Home

Raad van State, 04-05-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1186, 201501951/1/A3

Raad van State, 04-05-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1186, 201501951/1/A3

Inhoudsindicatie

Bij achttien onderscheiden besluiten van 24 juli 2009 heeft de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat Rijnvaartverklaringen voor achttien schepen, die aan Christa als exploitant van de schepen waren verleend, ingetrokken.

Uitspraak

201501951/1/A3.

Datum uitspraak: 4 mei 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[curator], kantoorhoudend te Luxemburg (Luxemburg), in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de vennootschap naar Luxemburgs recht Christa Intershipping SARL, gevestigd te Bertrange (Luxemburg), (hierna: Christa),

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Wervelwind B.V., gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht, Liguria B.V., gevestigd te Ossendrecht, gemeente Woensdrecht, Transportonderneming Manouk B.V., gevestigd te Terneuzen, Marian Tanktransporten B.V., gevestigd te Zwijndrecht, Durance Shipping B.V., gevestigd te Hulst, Carpe Diem Scheepvaart B.V., gevestigd te Kerkdriel, gemeente Maasdriel, [appellante A], gevestigd te [plaats], Red Bull B.V., gevestigd te Ridderkerk,

[appellante B], gevestigd te [plaats], Strientank, gevestigd te Dordrecht, Oudcomb, gevestigd te Giessenburg, gemeente Giessenlanden,

[appellant C], wonend te Zwijndrecht,

(hierna tezamen en in enkelvoud: Wervelwind B.V.),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2015 in zaak nr. 14/2122 in het geding tussen:

Christa en Wervelwind B.V.

en

de minister van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij achttien onderscheiden besluiten van 24 juli 2009 heeft de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat Rijnvaartverklaringen voor achttien schepen, die aan Christa als exploitant van de schepen waren verleend, ingetrokken.

Bij besluit van 26 november 2013 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar, voor zover het is gemaakt namens Wervelwind B.V., niet-ontvankelijk verklaard en, voor zover bezwaar is gemaakt namens Christa, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 januari 2015 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep, voor zover namens Christa ingesteld, niet-ontvankelijk verklaard en, voor zover namens Wervelwind B.V. ingesteld, ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, voor zover ingediend door Christa, afgewezen en, voor zover ingediend door Wervelwind B.V., toegewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de curator van Christa en Wervelwind B.V. hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De curator van Christa heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2016, waar de curator van Christa en Wervelwind B.V., beide vertegenwoordigd door mr. M.J. van Dam, advocaat te Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. H.J. ‘t Hart, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

Ontvankelijkheid van het beroep, voor zover ingesteld door Christa

1. Christa en Wervelwind B.V. hebben op 2 januari 2014 beroep ingesteld tegen het besluit van 26 november 2013.

Op 29 september 2014 is Christa failliet verklaard.

Bij brief van 21 oktober 2014 heeft de rechtbank aan Van Dam, als gemachtigde van Christa, verzocht de rechtbank binnen twee weken mede te delen of de curator het beroep wenst voort te zetten.

Bij brief van 17 december 2014 heeft Van Dam de rechtbank medegedeeld dat hem niet bekend is of de curator het beroep wenst voort te zetten en vraagt Van Dam om de zaak aan te houden.

Bij brief van 19 december 2014 heeft de rechtbank de curator verzocht om de rechtbank vóór de zittingsdatum van 7 januari 2015 mede te delen of hij het beroep wenst voort te zetten. Voorts heeft de rechtbank medegedeeld dat, indien voor voormelde datum niets wordt vernomen, zij ervan uitgaat dat de curator het beroep niet wenst voort te zetten en dat de minister om verval van instantie kan verzoeken.

Ter zitting van de rechtbank op 7 januari 2015 heeft Van Dam verklaard dat de curator het beroep wenst voort te zetten. De minister heeft ter zitting om verval van instantie verzocht.

2. De rechtbank heeft overwogen dat de curator van Christa niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn aan de oproeping tot overneming van het geding gevolg heeft gegeven en dat de minister om verval van instantie heeft gevraagd. Volgens de rechtbank behoeft niet te worden getoetst of de minister een redelijk belang heeft bij het verzoek. De rechtbank heeft daarom het verzoek toegewezen en het beroep, voor zover ingesteld namens Christa, niet-ontvankelijk verklaard.

3. De curator van Christa betoogt dat de rechtbank het beroep, voor zover ingesteld namens Christa, ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank had moeten afwegen of er redenen waren om de procedure voort te zetten en de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet behoeft te worden getoetst of de minister een redelijk belang heeft bij het verzoek. De minister had geen belang bij het verzoek, aldus de curator van Christa.

3.1. Ingevolge artikel 8:22, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is in geval van faillissement artikel 27 van de Faillissementswet (hierna: de Fw) van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Fw wordt, indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, het geding ten verzoeke van de gedaagde geschorst, ten einde deze gelegenheid te geven, binnen een door de rechter te bepalen termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen.

Ingevolge het tweede lid heeft de gedaagde het recht ontslag van de instantie te vragen, zo de curator aan die oproeping geen gevolg geeft.

3.2. Uit het arrest van de Hoge Raad van 7 september 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA5197) volgt dat artikel 27, tweede lid, van de Fw niet dwingt tot toewijzing van een vordering tot verlening van ontslag van de instantie; de rechter mag deze onder omstandigheden afwijzen. Voorts heeft de Hoge Raad in voormeld arrest overwogen dat bij de beoordeling van een verzoek tot ontslag van de instantie het belang van de verzoeker dient te worden afgewogen tegen het belang van de wederpartij bij het verkrijgen van een beslissing op het materiële geschil zoals dat door hem aan de rechter is voorgelegd. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat niet behoeft te worden getoetst of een redelijk belang bestaat bij het verzoek.

3.3. Het belang van de minister bij beëindiging van de procedure is er in gelegen dat hij geen verdere kosten maakt voor de procedure.

3.4. De curator van Christa heeft desgevraagd verklaard dat het belang van Christa bij voortzetting van de procedure er in is gelegen dat zij van de Belastingdienst een naheffingsaanslag loonheffingen, waaronder premies sociale verzekeringen, heeft ontvangen. Over de naheffingsaanslag, die ongeveer € 6,8 miljoen bedraagt, is een procedure aanhangig.

3.4.1. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (hierna: het Rijnvarendenverdrag) is op de rijnvarende de wetgeving van toepassing van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming, waartoe het in artikel 1, aanhef en onder m, bedoelde schip, aan boord waarvan deze rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht, behoort.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder m, wordt voor de toepassing van het Rijnvarendenverdrag onder rijnvarende verstaan een werknemer of een zelfstandige, alsmede elke persoon die krachtens de van toepassing zijnde wetgeving met hen wordt gelijkgesteld, die behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip, dat met winstoogmerk in de rijnvaart wordt gebruikt en is voorzien van het certificaat bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte.

Ingevolge artikel 72, aanhef en onder a, heeft het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de rijnvarenden (hierna: het Administratief Centrum) tot taak alle vraagstukken betreffende de interpretatie en de toepassing van het Rijnvarendenverdrag te behandelen.

Ingevolge artikel 1 van Besluit nr. 7 van het Administratief Centrum is de onderneming waartoe het schip behoort, waar artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag naar verwijst, de onderneming of de vennootschap die het betrokken schip exploiteert.

Ingevolge artikel 4 zijn bij de toepassing van dit Besluit de op de Rijnvaartverklaring vermelde gegevens maatgevend.

3.4.2. Op rijnvarenden is derhalve de sociale zekerheidswetgeving van toepassing van de staat waar volgens de Rijnvaartverklaring de exploitant van het schip, waarop de rijnvarende arbeid verricht, gevestigd is. De besluiten van de staatssecretaris van 24 juli 2009, waarbij hij Rijnvaartverklaringen van achttien schepen, waarop Christa als exploitant staat vermeld, heeft ingetrokken, kunnen derhalve van invloed zijn op de door de Belastingdienst aan Christa opgelegde naheffingsaanslag. Hierin is het belang van Christa bij voortzetting van de procedure gelegen.

3.5. Nu Christa een aanmerkelijk groter financieel belang heeft bij voortzetting van de procedure, dan de minister heeft bij beëindiging van de procedure, had de rechtbank het verzoek om ontslag van instantie moeten afwijzen. De rechtbank heeft het beroep, voor zover ingesteld namens Christa, ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Hetgeen de curator van Christa overigens tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

Het betoog slaagt.

Ontvankelijkheid van het bezwaar, voor zover gemaakt door Wervelwind B.V.

4. Wervelwind B.V. is eigenaar van de achttien schepen waarvan de aan Christa verleende Rijnvaartverklaringen zijn ingetrokken.

5. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich bij besluit van 26 november 2013 terecht op het standpunt heeft gesteld dat Wervelwind B.V. geen belanghebbende is bij de onderscheiden besluiten van 24 juli 2009, nu Wervelwind B.V. slechts een afgeleid belang heeft. Daartoe heeft de rechtbank van belang geacht dat de Rijnvaartverklaringen aan Christa als exploitant waren verleend, dat Wervelwind B.V. slechts belang heeft via de contractuele relatie met Christa en dat Wervelwind B.V. zelf nieuwe Rijnvaartverklaringen voor haar schepen kan aanvragen.

6. Wervelwind B.V. betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister het bezwaar, voor zover namens haar gemaakt, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert zij aan dat uit het Toepassingsreglement, zijnde een bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2919/85 van de Raad van 17 oktober 1985, blijkt dat de eigenaar en de exploitant van een schip beiden op de Rijnvaartverklaring worden vermeld en dat zij beiden aan de gestelde voorwaarden moeten voldoen. Volgens haar doet het er niet toe of de eigenaar dan wel de exploitant de Rijnvaartverklaring heeft aangevraagd.

6.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

6.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Herziene Rijnvaartakte hebben de tot de Rijnvaart behorende vaartuigen het recht om bij de doorvaart door Nederland de weg te kiezen die hun goeddunkt, teneinde zich te begeven van de Rijn naar open zee of naar België en omgekeerd.

Ingevolge het derde lid wordt elk vaartuig dat het recht heeft de vlag te voeren van één van de Verdragsluitende Staten en dit kan bewijzen door een verklaring van het bevoegde gezag, geacht tot de Rijnvaart te behoren.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, mogen tot de Rijnvaart behorende vaartuigen goederen en personen vervoeren tussen twee punten gelegen aan de Rijn, zijn zijrivieren, voor zover die in het gebied van de Hoge Verdragsluitende Partijen gelegen zijn, en de in artikel 2 bedoelde waterwegen. Andere vaartuigen mogen dat vervoer alleen verrichten onder de door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde voorwaarden.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Toepassingsreglement, bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2919/85 van de Raad van 17 oktober 1985 (Pb 1985 nr. L 280/4) wordt voor een vaartuig slechts een Rijnvaartverklaring opgesteld indien de eigenaar ervan, als rechtspersoon of onderneming naar privaatrecht, is opgericht in een Verdragsluitende Staat volgens de wetgeving van deze Staat, de zetel en het centrum van zijn handelsactiviteit alsmede de plaats van waaruit hij de exploitatie van zijn vaartuig leidt, in deze Verdragsluitende Staat heeft, en wordt beheerd en bestuurd door personen waarvan de meerderheid bestaat uit staatsburgers van de Verdragsluitende Staten en die hun woon- of verblijfplaats en, in geval van rechtspersonen, hun zetel hebben in één van deze Staten.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, moet in de Rijnvaartverklaring zijn vermeld de naam van het vaartuig, de naam van de eigenaar en eventueel van de exploitant en in het bijzonder:

- de naam of het nummer, de plaats van inschrijving, het type en de categorie van het vaartuig;

- de naam, de firmanaam, de woonplaats, de verblijfplaats of de zetel van de eigenaar en eventueel van de exploitant.

Ingevolge het tweede lid moet de Rijnvaartverklaring zich bevinden aan boord van het vaartuig en worden getoond op verzoek van de met controle belaste autoriteiten.

De bepalingen opgenomen in het Toepassingsreglement zijn eveneens door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgesteld.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Binnenvaartwet is het degene die bedrijfsmatig vervoer van goederen of personen verricht verboden een schip te gebruiken waarvoor niet een in het tweede lid bedoeld document van toelating is afgegeven.

Ingevolge het tweede lid worden overeenkomstig bindende besluiten van instellingen van de Europese Gemeenschappen dan wel anderszins ter uitvoering van verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties bij of krachtens algemene maatregel van bestuur documenten van toelating vastgesteld, die voor bepaalde categorieën van schepen of bepaalde soorten van vervoer kunnen verschillen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Binnenvaartbesluit is het schip bij bedrijfsmatig vervoer van goederen of personen tussen twee plaatsen aan de binnenwateren, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Herziene Rijnvaartakte, voorzien van een Rijnvaartverklaring.

Ingevolge het tweede lid is het schip bij bedrijfsmatig vervoer van goederen of personen dat niet plaatsvindt tussen twee plaatsen als bedoeld in het eerste lid, voorzien van:

a. een Rijnvaartverklaring;

b. (..); of

c. (..).

6.2.1. Een Rijnvaartverklaring wordt dus voor een bepaald schip afgegeven en biedt het bewijs dat dat schip ingevolge de Herziene Rijnvaartakte het recht heeft om bij de doorvaart door Nederland de weg te kiezen die hem goeddunkt, teneinde zich te begeven van de Rijn naar open zee of naar België en omgekeerd en het recht heeft om goederen en personen te vervoeren tussen twee punten gelegen aan de hiervoor bedoelde waterwegen en aan de Rijn en zijn zijrivieren, voor zover die in het gebied van de Hoge Verdragsluitende Partijen gelegen zijn. Voorts is een Rijnvaartverklaring een document van toelating voor een schip voor bedrijfsmatig vervoer van goederen of personen over binnenwateren in Nederland.

6.3. Namens de minister is ter zitting verklaard dat de ingetrokken Rijnvaartverklaringen door Christa, met toestemming van Wervelwind B.V., waren aangevraagd. Voor het verkrijgen van de Rijnvaartverklaringen moest Wervelwind B.V., als eigenaar van de schepen, aan de voorwaarden gesteld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Toepassingsreglement voldoen. Op de ingetrokken Rijnvaartverklaringen staat Christa als exploitant en Wervelwind B.V. als eigenaar vermeld. Nu een Rijnvaartverklaring het bewijs biedt dat het schip tot de Rijnvaart behoort, waardoor het rechten kan ontlenen aan de Herziene Rijnvaartakte, en een document van toelating voor Nederlandse binnenwateren is, is het aannemelijk dat een geldige voor een schip afgegeven Rijnvaartverklaring de waarde van dat schip verhoogt. Er bestaat dus een reële mogelijkheid dat Wervelwind B.V. door de intrekking van de Rijnvaartverklaringen in haar aan de eigendom van de schepen ontleende belang is geschaad. Zij is daarom belanghebbende bij de besluiten van 24 juli 2009. Dat Wervelwind B.V. na de intrekking, onverwijld, met een nieuwe exploitant of zelf exploiterend, nieuwe Rijnvaartverklaringen voor haar schepen kon aanvragen, maakt dit niet anders, nu tot daadwerkelijke afgifte van nieuwe Rijnvaartverklaringen enige tijd zal verstrijken, waarin de schepen geen geldige Rijnvaartverklaring bezitten. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister het bezwaar, voor zover gemaakt namens Wervelwind B.V., ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog slaagt.

Conclusie ten aanzien van het beroep en hoger beroep

7. Hieruit volgt dat het hoger beroep gegrond is. Het beroep is, voor zover ingesteld door Christa, ontvankelijk en, voor zover ingesteld door Wervelwind B.V., gegrond. De minister heeft het bezwaar, voor zover ingesteld namens Wervelwind B.V., ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Christa en Wervelwind B.V. hebben in bezwaar dezelfde gronden aangevoerd. De minister heeft in die gronden geen aanleiding gezien om het bezwaar, voor zover ingesteld namens Christa, gegrond te verklaren. Nu Christa in beroep, de curator van Christa in hoger beroep en Wervelwind B.V. in bezwaar, beroep en hoger beroep ontvankelijk zijn, zal de Afdeling de in beroep en hoger beroep aangevoerde gronden over de intrekking van de Rijnvaartverklaringen bespreken.

Beoordeling van de intrekking van de Rijnvaartverklaringen en het afzien van horen in bezwaar

8. In de besluiten van 24 juli 2009 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat Christa niet aan artikel 5 van het Toepassingsreglement voldoet, nu de aan haar door de Luxemburgse autoriteiten verleende exploitatieverklaringen zijn verlopen. Hij was daarom ingevolge artikel 6, derde lid, van het Toepassingsreglement en artikel 3, derde lid, van het Binnenvaartbesluit gehouden de Rijnvaartverklaringen in te trekken. Verder is gebleken dat Christa de weigering van de Luxemburgse autoriteiten om opnieuw een exploitatieverklaring af te geven, tevergeefs heeft aangevochten in rechte, aldus de staatssecretaris.

9. Christa en Wervelwind B.V. hebben betoogd dat de Rijnvaartverklaringen ten onrechte zijn ingetrokken. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de minister ten onrechte de aanwezigheid van een geldige exploitatieverklaring ziet als vereiste voor een Rijnvaartverklaring, nu dat niet volgt uit het Toepassingsreglement en de Nederlandse regelgeving. Voorts hebben zij aangevoerd dat bij verstrekking van de Rijnvaartverklaringen voor onbepaalde tijd reeds bij de minister bekend was dat de exploitatieverklaringen zouden verlopen. Er heeft zich derhalve geen wijziging voorgedaan in de omstandigheden waaronder de Rijnvaartverklaringen zijn verstrekt. Christa en Wervelwind B.V. voeren verder aan dat de staatssecretaris ten onrechte niet zelf heeft getoetst of Christa voldeed aan de vereisten voor een exploitatieverklaring. Christa voldeed volgens hen aan het in artikel 3 van het Toepassingsreglement uitgewerkte reële band-vereiste en was de exploitant van de schepen. Het begrip exploitant is in de regelgeving over de Rijnvaartverklaringen niet gedefinieerd en daarom moet bij twijfel een prejudiciële vraag worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Verder hebben Christa en Wervelwind B.V. betoogd dat in strijd met het verbod van détournement de pouvoir is gehandeld. Daartoe voeren zij aan dat de Rijnvaartverklaringen zijn ingetrokken met het oog op de invloed op het op de rijnvarenden van toepassing zijnde sociale verzekeringsrecht. Voorts bestaat geen belang bij intrekking van de Rijnvaartverklaringen, nu Christa voldoet aan het reële band-vereiste.

9.1.1. Ingevolge het eerste lid van het Protocol van Ondertekening bij het Aanvullend Protocol No. 2 bij de Herziene Rijnvaartakte wordt een Rijnvaartverklaring door het bevoegde gezag van de betrokken Staat alleen afgegeven voor een vaartuig ten aanzien waarvan met deze Staat een reële band bestaat waarvan de kenmerken worden bepaald tussen de Verdragsluitende Staten, die de noodzakelijke maatregelen voor de eenvormige vaststelling van die kenmerken nemen.

Ingevolge het derde lid wordt de behandeling, die de tot de Rijnvaart behorende vaartuigen genieten, toegekend aan de vaartuigen die het recht hebben de vlag te voeren van één van de Lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap (thans: de Europese Unie).

Ingevolge artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: het VEU) respecteren de Unie en de lidstaten, krachtens het beginsel van loyale samenwerking, elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien. De lidstaten treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. De lidstaten vergemakkelijken de vervulling van de taak van de Unie en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen.

Ingevolge artikel 1 van het Toepassingsreglement, bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2919/85, worden voor de toepassing van dit Reglement Lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap (thans: de Europese Unie) gelijkgesteld met de Verdragsluitende Staten van de Herziene Rijnvaartakte. De in dit Reglement gebruikte term "Verdragsluitende Staat" omvat steeds elk van deze hiermede gelijkgestelde Staten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, zijn alleen de autoriteiten van de Verdragsluitende Staat waarin een vaartuig is ingeschreven in een openbaar register, bevoegd tot het afgeven en intrekken van een Rijnvaartverklaring.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, wordt voor een vaartuig slechts een Rijnvaartverklaring opgesteld indien de eigenaar ervan, als rechtspersoon of onderneming naar privaatrecht, is opgericht in een Verdragsluitende Staat volgens de wetgeving van deze Staat, de zetel en het centrum van zijn handelsactiviteit alsmede de plaats van waaruit hij de exploitatie van zijn vaartuig leidt, in deze Verdragsluitende Staat heeft, en wordt beheerd en bestuurd door personen waarvan de meerderheid bestaat uit staatsburgers van de Verdragsluitende Staten en die hun woon- of verblijfplaats en, in geval van rechtspersonen, hun zetel hebben in één van deze Staten.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, moet de exploitant van het vaartuig voldoen aan dezelfde voorwaarden als de eigenaar om een Rijnvaartverklaring te verkrijgen voor het vaartuig dat hij exploiteert.

Ingevolge het tweede lid zijn de autoriteiten van de Verdragsluitende Staat waarin zich de zetel van de onderneming van de exploitant bevindt, bevoegd tot het afgeven en intrekken van de op hem betrekking hebbende verklaring.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, dienen de eigenaar en de exploitant van het vaartuig, elk voor zich, de bevoegde autoriteit die de verklaring heeft afgegeven, onverwijld schriftelijk mededeling te doen van iedere wijziging in de omstandigheden op grond waarvan de verklaring is afgegeven.

Ingevolge het derde lid kunnen de bevoegde autoriteiten te allen tijde nagaan of aan de voorwaarden, gesteld in de artikelen 3, 4 en 5, nog steeds wordt voldaan. Indien dit niet het geval is, trekken zij de verklaring in.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Binnenvaartbesluit verstrekt de minister van Verkeer en Waterstaat (thans: Infrastructuur en Milieu) voor een schip een Rijnvaartverklaring, indien de eigenaar voldoet aan bij regeling van de minister te stellen regels: in geval van een rechtspersoon of een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid: met betrekking tot de oprichting, de zetel, het centrum van de handelsactiviteit, de plaats van waaruit de exploitatie wordt geleid, het bestuur en het beheer.

Ingevolge het tweede lid doet de houder van een Rijnvaartverklaring aan de minister binnen twee weken schriftelijk mededeling van iedere wijziging in de omstandigheden op grond waarvan de Rijnvaartverklaring is verstrekt.

Ingevolge het derde lid trekt de minister de verklaring in, indien niet langer aan de in het eerste lid bedoelde regels wordt voldaan en kan hij de verklaring intrekken als de houder niet voldoet aan de verplichting genoemd in het tweede lid.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder b, kunnen bij regeling van de minister regels worden gesteld met betrekking tot de voorschriften waaraan moet zijn voldaan en de gegevens die worden verstrekt bij een aanvraag om afgifte of intrekking van de Rijnvaartverklaring.

Ingevolge artikel 8.1 van de Binnenvaartregeling verstrekt de minister een Rijnvaartverklaring, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 5 van het Toepassingsreglement.

9.2. De minister is ingevolge artikel 6, derde lid, van het Toepassingsreglement, artikel 3, derde lid, en eerste lid, aanhef en onder b, van het Binnenvaartbesluit en artikel 8.1 van de Binnenvaartregeling gehouden een Rijnvaartverklaring in te trekken, indien aan de voorwaarden, gesteld in de artikelen 3, 4 en 5 van het Toepassingsreglement, niet wordt voldaan. In artikel 5, eerste lid, van het Toepassingsreglement is bepaald dat de exploitant net zoals de eigenaar moet voldoen aan het reële band-vereiste. In het tweede lid is bepaald dat de autoriteiten van de staat waarin zich de zetel van de onderneming van de exploitant bevindt, bevoegd zijn tot het afgeven en intrekken van een exploitatieverklaring. Het destijds ter zake bevoegde College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft overwogen (uitspraak van 14 april 2010; ECLI:NL:CBB:2010:BM2369), dat de exploitant met een exploitatieverklaring, aantoont dat hij een reële band heeft met de staat waar hij zijn zetel heeft. Voorts heeft het College in de voormelde uitspraak overwogen dat de staatssecretaris voor afgifte van een Rijnvaartverklaring terecht heeft geëist dat een geldige exploitatieverklaring wordt overgelegd.

9.2.1. Ingevolge artikel 43 van de Herziene Rijnvaartakte bestaat de Centrale Commissie voor de Rijnvaart uit commissarissen, waarvan elke Verdragsluitende Staat er een tot vier mag benoemen en houdt de Centrale Commissie beraadslagingen over zaken die de Rijnvaart betreffen. De Centrale Commissie heeft voor het aanvragen van een exploitatieverklaring een formulier vastgesteld (http://www.ccr-zkr.org/13020900-nl.html). Op dit formulier is vermeld dat de exploitant degene is die het schip voor eigen rekening en risico exploiteert. Indien het schip door meer dan één entiteit wordt geëxploiteerd, komt het erop aan wie het schip daadwerkelijk exploiteert en beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip. Op het formulier staan vragen over de wijze van exploitatie van het schip. Voorts is vermeld dat alleen de Verdragsluitende Staat waar zich de woon- of verblijfplaats, de zetel of het kantoor van de onderneming van de exploitant zich bevindt, de exploitatieverklaring mag afgeven en intrekken. De Centrale Commissie heeft eveneens een model van een exploitatieverklaring vastgesteld (zie voormeld internetadres). Daarop staat dat deze verklaring aan de voor de eigenaar van het schip bevoegde overheid moet worden voorgelegd. Voorts staat er op dat deze verklaring bevestigt dat de exploitant ingevolge artikel 5 van het Toepassingsreglement aan de voorwaarden voldoet voor de exploitatie van een tot de Rijnvaart behorend vaartuig.

9.2.2. Uit artikel 5, tweede lid, van het Toepassingsreglement volgt dat de autoriteiten van de staat, waarin zich de zetel van de onderneming van de exploitant bevindt, bevoegd zijn tot het afgeven en intrekken van een exploitatieverklaring. Gelet op artikel 5, eerste lid, van het Toepassingsreglement en het door de Centrale Commissie vastgestelde aanvraagformulier, beoordelen de autoriteiten van die staat daartoe of de entiteit die de exploitatieverklaring heeft aangevraagd de daadwerkelijke exploitant van het schip is en of die entiteit voldoet aan het reële band-vereiste. Indien de autoriteiten van die staat oordelen dat aan die twee eisen wordt voldaan, geven zij een exploitatieverklaring af, waarmee die beoordeling wordt vastgelegd. De exploitatieverklaring wordt vervolgens bij de aanvraag van een Rijnvaartverklaring aan de bevoegde autoriteiten van de staat, waarin zich de zetel van de eigenaar bevindt, overgelegd. De autoriteiten van die staat beoordelen of de eigenaar van het schip voldoet aan de geldende eisen voor afgifte van een Rijnvaartverklaring. Uit het Toepassingsreglement volgt dus dat de autoriteiten van de staat, waarin zich de zetel van de exploitant, dan wel de eigenaar, bevindt, moeten beoordelen of die exploitant, onderscheidenlijk die eigenaar, aan de vereisten voldoet. In beginsel zijn de autoriteiten van die staat het best in staat om die beoordeling te verrichten.

Indien de autoriteiten van de staat, waarin zich de zetel van de eigenaar bevindt, beoordelen of de in een andere staat gevestigde entiteit die de exploitatieverklaring heeft aangevraagd de daadwerkelijke exploitant van het schip is en of die entiteit voldoet aan het reële band-vereiste, doorkruisen zij de beoordeling daarover van de autoriteiten van de staat, waarin zich de zetel van de exploitant bevindt, hetgeen op gespannen voet staat met de premisse van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten. Met een dergelijke beoordeling van de autoriteiten van de staat, waarin zich de zetel van de eigenaar bevindt, voldoet die staat niet aan de in artikel 4, derde lid, van het VEU neergelegde loyale samenwerkingsverplichting. Voorts zou afbreuk worden gedaan aan de doelstellingen van het Toepassingsreglement, nu het Toepassingsreglement erin voorziet dat de autoriteiten van de staat, die daartoe het best in staat zijn, namelijk die van de staat waarin zich de zetel van de exploitant bevindt, beoordelen of die exploitant aan de vereisten voldoet. Hieruit volgt dat de aan- of afwezigheid van een geldige exploitatieverklaring de autoriteiten van de staat, waarin zich de zetel van de eigenaar bevindt, bindt.

9.2.3. Ondersteunend voor dit oordeel is het arrest van 26 januari 2006 van het Hof van Justitie, Herbosch Kiere (ECLI:EU:C:2006:69), overwegingen 18-33, waarin het Hof een prejudiciële beslissing heeft gegeven op vragen over een E101-verklaring. Met een E101-verklaring bevestigt het bevoegde orgaan van een lidstaat waar een uitzendbureau is gevestigd, dat de in een andere lidstaat gedetacheerde werknemer gedurende de detacheringsperiode aan zijn eigen socialezekerheidsregeling onderworpen blijft. Een exploitatieverklaring als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Toepassingsreglement en een E101-verklaring houden beide een door de autoriteiten van een lidstaat verrichtte beoordeling in ten aanzien van een met die lidstaat verbonden rechtssubject dat in een andere lidstaat activiteiten ontplooit. Derhalve was in het arrest Herbosch Kiere een met deze zaak vergelijkbare situatie aan de orde. Het Hof van Justitie heeft in overweging 26 van dat arrest onder verwijzing naar de toen geldende voorloper van artikel 4, derde lid, van het VEU, artikel 10 van het EG-verdrag, overwogen dat, zolang de E101-verklaring niet is ingetrokken of ongeldig verklaard door de autoriteiten van de lidstaat van afgifte, zij het bevoegde orgaan en de rechterlijke instanties van de lidstaat waarin de werknemers zijn gedetacheerd, bindt.

Voorts volgt uit overwegingen 27-30 van het arrest dat de autoriteiten van afgifte de juistheid van de E101-verklaring dienen te onderzoeken, indien de autoriteiten van de lidstaat waar de werknemers zijn gedetacheerd, twijfels uiten over de feiten die aan de afgifte van deze verklaring ten grondslag liggen. Indien de betrokken organen na contact het niet eens worden, kan de kwestie worden voorgelegd aan de Administratieve Commissie of kan er eventueel een niet-nakomingsprocedure bij het Hof worden ingeleid. Het Hof heeft evenwel uitdrukkelijk overwogen dat indien de nationale autoriteiten van de lidstaat, waar de werknemers zijn gedetacheerd, een E101-verklaring ongeldig kunnen laten verklaren door de rechterlijke instanties van die lidstaat, het op de loyale samenwerking tussen de bevoegde organen van de lidstaten gebaseerde stelsel in gevaar zou kunnen komen.

9.2.4. De minister heeft zich in de thans voorliggende zaak derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de aan- of afwezigheid van een geldige exploitatieverklaring, als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Toepassingsreglement, afgegeven door de autoriteiten van de staat, waarin zich de zetel van de onderneming van de exploitant bevindt, hem bindt. Voor de vragen of de gestelde exploitant de werkelijke exploitant van het schip is en of die exploitant voldoet aan het reële band-vereiste moet hij derhalve van de beoordeling van de autoriteiten van die staat uitgaan. Tegen een besluit van de autoriteiten van die staat over afgifte, weigering of intrekking van een exploitatieverklaring kan in die staat een rechtsmiddel worden aangewend.

9.3. De exploitatieverklaringen die door Christa bij de aanvraag om de Rijnvaartverklaringen voor de achttien schepen waren overgelegd, waren ten tijde van de besluiten van 24 juli 2009 verlopen. Alvorens de Rijnvaartverklaringen in te trekken, heeft de staatssecretaris Christa in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken geldige exploitatieverklaringen over te leggen. Christa heeft dit niet gedaan. Vanaf de dag waarop de exploitatieverklaringen verliepen, voldeed Christa niet meer aan de voorwaarden gesteld in artikel 5 van het Toepassingsreglement. Dat de staatssecretaris de Rijnvaartverklaringen voor onbepaalde tijd heeft afgegeven, terwijl hij wist dat de overgelegde exploitatieverklaringen voor bepaalde tijd geldig waren, maakt niet dat de staatssecretaris de Rijnvaartverklaringen ten onrechte heeft ingetrokken, nu, zoals hiervoor onder 9.2 is overwogen, de Rijnvaartverklaringen ingetrokken moeten worden, indien niet aan de voorwaarden voor afgifte wordt voldaan. De staatssecretaris heeft derhalve terecht bij de besluiten van 24 juli 2009 de Rijnvaartverklaringen ingetrokken.

9.4. Het betoog van Christa en Wervelwind B.V., dat Christa aan het in artikel 3 van het Toepassingsreglement uitgewerkte reële band-vereiste voldeed en de exploitant was van de schepen, kan in deze procedure niet aan de orde komen, omdat het, zoals hiervoor is overwogen, niet aan de minister is dit te beoordelen. Voorts bestond er op basis van de in het dossier beschikbare gegevens geen aanleiding voor de minister om contact te zoeken met de Luxemburgse autoriteiten over de juistheid van de feiten die ten grondslag liggen aan het vervallen van de exploitatieverklaring. Vaststaat dat de minister gebonden was aan het oordeel van de Luxemburgse autoriteiten omtrent de weigering om opnieuw een exploitatieverklaring af te geven. Anders dan appellanten betogen, bestaat er daarom, gelet op het arrest van het Hof van justitie van 6 oktober 1982, 283/81, Cilfit (ECLI:EU:C:1982:335), overweging 16, geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, aangezien redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop het begrip exploitant moet worden uitgelegd in de onderhavige zaak.

9.5. Zoals hiervoor reeds is overwogen, was de staatssecretaris gehouden de Rijnvaartverklaringen in te trekken, omdat Christa geen geldige exploitatieverklaringen had. Dat de intrekking van de Rijnvaartverklaringen invloed heeft op het toepasselijke sociale zekerheidsrecht en de Belastingdienst daarom is geïnformeerd over de intrekkingen, biedt dan ook geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris met dat doel de Rijnvaartverklaringen heeft ingetrokken. De staatssecretaris en de minister hebben derhalve niet gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir.

9.6. Het betoog faalt.

10. Christa en Wervelwind B.V. hebben betoogd dat zij ten onrechte in bezwaar niet zijn gehoord. Het bezwaar was niet kennelijk ongegrond en kennelijk niet-ontvankelijk. De staatssecretaris heeft hun bovendien bij brief van 4 september 2009 medegedeeld dat zij in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord en Van Dam heeft namens Christa en Wervelwind B.V. in een reactie daarop verklaard te willen worden gehoord.

10.1. Nu hiervoor onder 6.3 reeds is overwogen dat de minister bij het besluit 26 november 2013 het bezwaar, voor zover gemaakt namens Wervelwind B.V., ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, komt dat besluit reeds in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Het betoog van Wervelwind B.V., dat zij ten onrechte in bezwaar niet is gehoord, behoeft daarom geen bespreking. Het betoog van Christa behoeft wel bespreking.

10.2. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

10.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 december 2008 in zaak nr. 200704652/1) mag van het horen slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien op voorhand er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

Nu de minister ingevolge artikel 6, derde lid, van het Toepassingsreglement, artikel 3, derde lid, en eerste lid, aanhef en onder b, van het Binnenvaartbesluit en artikel 8.1 van de Binnenvaartregeling gehouden was de Rijnvaartverklaringen in te trekken, omdat Christa niet meer beschikte over geldige exploitatieverklaringen, heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat op voorhand er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was, dat de aangevoerde bezwaargronden niet konden leiden tot herroeping van de besluiten van 24 juli 2009. Christa heeft in bezwaar niet aangevoerd dat zij alsnog geldige exploitatieverklaringen kan overleggen.

In de brief van 4 september 2009 heeft de staatssecretaris gevraagd om kenbaar te maken of Christa van de gelegenheid om gehoord te worden gebruik wenst te maken. Dit is geen uitnodiging voor een hoorzitting. Het door Christa ingediende bezwaarschrift heeft als dagtekening 2 september 2009 en vermeldt dat het bezwaar zal worden gemotiveerd binnen een door de staatssecretaris te bepalen termijn. De brief van de staatssecretaris van 4 september 2009 is slechts twee dagen na dit bezwaarschrift opgesteld en, hoewel het duidelijker was geweest indien de staatssecretaris in de brief had vermeld dat alsnog van horen wordt afgezien indien zich een situatie als bedoeld in artikel 7:3 van de Awb voordoet, uit die brief blijkt niet dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft gesteld dat zich niet een situatie als bedoeld in artikel 7:3 van de Awb voordoet. Reeds daarom stond die brief niet aan het afzien van horen op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb in de weg. De staatssecretaris mocht derhalve van het horen van Christa afzien.

Het betoog faalt.

11. Uit het voorgaande volgt dat de besluiten van de staatssecretaris van 24 juli 2009, waarbij hij de Rijnvaartverklaringen heeft ingetrokken, niet onrechtmatig zijn. De minister heeft het bezwaar, voor zover gemaakt door Christa, terecht kennelijk ongegrond verklaard. Het bezwaar, voor zover gemaakt door Wervelwind B.V., is, nu zij en Christa in bezwaar exact dezelfde gronden hebben aangevoerd, eveneens kennelijk ongegrond.

Conclusie en proceskostenveroordeling

12. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep, voor zover ingesteld namens Christa, niet-ontvankelijk heeft verklaard en, voor zover ingesteld namens Wervelwind B.V., ongegrond heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 26 november 2013 van de minister, voor zover ingesteld namens Christa, alsnog ongegrond verklaren en, voor zover ingesteld namens Wervelwind B.V., alsnog gegrond verklaren. Het besluit van 26 november 2013 komt wegens strijd met artikel 1:2, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking, voor zover de minister het bezwaar, voor zover gemaakt namens Wervelwind B.V., niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar, voor zover gemaakt namens Wervelwind B.V., alsnog ongegrond te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 26 november 2013, voor zover dat wordt vernietigd.

13. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2015 in zaak nr. 14/2122, voor zover de rechtbank het beroep, voor zover ingesteld namens Christa, niet-ontvankelijk heeft verklaard en zij het beroep, voor zover ingesteld namens Wervelwind B.V., ongegrond heeft verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover ingesteld door Christa, ongegrond en, voor zover ingesteld door Wervelwind B.V., gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Infrastructuur en Milieu van 26 november 2013, kenmerken B-2-09-0181.001 tot en met B-2-09-0198.001, voor zover de minister het bezwaar, voor zover gemaakt namens Wervelwind B.V., niet-ontvankelijk heeft verklaard;

V. verklaart het bezwaar in zoverre ongegrond;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het onder IV. vermelde besluit, voor zover dat is vernietigd;

VII. veroordeelt de minister van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij de curator van Christa en Wervelwind B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één appellant bevrijdend werkt ten opzichte van de andere appellanten;

VIII. gelast dat de minister van Infrastructuur en Milieu aan de curator van Christa en Wervelwind B.V. het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één appellant bevrijdend werkt ten opzichte van de andere appellanten.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Vlasblom

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2016

582-819.