", dient [appellante sub 2] aannemelijk te maken dat in de periode voor de vaststelling van dat bestemmingsplan op 22 februari 2006 op het perceel sprake was van een intensieve veehouderij. De raad behoeft dus niet aannemelijk te maken dat de geitenhouderij een grondgebonden bedrijf was (in de periode vanaf vestiging tot februari 2006). Indien [appellante sub 2] er niet in slaagt aannemelijk te maken dat sprake was van een intensieve veehouderij in de periode vóór 22 februari 2006, kan haar beroep op het gebruiksovergangsrecht niet worden gehonoreerd.

6.5.    Uit de bouwvergunning van 13 december 2001, voor zover overgelegd in deze procedure, valt niet op te maken of de aanvraag van de toenmalige eigenaar betrekking had op een melkgeitenstal voor een grondgebonden agrarisch bedrijf dan wel voor een intensieve veehouderij. Ook uit de overige door partijen overgelegde stukken valt niet op te maken wat de aard was van de initiële geitenhouderij. Het door [appellante sub 2] overlegde enquêteformulier uit de periode voor januari 2005, dat is ingevuld in het kader van een onderzoek namens de raad voorafgaande aan de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied binnendijks deel", is op zichzelf bezien niet voldoende voor de aanname dat op het perceel sprake was van een intensieve veehouderij, gelet ook op de door de raad overgelegde stukken. Uit die stukken volgt immers dat bij de vestiging van het bedrijf in 2001 melding is gemaakt van een bepaald areaal aan te pachten gronden. Verder is relevant de door de raad gestelde omstandigheid dat de eigenaar van het perceel geen beroep heeft ingesteld tegen het bestemmen van zijn veehouderij als een grondgebonden agrarisch bedrijf (in 2006).

[appellante sub 2] heeft ook nog gewezen op een bouwvergunning van 18 februari 2010 voor het vergroten van de geitenstal op het perceel. Hieruit kan, anders dan [appellante sub 2] stelt, niet worden afgeleid dat sprake was van een vergunning voor het vergroten van de geitenstal voor een (bestaande) intensieve veehouderij. In deze vergunning staat dat de aanvraag om bouwvergunning niet in strijd is met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan "Buitengebied binnendijks deel". Zoals hiervoor al is overwogen, liet dat bestemmingsplan geen intensieve veehouderij toe op het perceel. De Afdeling wijst verder nog op de door de raad overgelegde brief van het college aan [appellante sub 2] van 27 januari 2015. In deze brief staat over de bouwvergunning van 18 februari 2010 dat aan de toenmalige eigenaar van het perceel, tevens exploitant van de inrichting, bouwvergunning is verleend voor het uitbreiden van de bestaande stal. De stal is vergroot van 1.639 m² naar 3.420 m². Het aantal geiten is niet vergroot en ook de milieuvergunning is niet "uitgebreid". De uitbreiding is gedaan om meer opslag/stallings- en bewegingsruimte in het kader van dierenwelzijn te verkrijgen. In 2010 was het bedrijf met omliggende gronden nog in eigendom van de oorspronkelijke eigenaar en de bedrijfssituatie was vergelijkbaar met de situatie in 2006, aldus de brief van het college van 27 januari 2015.

6.6.    De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat [appellante sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat op het perceel [locatie A] vóór de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied binnendijks deel" in 2006 een intensieve veehouderij werd geëxploiteerd, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het gebruik van de gronden onder de werking van het gebruiksovergangsrecht van dat bestemmingsplan is gebracht. Daaruit volgt dat het bestaande planologisch toegelaten gebruik thans als zodanig is bestemd. De raad heeft in redelijkheid kunnen afzien van het toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" aan het perceel, gelet op de gevolgen hiervan voor de omgeving. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7.       Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 2] ongegrond.

Proceskosten

8.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Het beroep van [appellante sub 3]

9.       [appellante sub 3] exploiteert een melkgeitenhouderij aan de [locatie B] in Velddriel. Zij kan zich niet verenigen met de planregeling voor haar eigen perceel, in het bijzonder met de "stikstofregeling" van artikel 4.4.4 van de planregels.

10.     [appellante sub 3] betoogt dat artikel 4.4.4 van de planregels onduidelijk en daardoor rechtsonzeker is. De raad heeft beoogd om voor de planologisch toegelaten stikstofemissie aan te sluiten bij de bestaande legale omvang van de veestapel (of stikstofemissie), dan wel, indien voor een individuele veehouderij een vergunning is verleend krachtens de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) of de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), bij de vergunde situatie. Volgens [appellante sub 3] is onduidelijk wat wordt verstaan onder een "planologisch legale activiteit" als bedoeld in artikel 4.4.4 onder a, onder 2, van de planregels. Daarnaast wijst [appellante sub 3] erop dat haar bij besluit van 10 augustus 2016 een vergunning krachtens de Nbw 1998 is verleend. Op grond van deze vergunning kan [appellante sub 3] haar veestapel uitbreiden. Deze vergunning is ten onrechte niet opgenomen in de bijlage (7) bij de planregels, aldus [appellante sub 3].

10.1.  Volgens de plantoelichting kunnen de in het plan opgenomen planologische uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen negatieve effecten hebben op omliggende Natura 2000-gebieden, vanwege de uitstoot van stikstof. Voor het plan is daarom - in het kader van de milieueffectrapportage - een passende beoordeling verricht. De belangrijkste conclusie uit de passende beoordeling is dat bij uitbreiding van veehouderijen in cumulatieve zin negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de omliggende Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten. Om die reden is het noodzakelijk om in het bestemmingsplan regels op te nemen die garanderen dat er geen sprake kan zijn van een toename van de ammoniakdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden. Deze maatregel is in het bestemmingsplan opgenomen in de vorm van de specifieke gebruiksregels van artikel 3.4.4 en artikel 4.4.4 (strijdig gebruik stikstof). Voor de formulering van de gebruiksregels is aangesloten bij de rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515 (Weststellingwerf).

In de plantoelichting staat dat voor de bestaande situatie wordt aangesloten bij de reeds verleende vergunningen als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Een overzicht van deze vergunningen is als bijlage 7 bij de planregels opgenomen. Er zijn echter ook situaties waarin dergelijke vergunningen niet aanwezig zijn. In dat geval dient de ondernemer aan te tonen wat de bestaande ammoniakemissie is. Om deze bestaande emissie te kunnen bepalen wordt eerst bekeken of er in de afgelopen twee jaar een milieucontrole door de omgevingsdienst is uitgevoerd, waaruit de bestaande situatie kan worden afgeleid. Indien dat niet mogelijk is, krijgt de ondernemer de mogelijkheid de bestaande situatie aan te tonen aan de hand van de gegevens die hij heeft ingediend bij het CBS voor de landbouwtelling in het jaar voorafgaande aan de vaststelling van het bestemmingsplan, aldus de plantoelichting.

10.2.  Aan het perceel [locatie B] is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend, met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij".

Artikel 4.1, aanhef en onder e, van de planregels luidt:

"De voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

een bestaand niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat een niet-grondgebonden veehouderij uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij".

Artikel 4.4.4. luidt:

"Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van vee en/of het telen van gewassen indien dit leidt tot een toename van de stikstofemissie ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie zoals die blijkt of kan worden afgeleid uit:

1. een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming, een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 7, lid 5, van de Wnb is aangehaakt, of een melding op grond van artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming, ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan, welke zijn opgenomen in bijlage 7 "Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming", dan wel

2. indien een vergunning of melding als bedoeld onder a ontbreekt: de bestaande planologisch legale activiteit en de daarbij behorende stikstofemissie die ten hoogste feitelijk door die bestaande planologische legale activiteit wordt veroorzaakt;

[…]".

In artikel 1.18, van de planregels is vastgelegd dat ten aanzien van het gebruik onder "bestaand" wordt verstaan "het legale gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan".

10.3.  Zoals de Afdeling eerder heeft overwegen in haar uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3530, kunnen significante gevolgen door de stikstofuitstoot op voorhand worden uitgesloten indien voor de gebruiksmogelijkheden wordt aangesloten bij de feitelijke en planologisch toegestane situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan of - in andere bewoordingen - de planologisch legale situatie voor de vaststelling van het plan, echter alleen voor zover deze ook feitelijk is gerealiseerd. In een dergelijk geval kan een passende beoordeling achterwege blijven.

Daarnaast kan in een plan, zonder dat (opnieuw) een passende beoordeling behoeft te worden gemaakt, worden aangesloten bij de uitbreidingsmogelijkheden die voortvloeien uit een Nbw 1998- of Wnb-vergunning die ten tijde van het vaststellen van het plan in rechte onaantastbaar was, waaraan een passende beoordeling ten grondslag heeft gelegen en die in het plan een één-op-één-inpassing heeft gekregen. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, kan gelet op artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb (voorheen: artikel 19j, vijfde lid, van de Nbw 1998) een nieuwe passende beoordeling in beginsel achterwege blijven. De veronderstelling daarbij is dat de planologische uitbreidingsmogelijkheden reeds passend zijn beoordeeld in het kader van de verlening van de natuurvergunning en dat een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van de aldus vergunde projecten. In geval in de planregels wordt verwezen naar een natuurvergunning, moet het, gelet op de rechtszekerheid, wel duidelijk zijn om welke vergunning het daarbij gaat, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de datum en het kenmerk van de vergunning.

Bij de hiervoor genoemde systematiek waarbij wordt aangesloten bij een in rechte onaantastbare Nbw 1998- of Wnb-vergunning, is het volgende van belang. Uit de jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3417, volgt dat indien een vergunning is verleend krachtens het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS), bij het vaststellen van een bestemmingsplan waarin de vergunde activiteit planologisch wordt gefaciliteerd, geen beroep kan worden gedaan op artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb. In haar uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, heeft de Afdeling immers geoordeeld dat de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het PAS, niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie daaraan stelt. Indien de raad een krachtens het PAS vergunde ontwikkeling planologisch wenst te faciliteren, dient hij gelet op artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb alsnog een (individuele) passende beoordeling te verrichten, althans vast te stellen dat die ontwikkeling niet zal leiden tot significante negatieve effecten voor beschermde natuurgebieden.

10.4.  De Nbw 1998-vergunning van 10 augustus 2016 is verleend voor het "wijzigen van een legpluimvee- en melkrundveehouderij aan de Veilingweg 30 in Velddriel". Deze vergunning is verleend op grondslag van het PAS. Niet in geschil is dat aan deze vergunning geen individuele passende beoordeling ten grondslag ligt. Gelet op hetgeen hiervoor in 10.3 is overwogen heeft de raad terecht afgezien van het opnemen van deze vergunning in de bij de planregels behorende bijlage 7 "Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming". Het betoog slaagt niet.

10.5.  De Afdeling is van oordeel dat de wijze waarop de referentiesituatie is vastgelegd in artikel 4.4.4, aanhef, onder a, onder 2, van de planregels in overeenstemming is met de hiervoor in overweging 10.3 toegelichte systematiek, met dien verstande dat in deze bepaling de duiding van het "peilmoment" ontbreekt. Het moet gaan om de situatie ten tijde van - of direct voorafgaande aan - de vaststelling van het plan. Het betoog slaagt.

Conclusie

11.     Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 3] gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wat betreft artikel 4.4.4, onder a, onder 2, van de planregels. Gelet op de nauwe samenhang dient ook de gelijkluidende bepaling van artikel 3.4.4, onder a, onder 2, te worden vernietigd.

12.     Nu niet aannemelijk is dat andere belanghebbenden hierdoor in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dit is vernietigd. De Afdeling zal bepalen dat de vernietigde bepalingen als volgt komen te luiden:

"indien een vergunning of melding als bedoeld onder 1 ontbreekt: de ten tijde van de vaststelling van het plan bestaande planologisch legale activiteit en de daarbij behorende stikstofemissie die ten hoogste feitelijk door die bestaande planologisch legale activiteit wordt veroorzaakt".

Proceskosten

13.     De raad moet de proceskosten van [appellante sub 3] vergoeden.

Het beroep van Stichting Dorp en Landschap Bommelerwaard

14.     Stichting Dorp en Landschap komt blijkens artikel 2, eerste lid, onder a, van haar statuten op voor het bevorderen van een goed leefmilieu in de Bommelerwaard en de ruime omgeving. Haar beroep is in het bijzonder gericht tegen de planologische mogelijkheden voor intensieve veehouderijen.

Stikstofregeling

15.     Stichting Dorp en Landschap betoogt dat artikel 4.4.4 van de planregels, bezien in samenhang met bijlage 7 van de planregels, in strijd is met artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb. Voor de gebruiksmogelijkheden van een niet gering aantal veehouderijen is ten onrechte aangesloten bij de krachtens de Nbw 1998 of de Wnb verleende vergunningen, door deze vergunningen op te nemen in de bijlage bij de planregels. Volgens Stichting Dorp en Landschap zijn in bijlage 7 bij de planregels ten onrechte vergunningen opgenomen die zijn verleend op grondslag van het PAS. Deze regeling is door de Afdeling onverbindend bevonden in haar uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, wegens strijd met de Habitatrichtlijn. Als gevolg hiervan mag in het plan niet worden aangesloten bij de vergunningen die berusten op de passende beoordeling bij het PAS, aldus Stichting Dorp en Landschap.

15.1.  De raad heeft na het nemen van het bestreden besluit onderkend dat - gelet op de jurisprudentie van de Afdeling - de Nbw 1998- en Wnb-vergunningen die zijn verleend op grondslag van het PAS ten onrechte zijn opgenomen in de bij de planregels behorende bijlage 7 "Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming". De Afdeling verwijst voor het overige naar hetgeen zij in overweging 10.3 heeft geoordeeld in het beroep van [appellante sub 3]. Het betoog slaagt.

15.2.  Op verzoek van de Afdeling heeft de raad een lijst overgelegd waarop is weergegeven welke in bijlage 7 bij de planregels vermelde vergunningen zijn verleend op grondslag van het PAS. Deze vergunningen dienen te worden verwijderd uit de bijlage. De beroepsgrond van Stichting Dorp en Landschap slaagt.

Schoofbandweg 10 en 12 en Veilingweg 11

16.     Stichting Dorp en Landschap betoogt dat voor de percelen Schoofbandweg 10 en 12, en Veilingweg 11 in Rossum ten onrechte voorzien is in de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij". Het plan laat op deze percelen een intensieve veehouderij toe. Feitelijk bezien is op deze percelen echter geen sprake van een intensieve veehouderij en het is uitgesloten dat de gronden in de toekomst alsnog daarvoor in gebruik genomen zullen worden.

De agrarische bedrijfsvoering op het perceel Schoofbandweg 10 is geheel gestaakt. De veestallen, inclusief drijfmestkelders, zijn gesloopt. Beoogd wordt om op het perceel woningen te realiseren met toepassing van de rood-voor-rood regeling. De procedure daartoe is reeds in gang gezet. De voormalige bedrijfswoning is verbouwd voor kamerverhuur en wordt ook feitelijk bewoond door arbeidsmigranten.

Voor het perceel Schoofbandweg 12 was in het ontwerpplan niet voorzien in de aanduiding "intensieve veehouderij". Naar aanleiding van de enkele stelling van de eigenaar dat hij het voornemen heeft om ter plaatse vleeskalveren te houden, is deze aanduiding alsnog toegekend aan de gronden bij gewijzigde vaststelling.

Over het perceel Veilingweg 11 heeft Stichting Dorp en Landschap aangevoerd dat de stallen dermate zijn vervallen dat het niet mogelijk is om daarin landbouwdieren te houden zonder een ingrijpende verbouwing of volledige nieuwbouw. De (milieu)vergunning voor het houden van 300 vleesvarkens is in 2016 ingetrokken en er worden op het perceel volgens Stichting Dorp en Landschap al langer dan drie jaar geen varkens meer gehouden.

Stichting Dorp en Landschap wenst dat de aanduiding "intensieve veehouderij" voor de percelen Schoofbandweg 10 en 12 en Veilingweg 11 wordt geschrapt.

16.1.  Volgens de raad is bij het vaststellen van het plan het uitgangspunt gehanteerd dat de bestaande planologische gebruiksmogelijkheden behouden blijven. De omstandigheid dat de gebruiksmogelijkheden voor de percelen Schoofbandweg 10 en 12 en Veilingweg 11 niet (volledig) worden benut, geeft geen aanleiding om daar anders over te denken.

Over het perceel Schoofbandweg 10 heeft de raad nog toegelicht dat ten tijde van het vaststellen van het plan de betrokken partijen nog in overleg waren over het omzetten van de agrarische bestemming naar een woonbestemming. Het was daarom nog niet mogelijk de beoogde ontwikkeling in het plan op te nemen. Daartoe zal een afzonderlijke procedure in gang worden gezet, aldus de raad.

16.2.  Aan het perceel Schoofbandweg 10 is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend, met de aanduidingen "bouwvlak" en "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij". Dit geldt ook voor de percelen Schoofbandweg 12 en Veilingweg 11.

In artikel 4.1, van de planregels staat dat de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat bij een grondgebonden agrarisch bedrijf tevens een niet-grondgebonden veehouderijtak is toegestaan waarvan de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 250 m², dan wel niet meer dan de bestaande oppervlakte;

[…];

e. een bestaand niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat een niet-grondgebonden veehouderij uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij";

[…].

Artikel 4.2.2 luidt:

"Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat:

1. bestaande gebouwen buiten het bouwvlak eveneens zijn toegestaan;

2. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" uitsluitend bestaande veestallen zijn toegestaan.

In artikel 1.18 van de planregels staat dat onder "bestaand" wordt begrepen "het legale gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan".

16.3.  De raad heeft bij het vaststellen van het plan als algemeen uitgangspunt gehanteerd dat de bestaande planologische gebruiksmogelijkheden behouden blijven. Dit uitgangspunt is niet onredelijk, zij het dat in concrete gevallen aanleiding kan bestaan daarvan af te wijken. Op grond van de hiervoor weergegeven bepalingen (artikel 4.1, aanhef en onder e, bezien in samenhang met artikel 1.18, van de planregels) is op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden", met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" een intensieve veehouderij toegelaten zoals "legaal" aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan. Stichting Dorp en Landschap heeft onweersproken gesteld dat op de percelen Schoofbandweg 10 en 12 en Veilingweg 11 reeds een geruime tijd feitelijk geen sprake is van een intensieve veehouderij. In het licht van hetgeen Stichting Dorp en Landschap heeft aangevoerd is de Afdeling van oordeel dat de raad niet deugdelijk heeft onderbouwd waarom hij besloten heeft de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" voor de percelen Schoofbandweg 10 en 12 en Veilingweg 11 te handhaven. Het betoog slaagt.

Overige beroepsgronden

17.     Stichting Dorp en Landschap bestrijdt de afwijkingsbevoegdheid van artikel 3.3.7 en artikel 4.3.7, van de planregels. Met toepassing van deze afwijkingsbevoegdheden is een uitbreiding mogelijk van veehouderijen op gronden met de bestemming "Agrarisch", onderscheidenlijk "Agrarisch met waarden". Volgens Stichting Dorp en Landschap is de afwijkingsbevoegdheid voor het uitbreiden van veehouderijen met 500 m² per vijf jaar niet verenigbaar met het uitgangspunt dat het bestemmingsplan conserverend van aard is. Stichting Dorp en Landschap voert verder aan dat het niet duidelijk is op welke wijze en door welke instantie getoetst zal worden of een verzoek om toepassing van de afwijkingsbevoegdheid voldoet aan de in beide artikelen genoemde "Beleidsregel Plussenbeleid".

17.1.  De raad heeft toegelicht dat de afwijkingsbevoegdheid voor het uitbreiden van veestallen van intensieve veehouderijen in overeenstemming is met de relevante bepalingen van de "Omgevingsverordening Gelderland", vastgesteld door provinciale staten van Gelderland bij besluit van 19 december 2018. Uit artikel 2.31 van de verordening volgt dat de raad in een bestemmingsplan onder voorwaarden mag voorzien in ontwikkelingsmogelijkheden voor niet-grondgebonden veehouderijen. De raad moet de voorwaarden voor uitbreiding nader uitwerken in beleidsregels. In hetzelfde artikel is bepaald dat - bij wijze van uitzondering - eenmaal per vijf jaar een uitbreiding mogelijk is van een niet-grondgebonden veehouderij of veehouderijtak van ten hoogste 500 m², zonder dat voldaan hoeft te worden aan de genoemde beleidsregels, aldus de raad.

17.2.  Artikel 3.6, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) luidt:

"Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels:

[…];

c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels;

[…]."

17.3.  Artikel 3.3.7, van de planregels luidt:

"a. Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3, lid 3.2.2, onder a, onder 2, ten behoeve van het eenmaal per vijf jaar bouwen van veestallen binnen het bouwvlak voor niet-grondgebonden veehouderij met een oppervlakte van ten hoogste 500 m².

b. In afwijking van sub a. kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning een verdere uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderij ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" binnen het bouwvlak toestaan mits wordt voldaan aan de randvoorwaarden en uitgangspunten die zijn gesteld in de "Beleidsregel Plussenbeleid", die op 26 juni 2019 is vastgesteld door de gemeenteraad, of haar rechtsopvolger."

In artikel 4.3.7, is een gelijkluidende afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden".

17.4.  Artikel 2.30 (uitbreiding niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of veehouderijtak: handreiking beleidsregels) van de Omgevingsverordening luidt:

1. Gedeputeerde Staten stellen in een handreiking een algemeen kader vast voor de door het gemeentebestuur op te stellen beleidsregels Plussenbeleid.

[…].

Artikel 2.31 (instructieregel bestemmingsplan Plussenbeleid) luidt:

"1. Een bestemmingsplan maakt een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of niet-grondgebonden veehouderijtak alleen mogelijk als de uitbreiding voldoet aan door het gemeentebestuur in overeenstemming met de handreiking Plussenbeleid vastgestelde beleidsregels.

"2. Een bestemmingsplan kan eens per vijf jaar een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of veehouderijtak mogelijk maken met een omvang van ten hoogste 500 vierkante meter, waarop de vastgestelde beleidsregels niet van toepassing zijn."

17.5.  In de toelichting bij artikel 2.30, eerste lid, van de Omgevingsverordening staat het volgende.

"Uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of tak is toegestaan als het bedrijf extra maatregelen neemt ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving op het gebied van: dierwelzijn, landschappelijke inpassing en milieu. Voor deze extra maatregelen ("plusmaatregelen") stellen Gedeputeerde Staten voor gemeenten een Handreiking Plussenbeleid vast. Gemeenten moeten dit beleid toepassen vanaf het moment van inwerkingtreding van het Plussenbeleid (22 maart 2017) als zij bestemmingsplannen opstellen die betrekking hebben op niet-grondgebonden veehouderij. Dit kan zowel gaan om een postzegelplan voor een veehouderijtak als om een (deel)bestemmingsplan buitengebied."

In de toelichting bij artikel 2.31 van de Omgevingsverordening staat het volgende.

"Eerste lid: De gemeente moet in alle gevallen eerst beleid en beleidsregels vaststellen in overeenstemming met de provinciale verordening en visie, voordat een bestemmingsplan wordt opgesteld. Het Plussenbeleid is van toepassing op niet-grondgebonden veehouderijbedrijven en -takken. Met het Plussenbeleid wordt het ontstaan van een niet-grondgebonden onderdeel van een bestaand bedrijf en uitbreiding van een niet-grondgebondenbedrijf of onderdeel van een bedrijf groter dan 500 vierkante meter gebonden aan de kwalitatieve eisen van het Plussenbeleid. Ook een van oorsprong grondgebonden bedrijf dat met een niet-grondgebonden bedrijfsdeel uitbreidt, valt dus onder het Plussenbeleid.

Tweede lid: Een beperkte uitbreiding van maximaal 500 vierkante meter is zonder toepassing van de beleidsregels, eens in de vijf jaar mogelijk."

17.6.  In artikel 3.2.2, onder a, onder 2, van de planregels is vastgelegd dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" uitsluitend bestaande veestallen zijn toegestaan. Daarvan kan worden afgeweken met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 3.3.7 van de planregels. Op grond van het bepaalde onder a is een beperkte uitbreiding met maximaal 500 m² per vijf jaar mogelijk. Bij een verdere uitbreiding moet worden voldaan aan de Beleidsregel Plussenbeleid.

17.7.  De Afdeling overweegt dat de (gemeentelijke) Beleidsregel Plussenbeleid is vastgesteld door de gemeenteraad en dat dit beleid berust op een door gedeputeerde staten opgestelde "handreiking". De Beleidsregel Plussenbeleid geeft het door het college van burgemeester en wethouders te hanteren toetsingskader bij het beslissen op een aanvraag om het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid voor het uitbreiden van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of veehouderijtak. In dit beleid is - kortheidshalve - nader uitgewerkt dat een uitbreiding van de intensieve veehouderij alleen mogelijk is indien het bedrijf maatregelen neemt op het gebied van milieu, landschappelijke inpassing of fysieke maatregelen op het gebied van dierwelzijn. Stichting Dorp en Landschap heeft onvoldoende onderbouwd waarom dit beleid onduidelijk is. Het betoog slaagt niet.

17.8.  De (redactie van) de afwijkingsbevoegdheid van artikel 3.3.7 van de planregels is afgeleid van artikel 2.31 van de Omgevingsverordening. Uit deze bepaling uit de Omgevingsverordening volgt dat een uitbreiding van de intensieve veehouderij moet voldoen aan de voorwaarden van het zogenoemde "plussenbeleid", met dien verstande dat provinciale staten in zoverre geen voorwaarden hebben gesteld aan een beperkte uitbreiding, dat wil zeggen een uitbreiding van maximaal 500 m² in vijf jaar. Dit wordt dus verder overgelaten aan de raad. De omstandigheid dat de provinciale omgevingsverordening geen voorwaarden stelt aan een beperkte vergroting van de intensieve veehouderij, laat onverlet dat een in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid, gelet op artikel 3.6, onder c, van de Wro, door voldoende objectieve normen dient te worden begrensd. In dit geval stelt het plan geen inhoudelijke voorwaarden aan de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 3.3.7, onder a (en artikel 4.4.7, onder a) van de planregels. Het plan voorziet dus niet in een ruimtelijk beoordelingskader dat het college van burgemeester en wethouders in acht moet nemen bij het beslissen op een aanvraag om toepassing van de afwijkingsbevoegdheid. Dit is in strijd met artikel 3.6, eerste lid, van de Wro. Het betoog slaagt.

17.9.  Het betoog van Stichting Dorp en Landschap dat het plan alleen vastgesteld had mogen worden indien dit leidt tot een afname van de stikstofdepositie slaagt niet. Op grond van artikel 2.8, derde lid, van de Wnb mag een plan - in beginsel - niet leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied. Hierin ligt niet besloten dat indien sprake is van een overschrijding van de kritische depositiewaarden een plan alleen mag worden vastgesteld als dat leidt tot een daling van de depositie.

18.     Stichting Dorp en Landschap heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Stichting Dorp en Landschap heeft in het beroepschrift of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

19.     Gelet op het voorgaande is het beroep van Stichting Dorp en Landschap gegrond.

Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb te worden vernietigd voor zover in bijlage 7 bij de planregels "Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming" de vergunningen zijn opgenomen die zijn verleend op grondslag van (de passende beoordeling van) het PAS. Deze categorie vergunningen is opgenomen op de bij deze uitspraak behorende bijlage en dient dus te worden verwijderd uit bijlage 7 bij de planregels.

Het bestreden besluit dient voorts wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd wat betreft de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" voor de percelen Schoofbandweg 10, Schoofbandweg 12 en Veilingweg 11.

Verder dient het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wro te worden vernietigd wat betreft artikel 3.3.7, onder a, en 4.3.7, onder a, van de planregels. Deze vernietiging leidt tot een onduidelijke redactie van de bepaling onder b. Daarom zal de Afdeling de artikelen 3.3.7 en 4.3.7 geheel vernietigen en herformuleren.

De Afdeling zal bepalen dat artikel 3.3.7 als volgt komt te luiden:

"Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3, lid 3.2.2, onder a, onder 2, ten behoeve van een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderij binnen het bouwvlak mits wordt voldaan aan de randvoorwaarden en uitgangspunten die zijn gesteld in de "Beleidsregel Plussenbeleid", die op 26 juni 2019 is vastgesteld door de gemeenteraad, met dien verstande dat indien dit beleid nadien wordt gewijzigd, getoetst dient te worden aan het gewijzigde beleid."

De Afdeling zal verder bepalen dat artikel 4.3.7 als volgt komt te luiden:

"Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4, lid 4.2.2, onder a, onder 2, ten behoeve van een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderij binnen het bouwvlak mits wordt voldaan aan de randvoorwaarden en uitgangspunten die zijn gesteld in de "Beleidsregel Plussenbeleid", die op 26 juni 2019 is vastgesteld door de gemeenteraad, met dien verstande dat indien dit beleid nadien wordt gewijzigd, getoetst dient te worden aan het gewijzigde beleid."

Proceskosten

20.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

De beroepen van [appellant sub 5] en Stichting Fijn Wonen

21.     [appellant sub 5] en Stichting Fijn Wonen kunnen zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden", voor zover daaraan tevens de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" is toegekend, voor het perceel Schoofbandweg 12 in Rossum. Hun betoog komt inhoudelijk overeen met het betoog van Stichting Dorp en Landschap, dat eveneens gericht is tegen deze aanduiding.

21.1.  Het betoog van [appellant sub 5] en Stichting Fijn Wonen slaagt. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd wat betreft de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" voor het perceel Schoofbandweg 12. Voor de onderbouwing van dit oordeel verwijst de Afdeling naar overweging 16.3 in het beroep van Stichting Dorp en Landschap hiervoor.

Proceskosten

22.     De raad moet de proceskosten van [appellant sub 5] vergoeden. De raad hoeft voor Stichting Fijn Wonen geen proceskosten te vergoeden.

Het beroep van [appellante sub 7]

23.     [appellante sub 7] exploiteert een veehouderij op het perceel [locatie C] in Hedel. Zij beschikt over een (milieu)omgevingsvergunning voor het houden van ongeveer 60 melkkoeien, 60 stuks vrouwelijk jongvee, 60 stuks vleesvee, 50 schapen en 1.040 vleesvarkens. Het houden van het rundvee en de schapen wordt aangemerkt als grondgebonden agrarische bedrijvigheid. Het houden van de vleesvarkens is een niet grondgebonden agrarische activiteit. Het beroep van [appellante sub 7] is gericht tegen artikel 4.3.7, onder b, van de planregels. Deze bepaling maakt volgens haar ten onrechte geen onderscheid tussen een uitbreiding van de intensieve veehouderij enerzijds en het grondgebonden deel van de agrarische bedrijfsvoering anderzijds. Een uitbreiding van de veehouderij is alleen mogelijk indien wordt voldaan aan de "Beleidsregel Plussenbeleid", vastgesteld door de raad bij besluit van 26 juni 2019 (hierna: Beleidsregel Plussenbeleid). Dit geldt dus voor zowel de grondgebonden als de niet-grondgebonden veehouderij. Het is volgens [appellante sub 7] niet nodig om aan de uitbreiding van de grondgebonden activiteiten dezelfde (belastende) voorwaarden te verbinden als aan de uitbreiding van de intensieve veehouderij.

23.1.  Aan het perceel [locatie C] is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend, met de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" en "bouwvlak".

In artikel 4.1 van de planregels staat dat de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat bij een grondgebonden agrarisch bedrijf tevens een niet-grondgebonden veehouderijtak is toegestaan waarvan de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 250 m², dan wel niet meer dan de bestaande oppervlakte;

[…].

e. een bestaand niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat een niet-grondgebonden veehouderij uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij";

[…].

Artikel 4.2.2 luidt:

"Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat:

1. bestaande gebouwen buiten het bouwvlak eveneens zijn toegestaan;

2. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" uitsluitend bestaande veestallen zijn toegestaan."

Artikel 4.3.7 (Uitbreiding niet-grondgebonden veehouderij) luidt:

"a. Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.2, onder a.2, ten behoeve van het eenmaal per vijf jaar bouwen van veestallen binnen het bouwvlak voor niet-grondgebonden veehouderij met een oppervlakte van ten hoogste 500 m².

b. In afwijking van sub a. kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning een verdere uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderij ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" binnen het bouwvlak toestaan mits wordt voldaan aan de randvoorwaarden en uitgangspunten die zijn gesteld in de "Beleidsregel Plussenbeleid", die op 26 juni 2019 is vastgesteld door de gemeenteraad, of haar rechtsopvolger."

23.2.  In het plan wordt onderscheid gemaakt tussen grondgebonden agrarische bedrijven, met eventueel een (ondergeschikte) intensieve veehouderijtak, en intensieve veehouderijen.

De gronden van [appellante sub 7] zijn planologisch bezien aangewezen voor een intensieve veehouderij, omdat aan het deel van haar perceel dat is aangeduid als "bouwvlak" tevens de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" is toegekend (artikel 4.1, aanhef en onder e, van de planregels).

Omdat de gronden van [appellante sub 7] zijn aangewezen voor een intensieve veehouderij, kan zij niet beschikken over de (ruimere) planologische mogelijkheden voor het uitbreiden van de stallen voor grondgebonden agrarische activiteiten. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een regeling waarbij één agrarisch bedrijf in het plan deels wordt aangemerkt als een intensieve veehouderij en deels als een grondgebonden agrarisch bedrijf, vanuit ruimtelijk oogpunt ongewenst is. Een dergelijk bedrijf zou gebruik kunnen maken van zowel de uitbreidingsmogelijkheden die het plan biedt aan grondgebonden agrarische bedrijven als aan intensieve veehouderijen. Een dergelijke "hybride-bestemming" is ook niet in overeenstemming met de plansystematiek, althans [appellante sub 7] heeft niet gewezen op andere locaties in het plangebied waar één agrarisch bedrijf gedeeltelijk is bestemd als een intensieve veehouderij en deels als een grondgebonden agrarisch bedrijf.

Het betoog slaagt niet.

23.3.  Overigens wijst de Afdeling erop dat zij naar aanleiding van het beroep van Stichting Dorp en Landschap artikel 4.3.7, onder a, van de planregels zal vernietigen en zelf zal voorzien door de redactie van artikel 4.3.7, onder b, aan te passen (zie de overwegingen 20.6 en 23 hiervoor).

24.     Voor zover [appellante sub 7] betoogt dat de begrippen "vee" en "veestal" ten onrechte niet zijn gedefinieerd in de begripsbepalingen, overweegt de Afdeling als volgt. Volgens de raad is het niet nodig om deze begrippen te definiëren in de planregels. Voor de uitleg kan worden aangesloten bij de betekenis die aan deze begrippen wordt toegekend in het dagelijks spraakgebruik. [appellante sub 7] heeft niet nader toegelicht waarom de interpretatie van deze begrippen tot onduidelijkheden zal leiden. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

25.     Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 7] ongegrond.

Proceskosten

26.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Het beroep van [appellant sub 8] en anderen

Inleiding

27.     Het beroep van [appellant sub 8] en anderen is ingesteld door onder meer [appellant sub 8] en [appellant sub 8A].

[appellant sub 8] is eigenaar van het perceel [locatie D] in Hoenzadriel, kadastraal bekend gemeente Maasdriel, sectie P, nummers 638, 639, 661 en 811. Op het perceel bevindt zich de vrijstaande woning van [appellant sub 8] en een bijgebouw dat wordt gebruikt als kantoorruimte en voor opslag.

[appellant sub 8A] is eigenaar van het perceel [locatie E], kadastraal bekend sectie P, nr. 812. Op dit perceel ligt de vrijstaande woning van [appellant sub 8A]. Daarnaast is [appellant sub 8A] eigenaar van het kadastrale perceel sectie P, nr. 256, aan de overzijde van de Rooijensestraat.

Een smalle strook van de Rooijensestraat die grenst aan de zuidelijke perceelsgrens van de [locatie D] en 18, is feitelijk in gebruik genomen als tuin bij deze percelen.

27.1.  De kadastrale percelen P638, P639 en P812 zijn bestemd voor "Wonen". Op deze percelen zijn de onderscheidenlijke woningen van [appellant sub 8] en [appellant sub 8A] gesitueerd.

Voor het zuidelijke deel van de percelen P811 en P661 is eveneens voorzien in de bestemming "Wonen". Het noordelijke deel van deze percelen is bestemd voor "Agrarisch met waarden". Op het perceel P811 ligt een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw, dat thans gedeeltelijk in gebruik is als kantoorruimte (bij de woning). De grens tussen de bestemming "Wonen" en "Agrarisch met waarden" op de percelen P811 en P661 wordt bepaald door de achtergevelrooilijn van dit bedrijfsgebouw: de gronden "achter" het gebouw zijn dus bestemd voor "Agrarisch met waarden".

Het perceel P256 ligt ten zuiden van de woning [locatie D], aan de overzijde van de Rooijensestraat. Dit perceel is bestemd voor "Agrarisch met waarden".

De hiervoor genoemde "smalle strook van de Rooijensestraat" maakt kadastraal bezien deel uit van de Rooijensestraat. Dit perceel is eigendom van de gemeente. Aan de Rooijensestraat is de bestemming "Verkeer" toegekend.

Woonbestemming [locatie D] en [locatie E]

28.     [appellant sub 8] en anderen hebben in hun zienswijze de raad verzocht om hun percelen P811, P661, P256, en het deel van de Rooijensestraat dat zij in gebruik hebben genomen als tuin, (geheel) te bestemmen voor "Wonen". Volgens [appellant sub 8] en anderen heeft de raad hun verzoek ten onrechte niet gehonoreerd. De raad heeft aan de genoemde percelen ten onrechte geheel of gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch met waarden" en "Verkeer" toegekend.

Percelen P811, P661 en P256

28.1.  Volgens [appellant sub 8] en anderen bestaan geen ruimtelijke bezwaren tegen het toekennen van de bestemming "Wonen" aan (ook) het noordelijke deel van de percelen P811 en P661. De situatie op deze percelen is vergelijkbaar met die aan de Rooijensestraat 20a en 22, waarin de raad wel heeft voorzien in de bestemming "Wonen" voor het gehele perceel.

Het perceel P256 is feitelijk in gebruik als tuin bij de woning op het perceel [locatie E]. Dat dit perceel aan de overzijde van de weg ligt, betekent niet dat de bestemming "Wonen" voor het perceel niet ruimtelijk aanvaardbaar is.

28.2.  Voor de percelen aan de Rooijensestraat waarop het beroep van [appellant sub 8] en anderen ziet, gold voorheen het bestemmingsplan "Buitengebied binnendijks deel", vastgesteld door de raad bij besluit van 22 februari 2006.

De percelen [locatie D] en [locatie E] waren geheel bestemd als "Agrarisch gebied", met per perceel de aanduiding "burgerwoning".

Het perceel P256, ten zuiden van de Rooijensestraat, was bestemd als "Agrarisch gebied".

28.3.  Artikel 3.1 van de planvoorschriften luidde:

"De als "Agrarisch gebied" op de kaart bestemmingen aangegeven gronden zijn bestemd voor de volgende doeleinden:

- agrarisch (bedrijfsmatig) grondgebruik;

[…].

Artikel 3.2, onder k, luidde:

"Ter plaatse van de aanduiding "burgerwoning" op de kaart burgerwoningen mag/mogen de daar bestaande burgerwoning(en) gehandhaafd blijven, waaronder tevens herbouw wordt begrepen; uitbreiding van het aantal woningen is niet toegestaan. […]."

Artikel 3.3 luidde:

"Op de tot "Agrarisch gebied" bestemde gronden zijn uitsluitend toegestaan gebouwen ten behoeve van agrarische bedrijven, burgerwoningen en openbaar nut alsmede andere bouwwerken die ten dienste staan van deze bestemming […]. Een en ander met inachtneming van de volgende bepalingen."

In artikel 3.3.3 was een tabel opgenomen waarin bouwvoorschriften waren vastgelegd voor "burgerwoningen, bijgebouwen en andere bouwwerken". Uit deze tabel volgt dat de bestaande woning als zodanig was bestemd en dat bijgebouwen en andere bouwwerken toegelaten waren binnen het "verbale bouwperceel van de burgerwoning".

Het begrip "verbale bouwperceel van de burgerwoning" was in artikel 1, lid 61, van de planvoorschriften als volgt gedefinieerd:

"het gebied gelegen binnen een afstand van 10 m uit de bestaande zijgevels van de woning en het verlengde daarvan én binnen een afstand van 40 m achter de bestaande voorgevel van de woning en het verlengde daarvan".

28.4.  De raad heeft toegelicht dat hij bij het vaststellen van de planregeling voor de percelen P811, P661 en P256 heeft aangesloten bij de planologische gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan "Buitengebied binnendijks deel" uit 2006. De percelen P811, P661 en P256 hadden in dat bestemmingsplan een agrarische bestemming, waarbij de bestaande burgerwoningen op de percelen [locatie D] en [locatie E] als zodanig waren bestemd. Omdat het bestemmingsplan uit 2006 uitging van zogenoemde "verbale bouwpercelen" (bij de burgerwoning) konden bijgebouwen en overige bouwwerken niet overal op het perceel worden opgericht. De feitelijke ligging van de woning bepaalde op welk deel van het perceel bijgebouwen en overige bouwwerken waren toegelaten.

[appellant sub 8] en anderen hebben niet bestreden dat de vastgestelde planregeling voor de percelen P811, P661 en P256, wat betreft de ligging en omvang van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen", in wezen voortbouwt op de systematiek van het bestemmingsplan "Buitengebied binnendijks deel" uit 2006 en dat in zoverre geen sprake is van een in planologisch opzicht nadeligere situatie. Het uitgangspunt van de raad om bij het vaststellen van het plan aansluiting te zoeken bij de voorheen geldende planologische mogelijkheden, is niet onredelijk. Met de eventuele toekomstige eigendomsoverdracht tussen [appellant sub 8] en [appellant sub 8A] behoefde de raad in redelijkheid geen rekening te houden. Het betoog slaagt niet.

28.5.  Over de door [appellant sub 8] en anderen gemaakte vergelijking met de percelen Rooijensestraat 20a en 22 heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situaties verschillen van de situatie op de percelen [locatie D] en [locatie E]. De percelen 20a en 22 zijn volgens de raad "smaller" dan de percelen van [appellant sub 8] en anderen. Om deze reden strekt het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" zich ter plaatse verder uit in noordelijke richting dan op de percelen van [appellant sub 8] en anderen. Wat betreft de oppervlakte is er volgens de raad geen noemenswaardig verschil.

In hetgeen [appellant sub 8] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de situaties die zij hebben genoemd niet dezelfde zijn als de situatie op hun percelen. Het betoog slaagt niet.

28.6.  De raad heeft in redelijkheid kunnen voorzien in de bestemming "Agrarisch met waarden" voor het noordelijke deel van de percelen P811 en P661, en voor het perceel P256. Het betoog slaagt niet.

Grondstrook Rooijensestraat in gebruik als tuin

29.     [appellant sub 8] en anderen betogen dat aan een deel van de Rooijensestraat, direct ten zuiden van hun percelen, ten onrechte de bestemming "Verkeer" is toegekend. Ter zitting hebben [appellant sub 8] en anderen toegelicht dat de desbetreffende strook kadastraal bezien weliswaar deel uitmaakt van de Rooijensestraat, maar dat zij deze strook al vele jaren gebruiken als tuin. Dit deel van de weg is dus feitelijk niet in gebruik als weg, en het is niet aannemelijk dat dit zal veranderen. Daarom had de raad deze strook moeten bestemmen voor "Wonen", aldus [appellant sub 8] en anderen.

29.1.  Volgens de raad hebben [appellant sub 8] en anderen een deel van de Rooijensestraat in gebruik genomen als voortuin, maar daarvoor heeft de gemeente geen toestemming gegeven. Het is niet uitgesloten dat de desbetreffende strook in de toekomst nodig zal zijn bij een herinrichting van de Rooijensestraat, aldus de raad.

29.2.    De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 8] en anderen aldus dat de bestemming "Verkeer" voor de strook direct ten zuiden van hun percelen niet-uitvoerbaar is, omdat zij deze strook in bezit hebben genomen en hebben ingericht als voortuin. Voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat, bestaat alleen aanleiding wanneer de belemmering een evident karakter heeft. Het staat vast dat de strook in kwestie eigendom is van de gemeente. De bestuursrechter treedt niet in de vraag of

[appellant sub 8] en anderen aanspraak kunnen maken op de desbetreffende strook door verkrijgende of bevrijdende verjaring, omdat dit een kwestie is die is voorbehouden aan de burgerlijke rechter. De gemeente kan - in beginsel - zowel privaatrechtelijk als publiekrechtelijk optreden tegen het gebruik van de strook als tuin bij de woningen van [appellant sub 8] en anderen indien dat niet rechtmatig is. In hetgeen [appellant sub 8] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van de bestemming "Verkeer" voor dit deel van de Rooijensestraat.

29.3.  Over de door [appellant sub 8] en anderen gemaakte vergelijking met het perceel kadastraal bekend Maasdriel, sectie P, nr. 709, dat feitelijk in gebruik is als tuin bij de woning aan de Hoenzadrielsedijk 34, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft toegelicht dat deze situatie niet vergelijkbaar is, omdat het perceel P709 eigendom is van het waterschap en kadastraal bezien geen deel uitmaakt van de Rooijensestraat, maar een "groenstrook" is, direct ten oosten van de woning aan de Hoenzadrielsedijk 34.

In hetgeen [appellant sub 8] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de situatie ten aanzien van het perceel P709 niet dezelfde is als de situatie die hier aan de orde is.

29.4.  Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de raad de strook van de Rooijensestraat direct ten zuiden van de percelen van [appellant sub 8] en anderen in redelijkheid heeft kunnen bestemmen voor "Verkeer". Het betoog slaagt niet.

Bestaande maten woning en bijgebouw

30.     [appellant sub 8] en anderen betogen dat de bestaande woning op het perceel [locatie D] niet als zodanig is bestemd. Deze woning heeft een inhoud van ongeveer 950 m³. Het plan laat ter plaatse een woning toe met een inhoud van maximaal 750 m³. Ook het bijgebouw op het perceel P811, met een oppervlakte van ongeveer 380 m², is niet als zodanig bestemd. In het plan is namelijk niets geregeld over de toegelaten oppervlakte van bijgebouwen, aldus [appellant sub 8] en anderen.

30.1.  Aan het deel van het perceel [locatie D] waar de woning ligt, en aan de gronden ter plaatse van het bijgebouw, is de bestemming "Wonen" toegekend.

In artikel 18.1, onder a, van de planregels staat dat de voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen.

In artikel 18.2.1 staat dat op deze gronden uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken die ten dienste staan van deze bestemming, zoals woningen in de vorm van een hoofdgebouw met bijbehorende bouwwerken, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

In artikel 18.2.2, aanhef, onder e, staat dat de inhoud van een hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 750 m³.

Artikel 18.2.3, aanhef en onder c, luidt: de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per woning maximaal

100 m² bedragen, met een maximum bebouwingspercentage van 50 procent van het bouwperceel achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw.

Artikel 38.5, onder a, luidt:

"Indien afstanden tot, bouwhoogten, goothoogten, dakhellingen, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan meer bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden voor die betreffende situatie als maximaal toelaatbaar worden aangehouden."

30.2.  De Afdeling overweegt dat de bestaande woning op het perceel [locatie D], die een grotere inhoud heeft als 750 m³, als zodanig is bestemd. Ook het bijgebouw op het perceel P811 is als zodanig bestemd. Dat volgt uit artikel 38.5, onder a, van de planregels. Het betoog slaagt niet.

Gebruik loods perceel P811 als kantoor

31.     [appellant sub 8] en anderen betogen dat in het plan ten onrechte niet is voorzien in het gebruik van (een deel van) de voormalige champignonloods op het perceel P811 voor kantoordoeleinden. Dit bijgebouw heeft een vloeroppervlakte van ongeveer 380 m². Een gedeelte van het gebouw is in 2011 omgebouwd tot een kantoorruimte en in 2012 als zodanig in gebruik genomen. De oppervlakte van het kantoorgedeelte bedraagt ongeveer 150 m². De raad had het bestaande gebruik als zodanig moeten bestemmen. Er bestaan geen ruimtelijke bezwaren tegen het medegebruik van het bijgebouw als kantoorruimte bij de woning, aldus [appellant sub 8] en anderen.

31.1.  Volgens de raad is een gedeelte van de voormalige champignonloods omstreeks 2012 in gebruik genomen als kantoor. Dat was in strijd met het op dat moment geldende bestemmingsplan. Het plan laat toe dat de woning en bijgebouwen worden gebruikt voor aan huis verbonden beroepen tot een oppervlakte van maximaal 30 m². Dit is volgens de raad in beginsel voldoende. Het als zodanig bestemmen van de feitelijke oppervlakte (150 m²) doet volgens de raad afbreuk aan het uitgangspunt dat het gebruik als kantoorruimte ondergeschikt moet zijn aan de woonfunctie.

31.2.  Artikel 18, lid 18.4.2, van de planregels luidt:

"Voor het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep als bedoeld in lid 18.1 gelden de volgende regels:

a. de gezamenlijke vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden beroep op de in lid 18.1 bedoelde gronden mag, in voorkomend geval samen met de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van andere beroeps- en bedrijfsactiviteiten als bedoeld in 18.5.1, niet meer bedragen dan 30 m² van de totale vloeroppervlakte van de gebouwen op het betreffende bouwperceel;

[…]."

31.3.  De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft mogen afzien van het als zodanig bestemmen van het bestaande gebruik van de voormalige champignonloods als kantoor. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat [appellant sub 8] en anderen alleen hebben gesteld dat geen ruimtelijke bezwaren bestaan tegen het als zodanig bestemmen van een oppervlakte van 150 m² voor kantoordoeleinden. Niet in geschil is dat zij de loods in gebruik hebben genomen voor kantoordoeleinden in strijd met het op dat moment geldende planologische regime. [appellant sub 8] en anderen hebben niet toegelicht waarom voor hun situatie een uitzondering gemaakt dient te worden op de "hoofdregel" van het gemeentelijk beleid dat maximaal een oppervlakte van 30 m² aangewend mag worden voor aan huis verbonden beroepen. Het betoog slaagt niet.

Gebruiksmogelijkheden nabijgelegen agrarische bedrijven

32.     [appellant sub 8] en anderen betogen dat de onbenutte planologische mogelijkheden van een aantal agrarische bedrijven, in het bijzonder champignonbedrijven, aan de Rooijensestraat ten onrechte zijn gehandhaafd.  Het handhaven van de onbenutte planologische mogelijkheden voor de genoemde percelen gaat ten koste van het woon- en leefklimaat in de omgeving, onder meer als gevolg van een (mogelijke) toename van de verkeershinder. Op de percelen Rooijensestraat 7, 24, 26 en 34, is sprake van bestaande champignonbedrijven. Op de percelen Rooijensestraat 9 en 38 is feitelijk al decennialang geen sprake van de teelt van paddenstoelen. [appellant sub 8] en anderen hebben ook nog gewezen op het perceel Rooijensestraat 20. Dit perceel is bestemd voor agrarische doeleinden, met bouwvlak, maar ook hier is volgens hen de bedrijfsvoering al lang geleden feitelijk gestaakt.

32.1.  Volgens de raad is bij het vaststellen van het plan het uitgangspunt gehanteerd dat de bestaande planologische gebruiksmogelijkheden van agrarische bedrijven behouden blijven. Het handhaven van de onbenutte planologische mogelijkheden van de door [appellant sub 8] en anderen genoemde agrarische bedrijven aan de Rooijensestraat stuit volgens de raad niet op ruimtelijke bezwaren, zodat geen aanleiding bestond om deze te beperken. Dit standpunt van de raad is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. [appellant sub 8] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij ernstig worden benadeeld door het handhaven van de (onbenutte) gebruiksmogelijkheden voor de genoemde percelen. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

33.     Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 8] en anderen ongegrond.

Proceskosten

34.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Verwerken uitspraak op de landelijke voorziening

35.     Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart gegrond de beroepen van:

a. Casarca B.V.;

b. [appellante sub 3];

c. Stichting Dorp en Landschap Bommelerwaard;

d. [appellant sub 5];

e. Stichting Fijn Wonen Schoofbandweg;

II.       vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Maasdriel van 26 juni 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2016", voor zover het betreft:

a1. artikel 1.70 van de planregels (Casarca);

a2. de zinsnede "met dien verstande dat een tunnelgebouw ten behoeve van substraatteelt voor de eigen kwekerij uitsluitend op het perceel Achterdijk 5a Rossum is toegestaan" in artikel 4.1, onderdeel c, van de planregels (Casarca);

b. artikel 3.4.4, onder a, onder 2, en artikel 4.4.4, onder a, onder 2, van de planregels ([appellante sub 3]);

c. bijlage 7 "Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming" bij de planregels voor zover het betreft de in de bijlage bij deze uitspraak opgenomen vergunningen (Stichting Dorp en Landschap);

d. de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" voor de percelen Schoofbandweg 10, Schoofbandweg 12 en Veilingweg 11 (Stichting Dorp en Landschap/[appellant sub 5]/Stichting Fijn Wonen);

e. artikel 3.3.7 en 4.3.7, van de planregels (Stichting Dorp en Landschap);

III.      bepaalt dat:

a. artikel 3.4.4, onder a, onder 2, en artikel 4.4.4, onder a, onder 2, van de planregels als volgt komen te luiden:

"indien een vergunning of melding als bedoeld onder 1 ontbreekt: de ten tijde van de vaststelling van het plan bestaande planologisch legale activiteit en de daarbij behorende stikstofemissie die ten hoogste feitelijk door die bestaande planologisch legale activiteit wordt veroorzaakt".

b. artikel 3.3.7 van de planregels als volgt komt te luiden:

"Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3, lid 3.2.2, onder a, onder 2, ten behoeve van een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderij binnen het bouwvlak mits wordt voldaan aan de randvoorwaarden en uitgangspunten die zijn gesteld in de "Beleidsregel Plussenbeleid", die op 26 juni 2019 is vastgesteld door de gemeenteraad, met dien verstande dat indien dit beleid nadien wordt gewijzigd, getoetst dient te worden aan het gewijzigde beleid."

c. artikel 4.3.7 van de planregels als volgt komt te luiden:

"Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij" bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4, lid 4.2.2, onder a, onder 2, ten behoeve van een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderij binnen het bouwvlak mits wordt voldaan aan de randvoorwaarden en uitgangspunten die zijn gesteld in de "Beleidsregel Plussenbeleid", die op 26 juni 2019 is vastgesteld door de gemeenteraad, met dien verstande dat indien dit beleid nadien wordt gewijzigd, getoetst dient te worden aan het gewijzigde beleid."

IV.     bepaalt dat deze uitspraak voor zover het betreft de beslissing onder III. in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.      draagt de raad van de gemeente Maasdriel op om binnen 30 weken na de verzending van deze uitspraak, met inachtneming van wat daarin is overwogen, een nieuw besluit te nemen over de hiervoor onder II.a1, en II.a2 vermelde plandelen en het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen;

VI.     verklaart de overige beroepen ongegrond;

VII.     draagt de raad van de gemeente Maasdriel op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdelen II.d. en III. worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VIII.    veroordeelt de raad van de gemeente Maasdriel tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

a. Casarca B.V. tot een bedrag van € 1.496,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. [appellante sub 3] tot een bedrag van € 1.496,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. [appellant sub 5] tot een bedrag van € 1.496,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX.     gelast dat de raad van de gemeente Maasdriel aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt

a. € 345,00 voor Casarca B.V.;

b. € 345,00 voor [appellante sub 3];

c. € 345,00 voor Stichting Dorp en Landschap Bommelerwaard;

d.  € 174,00 voor [appellant sub 5];

e. € 345,00 voor Stichting Fijn Wonen Schoofbandweg.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier.

w.g. Minderhoud

voorzitter

w.g. Milosavljević

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2021

418-208-739.

 

BIJLAGE

 

Nbw 1998-/Wnb-vergunningen bijlage 7 bij de planregels die zijn verleend op grondslag van het Programma Aanpak Stikstof (PAS)

(zaak)nummer van de vergunning en adres

- 2015-010169; Hoevenseweg 2, Hedel

- 2016-015260; Molenstraat 32. Hurwenen

- 2015-009806; Hurwenensestraat 7, Hurwenen

- 2015-010453; Molenstraat 37, Hurwenen

- 2015-016188; Veilingweg 1, Rossum

- 2015-016526; Schoofbandweg 12 Rossum

- 2015-016024; H.D. de Jonghweg 20, Rossum

- 2015-009720; Achterdijk 7, Rossum

- 2017-014774; Achterdijk 6, Rossum

- 2015-014505; Veilingweg 16, Velddriel

- 2015-014509; Veilingweg 19, Velddriel

- 2015-005159; Veilingweg 31, Velddriel

- 2017-012394; Veilingweg 11, Velddriel

- 2016-007054; Veilingweg 23, Velddriel

- 2015-014884; Maaijenstraat 38, Well

- 2016-002445; Molenachterdijk 3, Well