Home

Raad van State, 24-07-2013, ECLI:NL:RVS:2013:3057, 201201703/1/A4

Raad van State, 24-07-2013, ECLI:NL:RVS:2013:3057, 201201703/1/A4

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24 juli 2013
Datum publicatie
24 juli 2013
ECLI
ECLI:NL:RVS:2013:406
Zaaknummer
201201703/1/A4
Relevante informatie
Wet milieubeheer [Tekst geldig vanaf 01-05-2022 tot 01-01-2023], Wet milieubeheer [Tekst geldig vanaf 01-05-2022 tot 01-01-2023]

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2010 heeft het college een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer met betrekking tot een verandering van het spoorwegemplacement Gouda-Goverwelle nabij Willensplein 7 te Gouda, geweigerd.

Uitspraak

201201703/1/A4.

Datum uitspraak: 24 juli 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V., gevestigd te Utrecht,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2010 heeft het college een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer met betrekking tot een verandering van het spoorwegemplacement Gouda-Goverwelle nabij Willensplein 7 te Gouda, geweigerd.

Bij besluit van 14 juli 2011 heeft het college het door ProRail hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en overwogen dat dit besluit niet in stand kan blijven.

Bij uitspraak van 15 december 2011 in zaak nr. 201109424/2/H4 heeft de Afdeling het hiertegen door ProRail ingestelde beroep na vereenvoudigde behandeling gegrond verklaard en het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak en met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen.

Bij besluit van 16 januari 2012 heeft het college het door ProRail gemaakte bezwaar tegen het besluit van 21 december 2010 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft ProRail beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

ProRail en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

ProRail heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2013, waar ProRail, vertegenwoordigd door mr. W. Zwier, advocaat te Breda, J.W.A. Sontrop, C. Serree, E.P. van Weelden, M.A.W.A. van de Klundert en M. Ungerer, en het college, vertegenwoordigd door drs. E.M. Herben, ing. M. Groen en ing. W.F. van Zinderen-Bakker, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [persoon A] en [persoon B] als partij gehoord.

Overwegingen

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2. Bij besluit van 27 januari 2009 is voor de inrichting een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een spoorwegemplacement.

3. ProRail heeft bij het college een melding ingediend voor een wijziging van de representatieve bedrijfssituatie. De melding ziet op het toevoegen van twee rangeerbewegingen in de nachtperiode tussen 06.00 uur en 06.30 uur.

4. Ingevolge artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zesde lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

5. ProRail betoogt primair dat het indienen van een melding in dit geval niet was vereist, maar dat zij tot het indienen hiervan is overgegaan naar aanleiding van de expliciete mededeling van het college dat een melding vereist was. ProRail stelt dat de gemelde wijziging niet kan worden aangemerkt als een verandering als bedoeld in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer, uitsluitend omdat daardoor een situatie ontstaat die afwijkt van de vergunde representatieve bedrijfssituatie. De representatieve bedrijfssituatie is volgens ProRail slechts een beschrijving van een (theoretische) modelsituatie ten behoeve van het maken van de geluidberekening en zij verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar het van de vergunning deel uitmakende akoestisch rapport ‘Akoestisch onderzoek emplacement Gouda-Goverwelle’ van Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. van 11 september 2008, met kenmerk 183146, waarin is beschreven dat in de praktijk verschuivingen in de omschreven representatieve bedrijfssituatie kunnen plaatsvinden. Uit een uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2009 in zaak nr. 200807721/1/M1 volgt volgens ProRail dat met een dergelijk voorbehoud verschuivingen onder voorwaarden zijn toegestaan.

5.1. In het van de oprichtingsvergunning van 27 januari 2009 onderdeel uitmakende akoestisch rapport van 11 september 2008 is in bijlage I de representatie bedrijfssituatie gedetailleerd weergegeven. In het akoestisch rapport zelf is vermeld dat deze representatieve bedrijfssituatie een modelsituatie betreft, en dat in de praktijk verschuivingen van de activiteiten kunnen optreden die geen relevante invloed hebben op de totale berekende geluidemissie. De in het rapport beschreven verschuivingen kunnen naar het oordeel van de Afdeling echter niet zien op het genoemde aantal rangeerbewegingen, omdat het toevoegen van rangeerbewegingen relevante invloed kan hebben op de totale geluidemissie. Anders dan ProRail stelt, betekent de omstandigheid dat in het akoestisch rapport van 11 september 2008 een modelsituatie is weergegeven niet dat het toevoegen van rangeerbewegingen een kwestie van verschuivingen in de praktijk is. Hierbij is van belang dat de representatieve bedrijfssituatie in het akoestisch rapport zeer gedetailleerd is weergegeven en de activiteiten binnen de inrichting uitsluitend uit rangeerbewegingen bestaan. Het in de representatieve bedrijfssituatie genoemde aantal bewegingen is het aantal rangeerbewegingen dat is vergund, zodat het uitbreiden daarvan een verandering is die onder de vigerende vergunning niet vergund was. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat voor de gewenste verandering een melding vereist is. De door ProRail aangehaalde uitspraak van 22 juli 2009 leidt niet tot een ander oordeel, omdat die uitspraak geen betrekking heeft op de vraag wanneer wijzigingen in de representatieve bedrijfssituatie nopen tot het indienen van een melding.

De beroepsgrond faalt.

6. ProRail betoogt subsidiair dat het college de melding ten onrechte niet heeft geaccepteerd. ProRail voert hiertoe onder meer aan dat het college ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de gemelde verandering leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. ProRail wijst ter onderbouwing van dit standpunt op de door haar overgelegde stukken, waaronder het akoestisch rapport ‘Akoestisch onderzoek emplacement Gouda-Goverwelle’ van Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. van 4 november 2011, met kenmerk 239166/02, waaruit volgens haar volgt dat wordt voldaan aan de in de vergunning opgenomen geluidgrenswaarden. Anders dan het college stelt, leidt volgens ProRail niet iedere extra beweging tot een overschrijding van de geluidgrenswaarden, omdat zich binnen de inrichting sinds de vergunningverlening in 2009 tevens andere veranderingen hebben voorgedaan die juist leiden tot een afname van de geluidemissie. Deze wijzigingen zijn meegenomen in het akoestisch rapport van 4 november 2011, aldus ProRail.

6.1. Uit het door ProRail overgelegde akoestisch rapport van 4 november 2011 volgt dat vanaf het moment van het indienen van de vergunningaanvraag binnen de inrichting veranderingen hebben plaatsgevonden, waaronder wijzigingen in het type materieel dat wordt ingezet. Deze wijzigingen zijn betrokken in de in dit akoestisch rapport gemaakte berekeningen. Op grond van deze berekeningen wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan de in de oprichtingsvergunning opgenomen geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau.

6.2. De Afdeling overweegt dat bij de beoordeling van de melding de vergunde situatie bepalend is. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer kunnen veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften zonder melding of wijziging van de vergunning worden doorgevoerd. Voor veranderingen van de inrichting of de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften mag veroorzaken, en voldoen aan de in artikel 8.19 genoemde voorwaarden, kan in beginsel worden gekozen voor een melding (Kamerstukken II 1998/99, 26 552, nr. 3, p. 7-8).

6.3. De bij besluit van 27 januari 2009 verleende oprichtingsvergunning is bij besluit van 3 augustus 2010 gewijzigd. Laatstgenoemd besluit zag uitsluitend op de wijziging van de vergunningvoorschriften 3.4 en 3.7 over rijden, remmen en communiceren op het emplacement en vergunningvoorschrift 4.2 met betrekking tot het milieulogboek.

6.4. Bij de verlening van de oprichtingsvergunning is de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting bepaald aan de hand van de in bijlage I van het bij de oprichtingsvergunning behorende akoestisch rapport van 11 september 2008 gedetailleerd weergegeven representatieve bedrijfssituatie. Deze heeft zowel betrekking op het tijdstip waarop de treinen gaan rangeren, welke trein, tractievorm en samenstelling van trein het betreft, als op de rangeerbewegingen zelf (van welk spoor naar welk spoor via welk spoor). De wijzigingen die nadien binnen de inrichting hebben plaatsgevonden zijn bij het college gemeld noch aangevraagd. De door ProRail bij het college ingediende en thans ter beoordeling staande melding ziet voorts uitsluitend op het toevoegen van twee rangeerbewegingen in de nachtperiode aan de representatieve bedrijfssituatie, en niet tevens op de wijzigingen van het materieel. Gelet hierop konden de wijzigingen van het materieel niet worden betrokken in de berekeningen van de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting ten gevolge van de gemelde veranderingen, en heeft ProRail deze wijzigingen ten onrechte wel in haar berekeningen betrokken.

De beroepsgrond faalt.

7. ProRail heeft geen berekeningen overgelegd waaruit volgt dat uitsluitend de toevoeging van twee rangeerbewegingen in de nachtperiode aan de vergunde representatieve bedrijfssituatie geen andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu heeft dan die de inrichting ingevolge de vergunning mag veroorzaken. Gelet hierop is niet duidelijk of de gemelde verandering andere of grotere gevolgen heeft voor het milieu, zodat het college de verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer reeds hierom terecht heeft geweigerd.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2013

492-684.