Home

Raad van State, 23-04-2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421, 201304503/1/R1

Raad van State, 23-04-2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421, 201304503/1/R1

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23 april 2014
Datum publicatie
23 april 2014
ECLI
ECLI:NL:RVS:2014:1421
Zaaknummer
201304503/1/R1
Relevante informatie
Wet ruimtelijke ordening [Tekst geldig vanaf 01-07-2021 tot 01-01-2024] [Regeling ingetrokken per 2024-01-01], Besluit ruimtelijke ordening [Tekst geldig vanaf 01-07-2021] [Regeling ingetrokken per 2020-09-16]

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "De Zuivelhoeve" vastgesteld.

Uitspraak

201304503/1/R1.

Datum uitspraak: 23 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Vereniging Behoud Twekkelo, gevestigd te Enschede,

appellante,

en

de raad van de gemeente Hengelo (Ov),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "De Zuivelhoeve" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de Vereniging beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De Vereniging, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Zuivelhoeve B.V., en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Vereniging en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2014, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door mr. P. Braamhaar, en de raad, vertegenwoordigd door B. Scholten, M. Brummelhuis, L. de Vries, P. Leemker, D. Broer en B. Meijer, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting De Zuivelhoeve, vertegenwoordigd door haar directeur [directeur] en bijgestaan door mr. H.J.P. Robers, advocaat te Hengelo, en ir. H.M. van Gennip, als partij gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor de uitbreiding van het zuivelbedrijf De Zuivelhoeve op het perceel Bruninksweg 5a in westelijke en zuidelijke richting. Daarbij wordt voorzien in de uitbreiding van productieruimtes, een nieuw geconditioneerd magazijn voor eindproducten, de uitbreiding van de grondstoffenopslag, een afvalwaterzuiveringsinstallatie en een informatiecentrum.

Formele aspecten

3. De Vereniging betoogt dat in strijd met artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geen kennisgeving van het ontwerpplan heeft plaatsgevonden in de gemeente Enschede.

3.1. Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Awb geeft voorafgaand aan de terinzagelegging het bestuursorgaan in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud.

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing, met dien verstande dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens in de Staatscourant wordt geplaatst en voorts langs elektronische weg geschiedt, en het ontwerpbesluit met de hierbij behorende stukken tevens langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 24 juli 2013, in zaak nr. 201300843/1/R6 volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wro (Kamerstukken II 2002/03, 28 916, nr. 3, blz. 28) dat de wetgever bij bestemmingsplannen, gelet op de aard en impact daarvan, naast hetgeen ingevolge artikel 3:12 van de Awb is vereist, in artikel 3.8, eerste lid, van de Wro als aanvullende voorwaarde heeft gesteld dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb eveneens in de Staatscourant moet worden geplaatst en voorts langs elektronische weg dient te geschieden. Aan deze verplichting ligt blijkens de geschiedenis van totstandkoming ten grondslag dat de Staatscourant, die thans elektronisch beschikbaar is, een bron betreft die breed toegankelijk en kenbaar is en waarmee op geschikte wijze kan worden kennis gegeven van een ontwerpbestemmingsplan, zodat particulieren, bedrijven en instanties die op bovengemeentelijk niveau opereren, hiervan kennis kunnen nemen. Niet in geschil is dat de kennisgeving van het ontwerpbesluit langs elektronische weg is geschied en op 18 september 2012 in de Staatscourant alsmede in een gemeentelijk huis-aan-huisblad is geplaatst. De Afdeling overweegt dat niet uit enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel de verplichting volgt dat in het onderhavige geval eveneens een kennisgeving in een dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad in de gemeente Enschede had moeten plaatsvinden. Het betoog van de Vereniging faalt.

4. Voor zover de Vereniging betoogt dat het bestemmingsplan, dat gewijzigd is vastgesteld, in strijd met artikel 3.8, vierde lid, van de Wro binnen zes weken na vaststelling is bekendgemaakt, wordt overwogen dat deze beroepsgrond betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

5. De Vereniging betoogt dat de bedrijfsrapportage van De Zuivelhoeve, alsmede de anterieure overeenkomst, of een zakelijke weergave daarvan, ten onrechte niet met het ontwerpplan ter inzage zijn gelegd.

5.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. De Afdeling overweegt dat een anterieure overeenkomst of een bedrijfsrapport niet kunnen worden aangemerkt als op het ontwerpplan betrekking hebbende stukken als bedoeld in dit artikel, zodat artikel 3:11 van de Awb ook niet verplicht tot het ter inzage leggen daarvan bij het ontwerpplan. Het betoog van de Vereniging faalt.

6. De Vereniging betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Artikel 3:46 van de Awb, dat bepaalt dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering, verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog van de Vereniging faalt.

7. De Vereniging betoogt dat haar reactie van 8 augustus 2011 op de notitie "Reikwijdte en detailniveau" en haar inspraakreactie op het voorontwerp van het bestemmingsplan, dat tegelijkertijd met het rapport "Uitbreiding Zuivelhoeve, milieueffectrapport" van 7 december 2011 van Grontmij (hierna: het MER) ter inzage heeft gelegen, ten onrechte niet zijn betrokken bij het toetsingsadvies "Uitbreiding De Zuivelhoeve B.V. te Hengelo, toetsingsadvies over het milieueffectrapport" van 5 april 2012 (hierna: het toetsingsadvies) van de commissie voor de milieueffectenrapportage (hierna: de commissie m.e.r.).

7.1. Ingevolge artikel 7.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt, indien het milieueffectrapport betrekking heeft op een krachtens artikel 7.2, tweede lid, aangewezen plan of op een plan als bedoeld in artikel 7.2a, eerste lid, de commissie m.e.r. uiterlijk op het moment dat de in artikel 7.11 genoemde stukken ter inzage worden gelegd in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over dat rapport overeenkomstig de termijn die geldt voor het inbrengen van zienswijzen. De Afdeling overweegt dat niet uit enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel de verplichting volgt dat de commissie m.e.r. in het onderhavige geval de door de Vereniging naar voren gebrachte reactie op de notitie "Reikwijdte en detailniveau" en de inspraakreactie op het voorontwerp van het bestemmingsplan in haar advies had moeten betrekken. Het betoog van de Vereniging faalt.

Inhoudelijke aspecten

8. Voor zover de Vereniging wijst op onjuistheden en onvolkomenheden in de plantoelichting overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat de plantoelichting, die overigens als zodanig geen juridisch bindend onderdeel van het bestemmingsplan is, dusdanige onjuistheden en onvolkomenheden bevat dat om die reden reeds geoordeeld dient te worden dat geen goede belangenafweging heeft plaatsgevonden en de raad reeds hierom het bestemmingsplan niet heeft kunnen vaststellen. Het betoog van de Vereniging faalt.

9. De Vereniging betoogt dat niet duidelijk is wat wordt verstaan onder een zuivelproductenfabriek met een verwerkingscapaciteit van 40.000 ton per jaar. In dit verband voert zij aan dat "40.000 ton per jaar" betrekking kan hebben op eindproducten maar ook op de grondstoffen voor dat eindproduct. Volgens de Vereniging moet worden uitgegaan van de productiecapaciteit, omdat de verwerkingscapaciteit van een bedrijf, in tegenstelling tot de productiecapaciteit van een bedrijf, door het gemeentebestuur niet kan worden gehandhaafd. Verder betwist de Vereniging dat in de onderzoeken die ten behoeve van het bestemmingsplan zijn verricht, waaronder het MER, is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Hiertoe voert zij aan dat niet is uitgegaan van een bedrijfssituatie waarbij het totale vloeroppervlak wordt benut voor verwerking en bewerking van zuivelproducten.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de toegestane bedrijfsactiviteit op het perceel Bruninksweg 5a duidelijk is gedefinieerd. De raad voert in dit verband aan dat het gebruikelijk is om aan de hand van de productie- en/of verwerkingscapaciteit van melk uitgedrukt in ton per tijdseenheid de milieuzonering van zuivelbedrijven als De Zuivelhoeve te bepalen. Indien op het perceel activiteiten plaatsvinden die afwijken van de toegestane bedrijfsactiviteit, zijnde een zuivelproductenfabriek met een verwerkingscapaciteit van 40.000 ton per jaar, kan hier volgens de raad handhavend tegen worden opgetreden.

9.2. Aan het perceel Bruninksweg 5a zijn de bestemmingen "Bedrijf" en "Groen" toegekend. Aan het middengedeelte van het perceel zijn tevens de aanduidingen "bouwvlak" en "maximale bouwhoogte 12 m" toegekend. Aan de noord-westkant van de gronden met de bestemming "Bedrijf" zijn eveneens de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - informatiecentrum" en "maximale bouwhoogte 6 m" toegekend. Aan de zuid-westkant van de gronden met de bestemming "Bedrijf" zijn tevens de aanduidingen "waterzuiveringsinstallatie" en "maximale bouwhoogte 6 m" toegekend. Aan de oostkant van de gronden met de bestemming "Bedrijf" zijn eveneens de aanduidingen "bedrijfswoning" en "bijgebouw" toegekend. Aan de overige gronden in het plangebied zijn de bestemmingen "Groen" en "Verkeer - Verblijfsgebied" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een zuivelproductenfabriek met een verwerkingscapaciteit van maximaal 40.000 ton/jaar;

b. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - informatiecentrum", ook voor een informatiecentrum;

c. ter plaatse van de aanduiding "waterzuiveringsinstallatie", ook voor een afvalwaterzuiveringsinstallatie;

d. ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" ook voor een bedrijfswoning;

e. ter plaatse van de aanduiding "bijgebouw" ook voor bij de bedrijfswoning behorende bijgebouwen;

[...]

Ingevolge lid 3.2.1 mogen binnen de bestemming "Bedrijf" gebouwen worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;

b. de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte" mag niet worden overschreden. Indien de bestaande bouwhoogte meer bedraagt, geldt dat als maximum bouwhoogte.

9.3. Ingevolge artikel 7.7, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt een milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan, opgesteld door het bevoegd gezag en bevat ten minste:

a. een beschrijving van hetgeen met de voorgenomen activiteit wordt beoogd;

[…]

e. een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben, alsmede een motivering van de wijze waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven;

[…]

Ingevolge artikel 7.13, aanhef en onder a, stelt het bevoegd gezag een plan niet vast dan nadat het toepassing heeft gegeven aan de paragrafen 7.3 en 7.4.

9.4. Aan het perceel Bruninksweg 5a was in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied 2000" gedeeltelijk de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduiding "zuivelhoeve" en gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" toegekend.

9.5. In het deskundigenbericht staat dat het thans voorliggende bestemmingsplan voor het perceel Bruninksweg 5a voorziet in een uitbreiding van het bedrijfsterrein van De Zuivelhoeve ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied 2000" van ongeveer 1,5 ha naar ongeveer 2,35 ha. Daarnaast volgt uit het deskundigenbericht dat het thans voorliggende bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van de bouwmogelijkheden met ongeveer 4.700 m², waarmee wordt voorzien in meer dan een verdubbeling van het te bebouwen oppervlak.

9.6. In het deskundigenbericht staat voorts dat de productiecapaciteit van een bedrijf de hoeveelheid producten betreft die in een inrichting geproduceerd kunnen worden. De verwerkingscapaciteit is de hoeveelheid grondstof die in de inrichting kan worden verwerkt. De Afdeling volgt dan ook niet het betoog van de Vereniging dat onduidelijk is wat wordt verstaan onder een zuivelproductenfabriek met een verwerkingscapaciteit van 40.000 ton per jaar. Dat in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels niet wordt vermeld op welke producten de verwerkingscapaciteit van 40.000 ton per jaar ziet, maakt dit niet anders. Hiertoe wordt overwogen dat een redelijke uitleg van deze bepaling met zich brengt dat wordt gedoeld op 40.000 ton grondstoffen per jaar waarbij ook wordt geacht te zijn inbegrepen de overige in het productieproces benodigde grondstoffen anders dan zuivel. Het betoog faalt in zoverre.

9.7. De Afdeling volgt het betoog van de Vereniging dat moet worden uitgegaan van de productiecapaciteit van het zuivelbedrijf evenmin. In dit verband wordt van belang geacht dat in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in de "Staat van Bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen" bij de categorie zuivelproducten fabrieken ook wordt uitgegaan van de verwerkingscapaciteit van het zuivelbedrijf. De Vereniging heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat door uit te gaan van een verwerkingscapaciteit het bestemmingsplan niet door het gemeentebestuur kan worden gehandhaafd.

Voor zover de Vereniging betoogt dat niet vaststaat of in het MER en andere onderzoeken die ten behoeve van het bestemmingsplan zijn verricht, is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden, overweegt de Afdeling het volgende. De stelling van de Vereniging dat het voorziene bedrijfsvloeroppervlak voorziet in ruimere mogelijkheden voor de verwerking en bewerking van grondstoffen dan 40.000 ton per jaar, doet, wat daar ook van zij, niet af aan de op grond van het bestemmingsplan maximaal toegestane verwerkingscapaciteit van 40.000 ton grondstoffen per jaar. In het MER is echter uitgegaan van een productiecapaciteit van 40.000 ton per jaar. Gelet hierop is in het MER niet uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan en zijn de mogelijke milieueffecten van het bestemmingsplan plan onvoldoende onderzocht in het MER. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid is vastgesteld. Het betoog slaagt.

Natura 2000

10. De Vereniging betoogt dat de raad de gevolgen voor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden onvoldoende heeft onderzocht. De Vereniging acht niet op voorhand uitgesloten dat het bestemmingsplan significante gevolgen zal hebben voor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In dit verband voert de Vereniging aan dat ten onrechte geen stikstofdepositieberekeningen zijn uitgevoerd, nu voor de stikstofgevoelige habitats in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden reeds sprake is van een overbelaste situatie. Gelet hierop had een passende beoordeling moeten worden opgesteld, aldus de Vereniging.

10.1. De raad betoogt dat op grond van objectieve gegevens op voorhand kan worden uitgesloten dat het bestemmingsplan significante gevolgen zal hebben voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

10.2. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

Ingevolge het vierde lid maakt de passende beoordeling van deze plannen deel uit van de ter zake van die plannen voorgeschreven milieueffectrapportage.

10.3. Het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 5 tot 10 km van de Natura 2000-gebieden "Lonnekermeer, "Buurserzand en Haaksbergerveen", "Witte Veen", "Aamsveen" en "Boddenbroek".

10.4. Ten behoeve van het bestemmingsplan is de notitie "Voortoets Nb-wet uitbreiding Zuivelhoeve" van 31 mei 2011 in opdracht van De Zuivelhoeve door Grontmij opgesteld (hierna: de notitie voortoets). De notitie voortoets is geïntegreerd in het MER. In de notitie voortoets staat dat het bestemmingsplan zal leiden tot extra verkeersbewegingen met een hogere emissie en depositie van stikstof. Nu de nabijgelegen Natura 2000-gebieden onder meer zijn aangewezen voor habitattypen die gevoelig zijn voor verzuring en vermesting, staat in de notitie voortoets dat ook is gekeken naar het aspect stikstofdepositie. Voor de uitbreiding van De Zuivelhoeve zijn geen depositieberekeningen gemaakt, maar is de eventuele noodzaak voor berekeningen afgezet tegen de gangbare praktijk bij grote infrastructuurprojecten.

Uit het onderzoek van KEMA (Erbrink, H. Grensafstand depositieberekeningen rijkswegen, KEMArapport, 2009) naar het effect van rijkswegenprojecten op stikstofdepositie, volgt dat op een afstand van meer dan 3 km de stikstofdepositie ten gevolge van een wegaanpassing dusdanig klein is, dat deze als niet significant kan worden beoordeeld. Nu het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied "Lonnekermeer" op een afstand van 5 km van het plangebied ligt en het bestemmingsplan slechts een geringe toename van stikstofemissie met zich brengt, is een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden volgens de notitie voortoets in zoverre op voorhand uitgesloten.

In de notitie voortoets staat dat de uitbreiding van De Zuivelhoeve verder geen ontwikkelingen omvat die mogelijk een (significant) negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de kwalificerende habitattypen van Natura 2000-gebieden en dat geen passende beoordeling behoeft te worden gemaakt als bedoeld in artikel 19j van de Nbw 1998. In het MER wordt verwezen naar de notitie voortoets en is aangesloten bij de conclusie dat een passende beoordeling niet nodig is.

10.5. In het deskundigenbericht staat dat bij de beoordeling van de stikstofdepositie de gevoeligheid van een habitattype een rol speelt. Het is een indicatie dat de natuurwaarden vanwege de (te) hoge stikstofdepositie onder druk staan, indien de bestaande stikstofdepositie op een gebiedsdeel waarin een bepaald habitattype voorkomt dat kwetsbaar is voor stikstofdepositie reeds groter is dan de kritische depositiewaarde. Uit de grootschalige concentratie- en depositiekaarten van Nederland volgt dat voor alle te kwalificeren habitattypen van het meest nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied "Lonnekermeer" de kritische depositiewaarde lager ligt dan de achtergronddepositie, hetgeen betekent dat in dat gebied reeds sprake is van een overbelaste situatie. In het deskundigenbericht staat dat vanwege een toename van de verkeersbewegingen ook de stikstofdepositie zal toenemen.

10.6. Daargelaten of in het kader van de notitie voortoets, gelet op overweging 9.7, is uitgegaan van juiste uitgangspunten, ziet de Afdeling uit het oogpunt van een finale geschilbeslechting aanleiding het beroep van de Vereniging in zoverre te bespreken. In de notitie voortoets staat dat voor de uitbreiding van De Zuivelhoeve geen depositieberekeningen zijn gemaakt. Naar aanleiding van het deskundigenbericht is de aanvullende notitie "Uitgangspunten en resultaten berekeningen stikstofdepositie voor Zuivelhoeve" van 23 oktober 2013 opgesteld door Grontmij (hierna: de aanvullende notitie). Uit de aanvullende notitie volgt dat de stikstofdepositie en daarmee de maximale belasting op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied "Lonnekermeer" toeneemt als gevolg van het bestemmingsplan. Afgezien van de juistheid van de berekeningen in de aanvullende notitie, kan hieruit, mede gelet op het deskundigenbericht, worden geconcludeerd dat het bestemmingsplan in ieder geval ten aanzien van het Natura 2000-gebied "Lonnekermeer" leidt tot een toename van de stikstofdepositie in een situatie waar de kritische depositiewaarde reeds wordt overschreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 september 2011, in zaak nr. 200907569/1/R2) kan op grond van objectieve gegevens derhalve niet worden uitgesloten dat het plan significante gevolgen kan hebben op de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied "Lonnekermeer", zodat, gelet op het bepaalde in artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998, in ieder geval vanwege het nabijgelegen Natura 2000-gebied "Lonnekermeer" een passende beoordeling dient te worden opgesteld.

10.6.1. De Afdeling stelt vast dat de raad aan het bestreden besluit geen passende beoordeling ten grondslag heeft gelegd. Niet kan worden volgehouden dat de gevolgen van het bestemmingsplan op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden met inachtneming van de relevante instandhoudingsdoelstellingen in de notitie voortoets zijn geïnventariseerd. Voor zover in deze notitie wordt verwezen naar het onderzoek van KEMA (Erbrink, H. Grensafstand depositieberekeningen rijkswegen, KEMArapport, 2009) naar het effect van rijkswegenprojecten op stikstofdepositie overweegt de Afdeling dat dit onderzoek onvoldoende op het concrete project is toegespitst om de conclusie te kunnen dragen dat de raad zich ervan heeft kunnen verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-bieden door het bestemmingsplan niet zullen worden aangetast. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998. Voor zover de raad in dit verband nog heeft verwezen naar de aanvullende notitie wordt overwogen dat daarin evenmin met inachtneming van de relevante instandhoudingsdoelstellingen de gevolgen van het bestemmingsplan op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn beoordeeld. Gelet op het voorgaande slaagt het betoog van de Vereniging.

Ladder duurzame verstedelijking

11. De Vereniging betoogt dat ten onrechte niet is voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro).

11.1. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder bestaand stedelijk gebied verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

11.2. Uit het deskundigenbericht volgt dat het bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van het bedrijventerrein op het perceel Bruninksweg 5a met 8.500 m² en daarbij voorziet in ongeveer 4.700 m² aan extra bouwmogelijkheden. Gelet hierop voorziet het bestemmingsplan in een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is blijkens de geschiedenis van totstandkoming van deze bepaling (nota van toelichting, blz. 34 en 49; Stb. 2012, 388) beoogd zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

11.2.1. De raad heeft ter zitting toegelicht dat De Zuivelhoeve van oudsher op de Bruninksweg 5a is gevestigd. De Zuivelhoeve wenst haar bedrijfsactiviteiten, die thans op verschillende locaties binnen de regio Enschede - Hengelo - Raalte - Lichtenvoorde worden uitgevoerd, te concentreren op één locatie aan de Bruninksweg 5a. In dit verband heeft de raad toegelicht dat voor de bedrijfsvoering van De Zuivelhoeve, die is toegespitst op een niche "boerderijzuivel" binnen de nationale zuivelmarkt, de landelijke uitstraling van deze locatie van belang is. Voorts wordt de benodigde melk blijkens de plantoelichting grotendeels betrokken van lokale/regionale boerderijen en brengt de aanwezigheid van De Zuivelhoeve volgens de raad de nodige werkgelegenheid met zich. De Afdeling begrijpt het standpunt van de raad aldus dat vanwege het voorgaande met de voorziene uitbreiding van een bestaand bedrijf in een landelijke groene omgeving wordt geacht te zijn voorzien in een actuele regionale behoefte zoals bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro. De Afdeling acht dit standpunt in het onderhavige geval niet onredelijk. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de raad te kennen heeft gegeven dat het bestemmingsplan in overleg met de provincie en gemeente Enschede tot stand is gekomen.

11.2.2. In het kader van artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro heeft de raad erkend dat binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio mogelijk ruimte bestaat voor de voorziene bedrijfsactiviteiten. De raad meent evenwel dat een zwaarder gewicht moet worden toegekend aan het belang bij de uitbreiding van De Zuivelhoeve op het perceel Bruninksweg 5a. In dit verband heeft de raad betoogd dat juist de landelijke uitstraling van het perceel Bruninksweg 5a van De Zuivelhoeve van groot belang is voor de bedrijfsvoering van De Zuivelhoeve, omdat het zuivelbedrijf zich daarmee binnen de zuivelmarkt wenst te onderscheiden van de grotere zuivelproducenten. Een verplaatsing van De Zuivelhoeve naar een andere locatie zou daarnaast volgens de raad leiden tot kapitaalvernietiging en tevens onevenredige bedrijfseconomische gevolgen hebben voor De Zuivelhoeve. De raad acht voorts het voortbestaan van De Zuivelhoeve op het perceel Bruninksweg 5a van groot belang voor de betrokken lokale en regionale boerderijen en de werkgelegenheid in Hengelo.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich, gelet op het voorgaande, in het kader van artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro in het onderhavige geval in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet binnen bestaand stedelijk gebied in de regio in deze regionale behoefte kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Hierbij wordt voorts van belang geacht dat het hier gaat om de uitbreiding van een bestaand bedrijf dat reeds van oudsher op die locatie gevestigd is.

11.3. Het voorgaande is in de plantoelichting evenwel niet aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, onder a en b, van het Bro inzichtelijk gemaakt. Evenmin is aan de hand van artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bro in de plantoelichting beschreven in hoeverre de voorziene stedelijke ontwikkeling, gebruik makend van verschillende middelen van vervoer, passend wordt ontsloten. Het bestemmingsplan is dan ook in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro vastgesteld. Het betoog van de Vereniging slaagt.

Omgevingsverordening Overijssel 2009

12. De Vereniging betoogt dat het bestemmingsplan in strijd met de Omgevingsverordening Overijssel 2009 is vastgesteld. Hiertoe wordt allereerst aangevoerd dat de raad in strijd met artikel 2.1.3 dan wel artikel 2.1.4 van de Omgevingsverordening alternatieve locaties voor de uitbreiding van De Zuivelhoeve binnen bestaand bebouwd gebied onvoldoende in zijn overwegingen heeft betrokken.

Voorts acht de Vereniging de noodzaak van de uitbreiding op het perceel Bruninksweg 5a niet aangetoond en is de compensatie van de ecologische en/of landschappelijke waarden onvoldoende gewaarborgd. De Vereniging betwist dat het bestemmingsplan leidt tot een versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Het voorgaande is volgens de Vereniging in strijd met de artikelen 2.1.5 en 2.1.6, eerste lid, van de Omgevingsverordening. Daarnaast acht zij onvoldoende gemotiveerd dat sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen bestaan voor de grootschalige uitbreiding van De Zuivelhoeve, zoals bedoeld in artikel 2.1.6, eerste lid, van de Omgevingsverordening.

12.1. Ingevolge artikel 2.1.1, aanhef en onder f, van de Omgevingsverordening, zoals deze luidde ten tijde van belang, moet onder bestaand bebouwd gebied worden verstaan de gronden die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen [...].

Ingevolge artikel 2.1.1, aanhef en onder g, wordt onder stedelijke functies verstaan wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen, met de bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen.

Ingevolge artikel 2.1.1, aanhef en onder j, wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan het realiseren van stedelijke functies zoals woningbouw, bedrijventerreinen, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve en religieuze voorzieningen met de daarbij behorende infrastructuur met bijbehorende groen en water en het hiertoe bouwrijp maken van gronden.

Ingevolge artikel 2.1.3 voorzien bestemmingsplannen uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouw en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

- dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt is te maken door herstructurering en/of transformatie;

- dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Ingevolge artikel 2.1.4 voorzien bestemmingsplannen uitsluitend in andere dan stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

- dat (her)benutting van bestaande bebouwing in de groene omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;

- dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

12.2. Nu het bestemmingsplan voor het perceel Bruninksweg 5a voorziet in een uitbreiding van de bouwmogelijkheden met ongeveer 4.700 m² wordt, gelet op artikel 2.1.1, aanhef en onder j, van de Omgevingsverordening voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden legt op de groene omgeving zoals bedoeld in artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening. Artikel 2.1.4 van de Omgevingsverordening, dat ziet op andere dan stedelijke ontwikkelingen, is in de voorliggende situatie dan ook niet van toepassing.

De raad heeft in dit verband ter zitting toegelicht dat een verplaatsing van De Zuivelhoeve naar een industrieterrein vanuit een ruimtelijk oogpunt een goede ontwikkeling zou zijn, maar dat het slopen (en opnieuw opbouwen) van het bedrijf een grote kapitaalvernietiging met zich zou brengen die redelijkerwijs niet kan worden opgebracht door De Zuivelhoeve. Uit paragraaf 4.2.1.2 van de plantoelichting volgt verder dat gezien de duurzaamheidsfilosofie van De Zuivelhoeve juist deze locatie geschikt is voor de uitbreiding van De Zuivelhoeve, omdat ter plaatse een duurzame relatie in samenhang met het landelijk gebied kan worden opgebouwd. Verplaatsing naar een bedrijventerrein zou hier volgens de raad afbreuk aan doen. Gelet op het voorgaande en hetgeen reeds in 11.2.1 en 11.2.2 is overwogen, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor de voorziene ontwikkeling redelijkerwijs geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en dat de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie. Gelet hierop behoeft niet meer te worden beoordeeld of de mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Gelet op het voorgaande bestaat in hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening is vastgesteld. Het betoog faalt.

12.3. De raad heeft verder voor het eerst ter zitting te kennen gegeven dat artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening is toegepast bij de uitbreiding van De Zuivelhoeve op het perceel Bruninksweg 5a.

12.4. Ingevolge artikel 2.1.5, eerste lid, van de Omgevingsverordening wordt in de toelichting op bestemmingsplannen onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit overeenkomstig de geldende gebiedskenmerken.

Ingevolge het tweede lid wordt in het kader van toelichting als bedoeld in het eerste lid inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagen-benadering die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing.

Ingevolge het derde lid wordt in het kader van de toelichting als bedoeld in het eerste lid gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd.

[...]

Ingevolge het vijfde lid voorzien bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken normerende uitspraken worden gedaan, voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling overeenkomstig deze normerende uitspraken.

Ingevolge het zesde lid voorzien bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken richtinggevende uitspraken worden gedaan, voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling overeenkomstig deze richtinggevende uitspraken.

Ingevolge het zevende lid mag van het gestelde in het vijfde lid gemotiveerd worden afgeweken wanneer:

- er sprake is van zwaarwegende sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen en;

- voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit overeenkomstig de provinciale ambities zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken.

Ingevolge het achtste lid mag van het gestelde in het zesde lid worden afgeweken mits voldoende gemotiveerd is dat de kwaliteitsambitie zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken in gelijke mate gerealiseerd wordt.

Ingevolge artikel 2.1.6, eerste lid, van de Omgevingsverordening kunnen bestemmingsplannen voor de groene omgeving - met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 - voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

12.4.1. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting wordt in het kader van het provinciale beleid aan de hand van het toetsingskader van de Omgevingsvisie Overijssel ingegaan op de voorziene ontwikkeling. Nu in de plantoelichting alleen wordt beschreven in hoeverre wordt voldaan aan het provinciale beleid zoals dat thans is neergelegd in de Omgevingsvisie Overijssel, is naar het oordeel van de Afdeling niet inzichtelijk in hoeverre de raad bij de toepassing van artikel 2.1.6 het toetsingskader van artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening in acht heeft genomen. Gelet hierop bestaat in hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 2.1.5 en 2.1.6 van de Omgevingsverordening. Het betoog van de Vereniging slaagt. Hetgeen de Vereniging in zoverre voor het overige heeft aangevoerd behoeft dan ook geen bespreking meer.

Waterzuivering

13. De Vereniging vreest voor vervuiling van het oppervlaktewater. Hiertoe voert zij aan dat de capaciteit van het bestaande riool voor het perceel Bruninksweg 5a niet wordt vergroot en dat in plaats daarvan slechts wordt voorzien in een eigen waterzuiveringsinstallatie. Dit is volgens de Vereniging een "second-best" oplossing, omdat het goed functioneren van een dergelijke installatie de benodigde expertise en discipline vergt die De Zuivelhoeve volgens haar niet bezit.

13.1. Aan het westelijke gedeelte van de gronden van het perceel Bruninksweg 5a met de bestemming "Bedrijf" is tevens de aanduiding "waterzuiveringsinstallatie" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding "waterzuiveringsinstallatie" ook een afvalwaterzuiveringsinstallatie toegestaan.

13.2. In de plantoelichting staat dat op basis van onderzoek en berekening van de vervuilingswaarde, de capaciteit van het rioleringssysteem en de mogelijkheden voor procesoptimalisatie is besloten om een eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) op te richten. De toepassing van een eigen AWZI zorgt volgens de plantoelichting voor een lozing van gezuiverd water op het oppervlaktewater en een afname van afvalwater in het openbaar rioolstelsel/RWZI. In de plantoelichting staat voorts dat over een periode van acht weken volcontinu proeven zijn uitgevoerd. Daarbij is vastgesteld dat het water via behandeling in een bioreactor, gevolgd door membraamfiltratie zodanig wordt gereinigd dat het water na behandeling op het oppervlaktewater mag worden geloosd. Metingen geven aan dat ruim kan worden voldaan aan de eisen die door waterschap Regge en Dinkel (thans: waterschap Vechtstromen) worden gesteld, aldus de plantoelichting.

13.3. In het deskundigenbericht staat verder dat overleg heeft plaatsgevonden tussen De Zuivelhoeve, het waterschap en het gemeentebestuur ten aanzien van de mogelijke omvang van de waterzuivering en de waterafvoer. Vaststaat dat het bestemmingsplan op het perceel Bruninksweg 5a voorziet in een waterzuiveringsinstallatie. De vraag hoe water wordt geloosd betreft een uitvoeringsaspect dat in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen. In het kader van de watervergunning kunnen nadere voorwaarden worden gesteld om te voorkomen dat afvalwater onvoldoende gezuiverd op het oppervlaktewater zal worden geloosd. In hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Waterwet niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Het betoog van de Vereniging faalt.

Externe veiligheid

14. De Vereniging betoogt dat in het kader van de externe veiligheid het groepsrisico onvoldoende is verantwoord vanwege de op het terrein aanwezige aardgasleiding in combinatie met de opslag van melkpoeder en ammoniak.

14.1. De raad stelt dat binnen de inrichting geen ammoniak wordt opgeslagen. Verder voert de raad aan dat in het kader van de externe veiligheid het groepsrisico en het plaatsgebonden risico zijn berekend en dat de regionale brandweer advies heeft uitgebracht in verband met de verantwoording van het groepsrisico en rampenbestrijding.

14.2. Aan een strook grond in het midden van het plangebied die loopt van noord naar zuid is de dubbelbestemming "Leiding - Gas" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor "Leiding - Gas" aangewezen gronden behalve voor de andere daar geldende bestemming(en), tevens bestemd voor een ondergrondse aardgasleiding met een diameter van ten hoogste 12 inch en een druk van ten hoogste 40 bar met de daarbij behorende belemmerende strook van 4 m.

14.3. Ingevolge artikel 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Bevi) wordt in de plantoelichting verantwoording afgelegd over het groepsrisico van de voor het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan van belang zijnde, aanwezige inrichtingen, [...].

14.4. In het kader van de externe veiligheid is vanwege de in het plangebied gelegen aardgasleiding van Gasunie door de afdeling Beleid en advies van de gemeente onderzoek gedaan en is het groepsrisico voor de huidige en de toekomstige bedrijfssituatie van De Zuivelhoeve berekend. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Kwantitatieve risicoanalyse Zuivelhoeve bestaande situatie" en het rapport "Kwantitatieve risicoanalyse Zuivelhoeve toekomstige situatie". Uit deze rapporten volgt dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde ligt, waarbij de overschrijdingsfactor kleiner is dan 0,1 x oriëntatiewaarde en dat het groepsrisico in de toekomstige situatie toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie, zodat het groepsrisico in de bestemmingsplanprocedure moet worden verantwoord.

14.5. In het kader van de externe veiligheid is door de regionale brandweer op 2 januari 2012 een advies uitgebracht. Gelet op de beperkte toename van aanwezigen in het gebied rondom de aardgasleiding en de aard van de scenario's bestaat voor de brandweer geen aanleiding om aanvullende scenario's te adviseren. Daarnaast is het risico dat het bedrijf betrokken raakt bij een incident volgens de brandweer klein.

14.6. In paragraaf 5.3.4 van de plantoelichting staat dat het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het groepsrisico voor de aardgasleiding. Het groepsrisico zal vanwege een toename van het aantal personen binnen het invloedsgebied licht toenemen. Nu ruimschoots aan de oriëntatiewaarde wordt voldaan is het groepsrisico volgens de plantoelichting beperkt verantwoord. Vaststelling van het bestemmingsplan leidt niet tot een onverantwoorde verhoging van het groepsrisico, aldus de plantoelichting.

14.7. Nog daargelaten of in de inrichting ammoniak wordt opgeslagen, staat in het deskundigenbericht dat geen wettelijke afstanden gelden die in acht moeten worden genomen tussen aardgasleidingen enerzijds en de opslag van ammoniak en melkpoeder anderzijds. Verder wordt bij de verantwoording van de risicoberekeningen volgens het deskundigenbericht in beginsel geen rekening gehouden met een mogelijk domino-effect, tenzij het evident is dat dit zal optreden. Uit het deskundigenbericht volgt dat dit in het onderhavige geval niet aan de orde is. De Vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de rapporten "Kwantitatieve risicoanalyse Zuivelhoeve bestaande situatie" en "Kwantitatieve risicoanalyse Zuivelhoeve toekomstige situatie" zodanige gebreken kleven of dat deze zodanige leemten in kennis vertonen dat de raad zich hier bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet op heeft mogen baseren. In hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het groepsrisico in strijd met artikel 13 van het Bevi onvoldoende is verantwoord. Het betoog van de Vereniging faalt.

Conclusie

15. Het beroep is gegrond, zodat, gelet op de samenhang tussen de verschillende onderdelen van het bestemmingsplan, in dit geval het gehele bestemmingsplan dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

15.1. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

16. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Hengelo (Ov) van 26 maart 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Zuivelhoeve";

III. draagt de raad van de gemeente Hengelo (Ov) op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Hengelo (Ov) aan de vereniging Vereniging Behoud Twekkelo het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014

533-749.