Home

Raad van State, 17-07-2013, ECLI:NL:RVS:2013:339, 201207340/1/A3

Raad van State, 17-07-2013, ECLI:NL:RVS:2013:339, 201207340/1/A3

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17 juli 2013
Datum publicatie
17 juli 2013
ECLI
ECLI:NL:RVS:2013:339
Zaaknummer
201207340/1/A3

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2011 heeft het college de aan de vennootschap verleende drank- en horecawetvergunning ingetrokken. Bij besluit van dezelfde dag heeft de burgemeester de aan de vennootschap verleende exploitatievergunning ingetrokken.

Uitspraak

201207340/1/A3.

Datum uitspraak: 17 juli 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], handelend onder de naam [café], gevestigd te Eindhoven, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B] (hierna: de vennootschap)

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 juli 2012 in zaken nrs. 11/2712 en 12/1104 in het geding tussen:

de vennootschap

en

1. het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven

2. de burgemeester van Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2011 heeft het college de aan de vennootschap verleende drank- en horecawetvergunning ingetrokken. Bij besluit van dezelfde dag heeft de burgemeester de aan de vennootschap verleende exploitatievergunning ingetrokken.

Bij uitspraak van 9 juli 2012 heeft de rechtbank het door de vennootschap daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vennootschap hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

Het college en de burgemeester hebben een advies van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau) aan de Afdeling toegezonden. Daarbij hebben zij medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling ervan kennis mag nemen. De Afdeling heeft -in andere samenstelling- de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht en de vennootschap gevraagd om toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Deze toestemming is verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2013, waar de vennootschap, vertegenwoordigd door [vennoot B], bijgestaan door mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, en het college en de burgemeester, beide vertegenwoordigd door mr. M.J.M.J. Heutink, werkzaam bij de gemeente Eindhoven, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet bibob), voor zover thans van belang, kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat die beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare, voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover het ernstig gevaar, als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten, als bedoeld in het eerste lid, onder a,

b. in geval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Ingevolge het derde lid wordt, voor zover het ernstig gevaar, als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten, waarvoor de beschikking wordt aangevraagd, dan wel is gegeven,

b. in geval van vermoeden, de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Ingevolge het vierde lid staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten, als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft, dan wel heeft gegeven, aan, zeggenschap heeft, dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft, dan wel heeft verschaft, aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft of heeft gegeven aan, zeggenschap heeft, dan wel heeft gehad, over, vermogen verschaft, dan wel heeft verschaft, aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

Ingevolge het vijfde lid vindt de intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats, indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voor zover het ernstig gevaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf door het college van burgemeester en wethouders, onderscheindelijk de burgemeester, voor zover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, worden ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

Ingevolge het derde lid kan, voordat een beslissing, als bedoeld in het eerste lid, wordt genomen, het college van burgemeester en wethouders, respectievelijk de burgemeester, het Bureau om een advies vragen.

Ingevolge artikel 26 kan de officier van justitie die over gegevens beschikt die er op duiden dat een betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die reeds gepleegd zijn of, naar redelijkerwijs op grond van feiten of omstandigheden kan worden vermoed, gepleegd zullen worden, het bestuursorgaan of de aanbestedende dienst op de wenselijkheid wijzen het Bureau om een advies te vragen.

Ingevolge artikel 19c van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav), zoals die luidde ten tijde van belang, wordt een overtreding aangemerkt als een strafbaar feit, indien tweemaal binnen een aan de dag van het constateren van die overtreding voorafgaande periode van 48 maanden, met onderscheidenlijk tussenliggende perioden van ten hoogste 24 maanden, voor een overtreding, bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting, een bestuurlijke boete is opgelegd die onherroepelijk is geworden.

Ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet, zoals die luidde ten tijde van belang, is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 2.3.1.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Eindhoven (hierna: APV) is het verboden een horecaonderneming te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2. De vennootschap exploiteert [café] (hierna: het café). In 2006 is aan de vennootschap een drank- en horecawetvergunning en een vergunning voor de exploitatie verleend. Op 17 maart 2009 heeft de vennootschap een gewijzigde drank- en horecawetvergunning en exploitatievergunning aangevraagd met het oog op de toevoeging van een leidinggevende. Bij onderscheiden besluiten van 10 december 2009 zijn de aangevraagde vergunningen verleend.

3. Aan de besluiten van 16 juni 2011 ligt een advies van het Bureau van 11 augustus 2010 (hierna: het advies) ten grondslag waarin staat vermeld dat ernstig gevaar bestaat dat de aan de vennootschap verleende vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob. Dat is gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden:

- [vennoot B] is een transactie aangeboden, welke hij heeft voldaan, omdat een vreemdeling op 10 februari 2003 in het café arbeid heeft verricht, zonder dat hij over een vergunning beschikte om die vreemdeling te werk te stellen;

- [vennoot B] is een boete opgelegd, omdat op 25 februari 2003 een vreemdeling in het café arbeid heeft verricht, zonder dat hij over een vergunning beschikte om die vreemdeling te werk te stellen;

- [vennoot B] is, zowel op 22 april 2003, als op 24 maart 2005, geverbaliseerd voor het overtreden van de Wav;

- aan [vennoot B] is een boete opgelegd, omdat op 31 maart 2004 en 30 augustus 2005 een vreemdeling in het café arbeid heeft verricht, zonder dat hij over een vergunning beschikte om die vreemdeling te werk te stellen;

- uit de gegevens van de politie Brabant Zuid-Oost volgt dat op 20 november 2007 een vreemdeling in het café arbeid heeft verricht, zonder dat [vennoot B] over een vergunning beschikte om die vreemdeling te werk te stellen;

- de Arbeidsinspectie heeft een boete opgelegd, omdat op 13 december 2007 een vreemdeling in het café arbeid heeft verricht, zonder dat [vennoot B] over een vergunning beschikte om die vreemdeling te werk te stellen;

- de Arbeidsinspectie heeft op 21 januari 2010 geconstateerd dat [vennoot B] (vermoedelijk) verschillende bepalingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag heeft overtreden. Ten tijde van het uitbrengen van het advies loopt deze procedure nog. Voorts heeft [vennoot B] in de periode 2005 tot 2010 verschillende horecagerelateerde overtredingen begaan, aldus het advies.

4. De vennootschap betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat er geen grond was om het Bureau, op advies van de officier van justitie, om advies te vragen. Hiertoe stelt zij dat alle door [vennoot B] begane overtredingen bij de verlening van de vergunningen bekend waren. Ernstige strafbare feiten, zoals vecht- of steekpartijen, hebben zich nooit in of nabij het café voorgedaan.

4.1. Niet in geschil is dat de gemeente Eindhoven op 16 november 2009 een brief van de officier van justitie heeft ontvangen, waarin deze in verband met ter beschikking staande gegevens wijst op de wenselijkheid om aan het Bureau over het café advies te vragen.

De vennootschap heeft niet aannemelijk gemaakt dat de feiten en omstandigheden, waarop het advies van het Bureau is gebaseerd en die het college en de burgemeester aan hun besluiten van 16 juni 2011 ten grondslag hebben gelegd, bij de verlening van de vergunningen reeds bij het college en de burgemeester bekend waren, aangezien zij geen toegang hebben tot de justitiële en fiscale gegevens en andere gesloten bronnen van de politie. Daarnaast hebben het college en de burgemeester bij toezending van de vergunningbewijzen van 10 december 2009 aan de vennootschap meegedeeld dat, indien uit het onderzoek zou blijken dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, zij de verleende vergunningen zouden intrekken. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank met juistheid in het in beroep aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat het college en de burgemeester ten onrechte naar aanleiding van de brief van de officier van justitie advies aan het Bureau hebben gevraagd.

5. Voorts betoogt de vennootschap dat de rechtbank heeft miskend dat het college en de burgemeester ten onrechte hebben aangenomen dat zich een situatie, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob, voordeed. Deze wet dient te voorkomen dat criminele activiteiten worden gefaciliteerd. Daarvan is geen sprake. Zo zijn er bij de vennootschap geen onduidelijke financiële circuits en is de andere vennoot, [vennoot A], van onbesproken gedrag. Evenmin zijn er meldingen van overlast of hinder van omwonenden van het café geweest. Ook stonden de vennoten niet in contact met criminele personen. De door het college en de burgemeester in aanmerking genomen door [vennoot B] begane overtredingen zijn niet ernstig en slechts gerelateerd aan de exploitatie van het café. Voorts heeft de rechtbank miskend dat [vennoot B] zich wegens gebrekkige kennis van de Nederlandse taal, niet steeds voldoende tegen datgene wat hem ten laste is gelegd heeft kunnen verweren, aldus de vennootschap.

5.1. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college en de burgemeester de vergunningen ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b en artikel 7, eerste lid, van de Wet bibob in konden trekken. Tussen partijen is niet in geschil is dat verschillende overtredingen van de Wav hebben plaatsgevonden en de hiervoor opgelegde boetes in rechte onaantastbaar zijn. Al deze overtredingen zijn onlosmakelijk met de exploitatie van het café verbonden. Zij hebben zich voorts gedurende een lange periode voorgedaan. Het college en de burgemeester hebben zich daarom op het standpunt mogen stellen dat [vennoot B] een ondernemer is die zich structureel, langdurig en recent, niet aan de geldende wet- en regelgeving houdt.

De rechtbank heeft evenzeer terecht geoordeeld dat het college en de burgemeester zich op het standpunt hebben mogen stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de verleende vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het betoog dat de vennootschap zich niet aan ernstige strafbare feiten schuldig heeft gemaakt en de gestelde omstandigheid de andere vennoot van onbesproken gedrag is, leidt, wat daar verder van zij, leidt niet tot een ander oordeel, nu het college en de burgemeester zich reeds op grond van de gepleegde strafbare feiten op het standpunt mochten stellen dat voldaan is aan de in artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob voor het kunnen intrekken gestelde eisen. Dat [vennoot B] zich, als gesteld, wegens gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende heeft kunnen verweren in de procedures, waarin de overtredingen van de Wav centraal stonden, leidt evenmin tot een ander oordeel, nu hij dat in die procedures heeft kunnen aanvoeren.

5.2. Verder betoogt de vennootschap dat de rechtbank heeft miskend dat de intrekking onevenredig groot nadeel voor haar oplevert, mede gelet op het feit dat de in aanmerking genomen strafbare feiten van geringe ernst waren.

5.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2009 in zaak nr. 200808942/1/H3), is met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob beoogd te voorkomen dat bestuursorganen met het verlenen van vergunningen het plegen van strafbare feiten faciliteren. Nu het college en de burgemeester zich op het standpunt hebben mogen stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen en door intrekking van deze vergunningen het algemeen belang dat dit niet gebeurt wordt gediend, heeft het aangevoerde de rechtbank terecht geen grond gegeven voor het oordeel dat het college en de burgemeester het belang van de vennootschap bij behoud van de vergunningen ten onrechte niet heeft laten prevaleren boven het algemeen belang dat met de intrekking is gediend en de intrekking voor de vennootschap onevenredig bezwarend is.

6. Met juistheid heeft de rechtbank ten slotte door de vennootschap niet aannemelijk gemaakt geacht dat het college en de burgemeester met de intrekkingen het gelijkheidsbeginsel hebben geschonden.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Palland, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Palland

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2013

591