Home

Raad van State, 24-10-2012, BY1045, 201107891/1/R3

Raad van State, 24-10-2012, BY1045, 201107891/1/R3

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2011, nr. 10, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Uitspraak

201107891/1/R3.

Datum uitspraak: 24 oktober 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te [woonplaats], gemeente Geertruidenberg,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Geertruidenberg,

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], gemeente Geertruidenberg,

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], gemeente Geertruidenberg,

5.    [appellant sub 5], wonend te [woonplaats], gemeente Geertruidenberg, en anderen,

en

de raad van de gemeente Geertruidenberg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2011, nr. 10, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen, [belanghebbende A] en [belanghebbende B] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2012, waar [appellant sub 1], bijgestaan door drs. H.E. Winkelman, [appellant sub 2] en [appellant sub 3], beiden bijgestaan door mr. J.H.J. van Erk, [appellant sub 4], bijgestaan door mr. M.J.C. Mol, [appellant sub 5] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 5] en [appellant sub 5 A], en de raad, vertegenwoordigd door ing. A.P.G. den Tenter en J. Merkx, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de belanghebbenden [belanghebbende A], bijgestaan door mr. W. Krijger en F. van den Heijning, en [belanghebbende C] verschenen.

Overwegingen

Het beroep van [appellant sub 1] en het beroep van [appellant sub 5] en anderen

1.    De raad en [belanghebbende A] betwisten de ontvankelijkheid van de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen.

1.1.    Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan uitsluitend een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit inzake de vaststelling van een bestemmingsplan.

    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

1.2.    De wetgever heeft het beroepsrecht beperkt tot rechtstreeks belanghebbenden teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

1.3.    Over de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 1] wordt als volgt overwogen. Ter zitting is gebleken dat [appellant sub 1] vanaf zijn perceel zicht heeft op het plandeel ter plaatse van het perceel [locatie 1]. Hij woont voorts op een zodanige afstand daarvan dat, mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die in het plan ter plaatse mogelijk worden gemaakt, aannemelijk is dat hij rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. De Afdeling ziet geen aanleiding om het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk te verklaren.

1.4.    Over de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 5] en anderen wordt als volgt overwogen. Ter zitting is komen vast te staan dat [appellant sub 5], [appellante sub 5 B], [appellant sub 5 A], [appellant sub 5 C], [appellant sub 3], [appellant sub 5 D] en [appellant sub 5 E], namens wie het beroep van [appellant sub 5] en anderen mede is ingesteld, op een zodanig grote afstand van het door hen bestreden plandeel wonen, dat niet aannemelijk is dat zij rechtstreeks worden geraakt door het bestreden besluit. Voorts hebben [appellant sub 5] en anderen geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van de genoemde personen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

    De conclusie is dat [appellant sub 5], [appellante sub 5 B], [appellant sub 5 A], [appellant sub 5 C], [appellant sub 3], [appellant sub 5 D] en [appellant sub 5 E] geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, geen beroep kunnen instellen. Het beroep van [appellant sub 5] en anderen, voor zover ingesteld namens [appellant sub 5], [appellante sub 5 B], [appellant sub 5 A], [appellant sub 5 C], [appellant sub 3], [appellant sub 5 D] en [appellant sub 5 E], is niet-ontvankelijk.

2.    [appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen, voor zover ontvankelijk, richten zich tegen de vaststelling van de aanduiding "bouwvlak" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch - 2" voor het perceel [locatie 1] te [plaats]. Op dit perceel is de melkrundveehouderij van [belanghebbende A] gevestigd. [appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen betogen dat het bouwvlak ten onrechte is vergroot tot 1,5 ha.

2.1.    [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat de opgestelde ruimtelijke onderbouwing die aan het plan ten grondslag is gelegd ondeugdelijk is, omdat niet wordt aangetoond dat de voorziene uitbreiding van het bouwvlak tot 1,5 ha noodzakelijk is. De raad heeft ten onrechte geen onafhankelijk advies gevraagd aan de AAB over de noodzaak tot uitbreiding, terwijl dit wel als voorwaarde in de plantoelichting staat vermeld.

2.1.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat deugdelijk is gemotiveerd waarom het bouwvlak op het perceel is vergroot.

2.1.2.    Voorop wordt gesteld dat de toelichting bij een bestemmingsplan, anders dan de regels en de verbeelding, niet bindend is en geen voorwaarden kan stellen. De toelichting dient ter onderbouwing van de in het plan gemaakte keuzes. Er bestond geen verplichting tot het vragen van advies aan de AAB. Dat neemt niet weg dat een zorgvuldige voorbereiding vereist dat een mogelijk gemaakte uitbreiding deugdelijk wordt gemotiveerd.

    Voor de uitbreiding is het stuk "Gemeente Geertruidenberg, Ruimtelijke onderbouwing [locatie 1], [plaats]" (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) opgesteld. Deze ruimtelijke onderbouwing maakt deel uit van de toelichting bij het plan. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat, om in de toekomst een renderende veehouderij te exploiteren, schaalvergroting van het bedrijf noodzakelijk is. Zo zijn ten behoeve van de steeds groter wordende machines en werktuigen een grotere loods en een nieuwe werktuigenberging nodig en voor het vee een nieuwe rundveestal, welke bebouwing niet in het bestaande bouwvlak valt in te passen. Gelet op het voorgaande bestaat in redelijkheid geen aanleiding voor het oordeel dat de opgestelde ruimtelijke onderbouwing die aan het plan ten grondslag is gelegd ondeugdelijk is. Het betoog faalt.

2.2.    [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat in het aan het plan ten grondslag gelegde "Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Gemeente Geertruidenberg" (hierna: het Plan-MER) geen rekening is gehouden met de vergroting van het bouwvlak tot 1,5 ha. Het Plan-MER dateert van voor de gewijzigde vaststelling van het plan en is dan ook niet meer actueel.

2.2.1.    Ingevolge artikel 7.13, aanhef, en onder b, van de Wet milieubeheer stelt het bevoegd gezag een plan niet vast indien het plan ten opzichte van het ontwerp van dat plan zo is gewijzigd dat de gegevens die in het MER zijn opgenomen redelijkerwijs niet meer aan het plan ten grondslag kunnen worden gelegd.

2.2.2.    In artikel 1, lid 1.54, van de planregels is een melkveebedrijf aangemerkt als een grondgebonden agrarisch bedrijf. In het plan-MER staat, dat als uitgangspunt is genomen dat grondgebonden agrarische bedrijven in het plan tot 2 ha (1,5 ha in AHS-landschap) mogen uitbreiden. Bij de vaststelling van het plan is voor het perceel voorzien in een bouwvlak van 1,5 ha bij recht. Het plan voorziet door dit vergrootte bouwvlak dan ook niet in een situatie die niet reeds in het plan-MER is meegenomen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan-MER niet aan het plan ten grondslag had mogen leggen. Het betoog faalt.

2.3.    Voorts voert [appellant sub 1] aan dat onduidelijk is of een mogelijke toename van stikstofdepositie als gevolg van het vergrootte bouwvlak leidt tot significante gevolgen op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden "Langstraat" en "De Biesbosch". In dit verband brengt [appellant sub 1] naar voren dat onduidelijk is of aan de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorwaarde, dat de aanvullende gegevens met betrekking tot de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant (hierna: de Verordening stikstof) tijdig zijn aangeleverd ten behoeve van de gewijzigde vaststelling van het plan, is voldaan. Als geen toetsing aan deze verordening heeft plaatsgevonden, bestond er ten tijde van de vaststelling van het plan geen zicht op de vraag of ten behoeve van de mogelijk significante gevolgen gesaldeerd kon worden en of het initiatief tot vergroting van het bouwvlak wel uitvoerbaar is.

2.3.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden kunnen worden aangetast door de vergroting van het bouwvlak tot 1,5 ha. Omdat hiervan sprake kan zijn heeft [belanghebbende A] een salderingsverzoek ingediend bij het college van gedeputeerde staten (hierna: het college) op grond van de Verordening stikstof zodat de saldering als mitigerende maatregel ervoor kan zorgen dat de natuurlijke kenmerken niet zullen worden aangetast. Weliswaar was ten tijde van het bestreden besluit hierover nog geen besluit door het college genomen, maar volgens de raad was duidelijk dat het saldo in de depositiebank toereikend was voor de afhandeling van lopende aanvragen.

2.3.2.    Ingevolge artikel 19g, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verzekert het college, indien een passende beoordeling is voorgeschreven, zich op grond van de passende beoordeling ervan, dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

    Ingevolge artikel 19j, eerste lid, houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

    Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

    Ingevolge het derde lid wordt het besluit, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, alleen genomen indien is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 19g.

2.3.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraken van 7 september 2011, in zaak nr. 201003301/1/R2 en 7 mei 2008, in zaak nr. 200604924/1, gaat het er bij de beoordeling van de vraag of sprake kan zijn van significante gevolgen om te bezien of het plan als zodanig niet leidt tot significante gevolgen. Wanneer significante gevolgen niet zijn uitgesloten, dient een passende beoordeling te worden gemaakt, waarbij mitigerende maatregelen kunnen worden betrokken. In dit geval staat vast dat significante gevolgen zijn te verwachten voor de Natura 2000-gebieden "Langstraat" en "De Biesbosch".

2.3.4.    In verband met de te verwachten significante gevolgen is in de "Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied, Aanvulling: Gemeente Geertruidenberg" (hierna: de Aanvulling Plan-MER) een passende beoordeling opgenomen, die mede aan het plan ten grondslag is gelegd. Hierin staat, voor zover van belang, dat tot uitgangspunt is genomen dat uitbreiding van agrarische bedrijven alleen mogelijk is wanneer er (per saldo) geen sprake is van een verdere toename van stikstof. Hoe dit in de praktijk verder gestalte gaat krijgen, is deels afhankelijk van de uitwerking van het zogenoemde Stikstofakkoord en de Programmatische Aanpak Stikstof.

    Voorts is als bijlage 2 bij de Aanvulling Plan-MER de "Aanvulling op beoordeling stikstofdepositie" opgenomen. Hierin staat, voor zover van belang, dat de stikstofdepositie in alle berekende situaties toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. Ten opzichte van de huidige situatie daalt de stikstofdepositie vanuit de veehouderijen op de Natura 2000-gebieden "Langstraat" en "De Biesbosch" niet. Er is per definitie een aantasting te verwachten van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden. Voorts kan worden geconcludeerd dat in alle berekende situaties de kritische depositiewaarde van de desbetreffende habitattypen met bijbehorende typische soorten wordt overschreden.

    Verder volgt uit de ruimtelijke onderbouwing, voor zover van belang, dat de uitbreiding van het bedrijf een toename van ammoniakdepositie tot gevolg heeft. De toename van de ammoniakdepositie zal worden gesaldeerd uit de depositiebank welke wordt beheerd door de provincie. Door de saldering is er geen negatief effect te verwachten op de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het bedrijf. Ter zitting is door de raad en door [belanghebbende A] toegelicht dat deze saldering als mitigerende maatregel wordt gezien.

2.3.5.    Uit de passende beoordeling kan worden afgeleid dat de natuurlijke kenmerken van de gebieden door de voorgenomen uitbreiding van de veehouderij zullen worden aangetast. Daarom is reeds op 18 januari 2011 een verzoek tot saldering bij het college ingediend. Het bestreden besluit biedt echter geen inzicht in de vraag of met de voorgenomen saldering als mitigerende maatregel aan de in artikel 19g, eerste lid, in samenhang met artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998 opgenomen voorwaarden kan worden voldaan. Ten tijde van het bestreden besluit was immers naar aanleiding van dit verzoek nog geen besluit genomen door het college. Weliswaar betoogt de raad in het verweerschrift dat ten tijde van het bestreden besluit duidelijk was dat het saldo in de depositiebank toereikend was voor de afhandeling van de lopende aanvragen, maar deze stelling wordt niet met concrete gegevens dan wel met een besluit van het college onderbouwd, nog daargelaten de aanvaardbaarheid van een systeem als dat van de depositiebank van Noord-Brabant. De enkele verwachting dat saldering geregeld kan worden, is niet voldoende om zeker te stellen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast. Gelet hierop is bij de vaststelling van het plan artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998 niet in acht genomen. Het betoog slaagt en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

2.3.6.    Voor zover ter zitting erop is gewezen dat het college op 19 december 2011 alsnog een besluit heeft genomen met betrekking tot de door [belanghebbende A] verzochte saldering wordt als volgt overwogen. Uit dit collegebesluit volgt dat het college op voorhand kan instemmen met de door [belanghebbende A] verzochte saldering. Daarom heeft het college ten behoeve van deze saldering op 19 januari 2011 een reservering gemaakt van in de depositiebank opgenomen vervallen en vrijgekomen stikstofdeposities op voor stikstof gevoelige habitats in de betrokken Natura 2000-gebieden. De reservering geldt voor een jaar en wordt eerst definitief uit de depositiebank onttrokken op het moment dat de daarmee overeenkomende vergunningen in werking treden en het college daarvan door [belanghebbende A] op de hoogte is gebracht. Ter zitting is gebleken dat een verlenging van de reservering is aangevraagd, maar dat hierover nog geen besluit is genomen. Voorts is ter zitting gebleken dat een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 is aangevraagd, maar dat ook hierover nog geen besluit is genomen. Reeds hierom kan niet op basis van concrete gegevens worden beoordeeld of is verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden niet zullen worden aangetast. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre in stand te laten.

2.4.    [appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat de door de raad op 16 december 2010 vastgestelde Verordening Wet geurhinder en veehouderij gemeente Geertruidenberg (hierna: de geurverordening) onverbindend dient te worden verklaard. Volgens hen is in de geurverordening ten onrechte de grens van de bebouwde kom aangepast en de aan te houden afstand gehalveerd, waardoor een afstand van 25 m kan worden gehanteerd tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten. [appellant sub 5] en anderen betogen dat ter plaatse de woonfunctie overheerst, waardoor dit gebied niet aangemerkt kan worden als buitengebied. Hierbij wijzen zij op de historische status van de Luiten Ambachtstraat. Voorts voeren [appellant sub 5] en anderen aan dat de verdubbeling van het aantal dieren van het bedrijf een substantiële verslechtering van het woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen tot gevolg heeft door toenemende geuroverlast. Bovendien is uitbreiding van het bouwvlak volgens [appellant sub 5] en anderen in strijd met de "Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij Geertruidenberg" (hierna: de gebiedsvisie), omdat hieruit volgt dat het bedrijf nog steeds op slot zit.

2.4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de geurverordening voldoet aan de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) en daarnaast niet in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Voorts is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.

2.4.2.    Niet in geschil is dat de gemeente Geertruidenberg buiten een concentratiegebied ligt.

    Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden en een geurgevoelig object ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

    Ingevolge artikel 6, derde lid, onder b, kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere afstand van toepassing is dan de afstand, genoemd in artikel 4, eerste lid, met dien verstande dat deze ten minste 25 meter bedraagt indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

    Ingevolge artikel 8, eerste lid, betrekt de gemeenteraad bij het bepalen van de andere afstand, bedoeld in artikel 6, in elk geval de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied.

    Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder a en b, betrekt de gemeenteraad bij het bepalen van de andere afstand tevens de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied, of de afwijkende relatie tussen geurbelasting en geurhinder.

2.4.3.    Op 16 december 2010 heeft de raad krachtens artikel 6 van de Wgv de geurverordening vastgesteld.

    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder D, van de geurverordening wordt in deze verordening verstaan onder bebouwde kom een aaneengesloten verstedelijkte vorm van bebouwing met een overwegende woonfunctie. De bebouwde kom is op een bij de geurverordening behorende kaart vastgelegd.

    Ingevolge artikel 4, aanhef en onder b, bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object in het gehele grondgebied van de gemeente buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter.

2.4.4.    Aan de geurverordening ligt de gebiedsvisie ten grondslag. Deze is gebaseerd op de uitgevoerde "Quickscan Wet geurhinder en veehouderij Geertruidenberg Monitoring 2009", een herziene versie van de quickscan uit 2007. In de gebiedsvisie is uiteengezet dat bij het aanpassen van de grenzen van de bebouwde kom is aangesloten bij de feitelijke situatie ter plaatse. Langs de Luiten Ambachtstraat is sprake van een afname van bebouwingsdichtheid direct na het passeren van het afwateringskanaal. Deze "natuurlijke" grens is daarom ook aangehouden bij de aanpassing van de grenzen van de bebouwde kom, nu het gebied na deze grens meer openheid biedt, het bredere percelen betreft, afgewisseld met percelen met grasland en er meer verwevenheid is van agrarische en overige functies.

    Voorts staat in de gebiedsvisie dat binnen de gemeente Geertruidenberg een overwegend acceptabel tot afweegbaar geurniveau heerst. Door de aanpassing van de afstanden krijgen enkele bedrijven meer ontwikkelingsmogelijkheden en wordt het ook mogelijk om op een aantal locaties nieuwe woningen te bouwen. Dat acht het gemeentebestuur een wenselijke ontwikkeling in de inrichting van het gebied.

2.4.5.    De Afdeling overweegt dat aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals neergelegd in de geurverordening, verbindende kracht kan worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag - in dit geval de raad - om alle verschillende belangen, die bij het nemen van een besluit zoals de geurverordening betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter dient bij de beoordeling van zo'n besluit slechts te toetsen of de betrokken belangen zo onevenwichtig zijn afgewogen dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit is kunnen komen. Daarbij heeft de rechter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen, terwijl de rechter ook overigens bij deze toetsing terughoudendheid dient te betrachten.

2.4.6.    Het plangebied ter plaatse van de melkrundveehouderij en de woningen in de directe omgeving daarvan ligt voorbij het ter plaatse aanwezige afwateringskanaal en wordt op basis van de geurverordening niet meer aangemerkt als bebouwde kom.

    In de memorie van toelichting bij de Wgv is vermeld dat de grens van de bebouwde kom evenals in de ruimtelijke ordening, wordt bepaald door de aard van de omgeving. Het begrip bebouwde kom betreft een feitelijk begrip. In de gebiedsvisie heeft de raad de feitelijke situatie ter plaatse beschreven. Gelet hierop heeft de raad zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de Luiten Ambachtstraat in de richting van Waspik en voorbij het afwateringskanaal, gelet op de variëteit aan de aldaar voorkomende functies en de hieraan toegekende bestemmingen, naar haar aard kan worden aangemerkt als gelegen buiten de bebouwde kom. Of de Luiten Ambachtstraat al dan niet een historische status heeft, zoals betoogd door [appellant sub 5] en anderen is hiervoor niet relevant.

2.4.7.    In de memorie van toelichting bij de Wgv is vermeld dat het bevoegd gezag ruimte is geboden om rekening te houden met de ruimtelijke en milieuhygiënische feiten en omstandigheden in een concreet gebied en met de gewenste (toekomstige) ruimtelijke inrichting van dat gebied. De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken omtrent de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen (TK 2005-2006, 30 453, nr. 3, blz. 4). De raad heeft derhalve de bevoegdheid om voor een bepaald gebied een andere afstand vast te stellen met het oog op het mogelijk maken van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling.

    Vast staat dat de wettelijk aan te houden afstand als bedoeld in de Wgv is gehalveerd, waardoor een afstand van 25 m kan worden gehanteerd tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten. Ten behoeve van de gebiedsvisie zijn gegevens in kaart gebracht over deze afstand tussen veehouderijen en de ter plaatse aanwezige geurgevoelige objecten. Tevens is hierbij de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied in beschouwing genomen en is de gewenste ruimtelijke ontwikkeling uiteengezet. Op basis hiervan heeft de raad in redelijkheid buiten de bebouwde kom een afstand van 25 m aanvaardbaar kunnen achten en kunnen vaststellen.

2.4.8.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de geurverordening in strijd is met artikel 6 of artikel 8 van de Wgv en daarmee een hoger wettelijk voorschrift, dan wel in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

2.4.9.    Over het betoog van [appellant sub 5] en anderen over het woon- en leefklimaat overweegt de Afdeling dat, indien tussen de veehouderij en een geurgevoelig object de in de Wgv of de hierop gebaseerde geurverordening genoemde afstand wordt aangehouden, in beginsel mag worden aangenomen dat bij het geurgevoelig object een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Indien tussen de veehouderij en een geurgevoelig object niet de in de Wgv of de hierop gebaseerde verordening genoemde afstand wordt aangehouden, mag niet zonder meer worden aangenomen dat daar een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. In een dergelijk geval dient door de raad te worden gemotiveerd waarom ter plaatse van het geurgevoelig object niettemin een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

    In de omgeving van het bouwvlak staan vrijwel alle woningen buiten de in de verordening genoemde afstand van 25 m. De woning op het perceel Luiten Ambachtstraat 23 staat op een afstand van 15 m van het bouwvlak en daarmee binnen de aan te houden afstand van 25 m.

    Blijkens de gebiedsvisie heerst binnen de gemeente Geertruidenberg een overwegend acceptabel tot afweegbaar geurniveau. Deze conclusie is gebaseerd op onderzoek naar de heersende achtergrondbelasting in het gebied. Bekeken is verder hoeveel geurgevoelige objecten aanwezig zijn binnen de wettelijke afstanden tot bouwvlakken van extensieve veehouderijen en hoeveel dat er zouden worden als deze afstanden worden aangepast. Uit de plantoelichting volgt dat met het bestemmingsplan twee doelen worden gediend: het veiligstellen en vaststellen van bestaande waarden en belangen, alsmede het mogelijk maken van gewenste ontwikkelingen. Voor de agrarische sector betekent dit dat voor enkele bedrijven een beperkte uitbreiding van het bouwvlak is voorzien. Omdat dit voor slechts enkele bedrijven mogelijk wordt gemaakt, betekent dit dat, voor zover het plan leidt tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat wat betreft geur, deze verslechtering beperkt zal zijn. Voorts is voor de woning op het perceel Luiten Ambachtstraat 23 ter zitting komen vast te staan dat dit de bestaande situatie is en dat de afstand van de buitenzijde van de dierenverblijven tot de buitenzijde van deze woning meer dan 25 m bedraagt. De uitbreiding van de veehouderij zal aan de andere kant van het bouwvlak, op meer dan 25 m van de woning plaatsvinden. In dit verband heeft de raad onweersproken gesteld dat indien de bedrijfsvoering van de veehouderij zo wordt gewijzigd dat de dierenverblijven op minder dan 25 m van de woning komen te staan, de Wgv in de weg staat aan het verlenen van een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aan het bedrijf, zodat niet aannemelijk is dat deze situatie zich zal voordoen.

    Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse, wat betreft geur, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

2.4.10.    Over het betoog van [appellant sub 5] en anderen dat de uitbreiding van het bouwvlak in strijd is met de gebiedsvisie, omdat hieruit volgt dat het bedrijf nog steeds op slot zit, wordt als volgt overwogen. Met de vaststelling van de geurverordening zijn de wettelijk aan te houden afstanden gehalveerd, onder meer met het oog op de uitbreidingsmogelijkheden van de extensieve veehouderijen die zonder aanpassing op slot zouden komen te zitten. Daarbij is volgens de raad per abuis nagelaten de tabel in de gebiedsvisie waarin staat dat een verdere uitbreiding van deze melkrundveehouderij niet mogelijk is, aan te passen. Wat hiervan ook zij, bij de mogelijke vergunningverlening voor een agrarisch bedrijf geldt de geurverordening als uitgangspunt en toetsingskader en niet de gebiedsvisie. Een eventuele fout in de gebiedsvisie doet daaraan niet af. Het betoog faalt.

2.5.    Verder voeren [appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen aan dat zij vrezen voor een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat door geluidsoverlast als gevolg van de vergroting van het bouwvlak. [appellant sub 1] wijst hierbij op het feit dat niet wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering". Uit het feit dat nog steeds onduidelijk is of de milieuvergunning voor het bedrijf kan worden verleend leidt hij af dat onduidelijk is of aan deze wettelijke voorschriften kan worden voldaan. Voorts leidt de vergroting van het bouwvlak tot visuele hinder. [appellant sub 5] en anderen wijzen daarnaast nog op overlast door toenemend verkeer van en naar het perceel en op mogelijke gezondheidsrisico's.

2.5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet zal leiden tot een onevenredige toename van geluidsoverlast en een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat.

2.5.2.    De raad heeft geen aanleiding gezien om de richtafstanden uit de VNG-brochure toe te passen, maar is hiertoe ook niet verplicht. Wel heeft de raad onderzoek verricht naar het woon- en leefklimaat ter plaatse.

    Voorop wordt gesteld dat het verlenen van een milieuvergunning en het vaststellen van een bestemmingsplan twee afzonderlijke procedures met verschillende toetsingskaders zijn. Uit het enkele feit dat, zoals ter zitting is komen vast te staan, nog geen milieuvergunning is verleend, kan dan ook niet worden afgeleid dat in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan niet kan worden voldaan aan de daarbij van belang zijnde wettelijke voorschriften.

    Aan het plan is het "Akoestisch Onderzoek Agrarisch bedrijf [belanghebbende A], [locatie 1], [plaats] (15 april 2011)" van Sain milieuadvies (hierna: het akoestisch onderzoek) ten grondslag gelegd. Hieruit volgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de representatieve bedrijfssituatie voldoet aan de richtwaarde voor een rustige woonwijk met weinig verkeer. Voorts voldoet het maximale geluidsniveau in de representatieve bedrijfssituatie aan de grenswaarde en voldoet de geluidsbelasting ten gevolge van de indirecte hinder in de representatieve situatie aan de voorkeurswaarde volgens de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer". [appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen hebben de resultaten van dit onderzoek niet bestreden.

    Voorts heeft de raad in de enkele stelling van [appellant sub 1] dat de vergroting van het bouwvlak leidt tot visuele hinder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien voor de conclusie dat vergroting van het bouwvlak leidt tot onevenredige visuele hinder. [appellant sub 5] en anderen hebben hun betoog dat zij vrezen voor gezondheidsrisico's niet met concrete gegevens onderbouwd.

    Gelet op al het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast. Het betoog faalt.

2.6.    [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat een melkrundveehouderij volgens de begripsbepalingen in de planregels per definitie wordt aangemerkt als grondgebonden agrarisch bedrijf. Dit is volgens hen in strijd met de definitiebepalingen uit de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening 2011) en de toelichting hierop. Daarnaast voert [appellant sub 1] aan dat het bedrijf niet in het buitengebied, maar in stedelijk gebied ligt als bedoeld in de Verordening 2011. Uit artikel 3.1 van de Verordening 2011 volgt dat de ontwikkelingen die op het perceel worden mogelijk gemaakt hiermee in strijd zijn. Bovendien is de uitbreiding van het bouwvlak ten onrechte niet getoetst aan het beginsel van zorgvuldig ruimtegebruik, als bedoeld in artikel 2.1 van de Verordening 2011. Daarnaast voldoet de toelichting van het plan niet aan artikel 2.2 van de Verordening 2011. Weliswaar is als kwaliteitsverbetering als bedoeld in dit artikel de bestemming "Groen - Landschappelijke inpassing" toegekend aan de gronden aan weerszijden van het perceel, maar het is geenszins verzekerd dat deze bestemming ook wordt gerealiseerd. Voorts is ten onrechte geen rekening gehouden met de nabijheid van de groenblauwe mantel als bedoeld in de Verordening 2011, aldus [appellant sub 1]. Verder voeren [appellant sub 5] en anderen aan dat in strijd met artikel 8.3, eerste lid, van de Verordening 2011 de kuilvoerplaat op het perceel ten onrechte buiten het bouwvlak ligt.

2.6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat melkrundveehouderijen in overwegende mate afhankelijk zijn van hun onbebouwde gronden voor de voedselvoorziening, weidegang en de afzet van mest. Daarom heeft de raad melkrundveehouderijen in de planregels aangemerkt als grondgebonden agrarisch bedrijf. Voorts staat artikel 3.1 van de Verordening 2011 niet aan de op het perceel voorziene ontwikkelingen in de weg. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat, naast dat het bouwvlak grotendeels in bestaand stedelijk gebied ligt, wordt voldaan aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Voorts is artikel 2.2 van de Verordening 2011 in dit geval niet van toepassing. Verder ligt het perceel buiten de groenblauwe mantel en bestaat gelet hierop ook in zoverre geen strijd met de Verordening 2011. Tot slot heeft de raad wat betreft de kuilvoerplaat aangesloten bij de huidige bestemmingsplansystematiek.

2.6.2.    Ingevolge artikel 1, lid 1.54, van de planregels, wordt onder grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Melkveebedrijven worden ook aangemerkt als een grondgebonden agrarisch bedrijf.

    Ingevolge lid 1.62 wordt onder intensieve veehouderij verstaan een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkrundveehouderij.

2.6.3.    Ingevolge artikel 1.1, lid 40, van de Verordening 2011 wordt in deze verordening onder intensieve veehouderij verstaan een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkrundveehouderij.

    Ingevolge lid 73 wordt in deze verordening onder stedelijke ontwikkeling verstaan nieuw ruimtebeslag of uitbreiding of wijziging van bestaand ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies.

    Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, draagt een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. De toelichting bij dat plan bevat daaromtrent een verantwoording.

    Ingevolge het tweede lid, onder b, houdt het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval in dat uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden.

    Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, zijn als bestaand stedelijk gebied aangewezen de gebieden aangeduid als:

a. stedelijk concentratiegebied, en

b. kern in landelijk gebied.

    Ingevolge artikel 8.3, eerste lid, onder d, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf worden geconcentreerd in een bouwvlak.

    Ingevolge artikel 14.4, tweede lid, is artikel 2.2 niet van toepassing op een bestemmingsplan voor een ruimtelijke ontwikkeling, anders dan voor een stedelijke ontwikkeling, dat is vastgesteld voor 1 juli 2011.

2.6.4.    Uit de toelichting op artikel 1.1, lid 40, van de Verordening 2011 volgt dat melkrundveehouderijen al dan niet grondgebonden kunnen zijn, waarbij doorslaggevend is of de bedrijfsvoering in overwegende mate niet of juist wel in gebouwen plaatsvindt. Gebleken is dat de raad de bedrijfsvoering van deze veehouderijen als maatstaf heeft genomen en omdat deze alle een grondgebonden bedrijfsvoering hebben voor de in het plan gekozen definitie heeft gekozen. Omdat [appellant sub 5] en anderen geen concrete voorbeelden hebben genoemd van melkrundveehouderijen die niet grondgebonden zouden zijn, bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat het plan in zoverre in strijd is met de Verordening 2011.

    Voorts staat vast dat het perceel grotendeels in "bestaand stedelijk gebied - kern in landelijk gebied" ligt als bedoeld in de Verordening 2011. Uit artikel 3.1 van de Verordening 2011 volgt echter niet dat de op het perceel voorziene uitbreiding van het bouwvlak tot 1,5 ha hiermee in strijd is. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 3.1 van de Verordening 2011 niet aan de op het perceel voorziene ontwikkeling in de weg staat.

    Het achterste gedeelte van het bouwvlak van 1,5 ha ligt buiten het bestaand stedelijk gebied in agrarisch gebied. Alleen voor deze oppervlakte geldt ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening 2011 dan ook het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, waarbij de vergroting van een agrarisch bouwvlak is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen het oorspronkelijk toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden. Uit de ruimtelijke onderbouwing, die deel uitmaakt van de plantoelichting, volgt dat het grootste deel van het bouwvlak wordt benut door de daarop aanwezige bebouwing en dat de overgebleven oppervlakte geschikt moet blijven als manoeuvreerruimte voor machines. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het perceel is ingericht overeenkomstig het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 2.1, lid 1 en 2, van de Verordening 2011 aan de op het perceel voorziene ontwikkeling in de weg staat.

    Voorts wordt overwogen dat, wat er van een mogelijke kwaliteitsverbetering ook zij, het plan is vastgesteld op 28 april 2011 en dat op het perceel niet is voorzien in een stedelijke ontwikkeling. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 2.2 van de Verordening 2011 niet van toepassing is op het plan ingevolge het overgangsrecht van artikel 14.4, tweede lid, van de Verordening 2011.

    Voorts staat vast dat het perceel buiten de groenblauwe mantel ligt. De Verordening 2011 kent geen bepalingen waarbij bij voorziene ruimtelijke ontwikkelingen op een perceel rekening moet worden gehouden met de groenblauwe mantel, indien het perceel buiten de groenblauwe mantel ligt. Ook in zoverre is het plan niet in strijd met de Verordening 2011.

    Over het betoog van [appellant sub 5] en anderen over de kuilvoerplaat wordt als volgt overwogen. In het vorige plan lag een deel van de kuilvoerplaten buiten het bouwvlak. In het voorliggende plan is echter gekozen voor de systematiek van de bestemming "Agrarisch - 2" met de aanduiding "bouwvlak" waarbinnen alle voorzieningen van het agrarische bedrijf dienen te worden opgenomen overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008. Uit de ruimtelijke onderbouwing in samenhang met de verbeelding volgt dat de kuilvoerplaten op het perceel binnen de aanduiding "bouwvlak" zijn opgenomen. Gelet hierop mist het betoog van [appellant sub 5] en anderen dat in strijd met artikel 8.3, eerste lid, van de Verordening 2011 de kuilvoerplaat op het perceel buiten het bouwvlak ligt, feitelijke grondslag.

2.6.5.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de Verordening 2011. De betogen falen.

2.7.    Voorts betoogt [appellant sub 1] dat onduidelijk is of een watertoets heeft plaatsgevonden voor de op het perceel voorziene ontwikkelingen. Bovendien dient nog een vergunning op grond van de Waterwet te worden aangevraagd.

2.7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de watertoets heeft plaatsgevonden.

2.7.2.    Ingevolge artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg met de besturen van betrokken waterschappen.

    Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bro, gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting, waarin is neergelegd een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding.

2.7.3.    Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat de raad voor de gewijzigde vaststelling van het plan overleg heeft gevoerd met het Waterschap Brabantse Delta en advies heeft ingewonnen over de ontwikkelingen op het perceel. Dit overleg is verwerkt in de plantoelichting en de ruimtelijke onderbouwing. De belangrijkste uitgangspunten voor het Waterschap zijn in deze stukken opgenomen. Daarom heeft het Waterschap bij brief van 28 januari 2011 een positief advies gegeven.

    Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bro is vastgesteld. De vraag of voor de feitelijke inrichting van het te bebouwen deel van het perceel een vergunning op grond van de Waterwet nodig zal zijn, betreft een uitvoeringsaspect en valt buiten het bestek van deze procedure. Het betoog faalt.

2.8.    In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover met de aanduiding "bouwvlak" op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - 2" voor het perceel [locatie 1] het bouwvlak is uitgebreid ten opzichte van het bouwvlak voor dit perceel in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitenlinten", is vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.8.1.    In hetgeen [appellant sub 5] en anderen, voor zover ontvankelijk, hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft de aanduiding "bouwvlak" op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - 2" voor het perceel [locatie 1], strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 5] en anderen is ongegrond.

3.    Voorts richt [appellant sub 1] zich tegen de vaststelling van artikel 4, lid 4.2.4, van de planregels, voor zover hierin een bouwhoogte van 13 m is opgenomen voor bedrijfsgebouwen.

    Hij betoogt dat deze bouwhoogte ongemotiveerd gewijzigd is vastgesteld van 11 m naar 13 m, terwijl deze bouwhoogte niet past in de omgeving. Bovendien is het bij een hoogte van 13 m mogelijk om meer bouwlagen te realiseren. Een bouwhoogte van 9 m is in de optiek van [appellant sub 1] gewenst.

3.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de bouwhoogte is vergroot tot 13 m om tegemoet te komen aan de wensen van agrariërs in het gebied.

3.2.    Ten behoeve van schaalvergroting van diverse agrarische bedrijven in het plangebied heeft de raad ervoor gekozen om binnen de bestemming "Agrarisch - 2" een bouwhoogte van 13 m op te nemen voor bedrijfsgebouwen. Deze hoogte is gelijk aan de bouwhoogte voor agrarische bedrijfsgebouwen in het inpassingsplan "Overdiepse Polder", elders in Geertruidenberg. De Afdeling acht het niet onredelijk dat de raad aansluiting heeft gezocht bij dit plan. Dat het perceel Luiten Ambachtstraat op grotere afstand van het plangebied van dat plan ligt, maakt dat niet anders. Er is geen aanleiding voor de conclusie dat deze hoogte niet past in de omgeving. Over het aantal bouwlagen volgt uit artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.1, onder n, van de planregels bij de bestemming "Agrarisch - 2", dat binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag mag worden gebruikt voor het houden van dieren. Het betoog faalt.

3.3.    In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover in artikel 4, lid 4.2.4, van de planregels een bouwhoogte van 13 m is opgenomen voor bedrijfsgebouwen, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre ongegrond.

4.    Voorts richt [appellant sub 1] zich tegen artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.3, van de planregels bij de bestemming "Agrarisch - 2", voor zover hierin de mogelijkheid is opgenomen om door middel van een wijzigingsbevoegdheid het bouwvlak op het perceel te vergroten tot maximaal 2 ha.

    Hij betoogt dat de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende objectief is begrensd. In de wijzigingsbevoegdheid is ten onrechte niet de voorwaarde opgenomen dat voldaan dient te worden aan de op het moment van toepassing van deze bevoegdheid geldende milieuregelgeving. In dit verband is onduidelijk of de wijzigingsbevoegdheid uitvoerbaar is. Voorts is onduidelijk waarvoor het in de wijzigingsbevoegdheid opgenomen advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB) dient en welke waarde aan dit advies wordt toegekend bij de besluitvorming. Bovendien had in de ruimtelijke onderbouwing van het perceel aandacht moeten worden besteed aan de wijzigingsbevoegdheid in relatie tot het voorheen geldende plan. Voorts is niet onderbouwd dat vergroting dan wel vormverandering van het bouwvlak noodzakelijk is, aldus [appellant sub 1].

4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de wijzigingsbevoegdheid, gelet op de hierin opgenomen voorwaarden, voldoende objectief is begrensd.

4.2.    Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder 4.1.1, onder c, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - 2" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch gebruik.

    Ingevolge lid 4.7, onder 4.7.3, kan het college van burgemeester en wethouders deze bestemming op onderdelen wijzigen ten behoeve van vergroting en/of vormverandering van de aanduiding "bouwvlak", mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

b. de vergroting en/of vormverandering dient noodzakelijk te zijn uit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling waaronder begrepen het kunnen plaatsen van permanente teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van de op te nemen aanduiding "bouwvlak";

c. voor grondgebonden agrarische bedrijven (inclusief productiegerichte paardenhouderijen) is vergroting tot een omvang van 1,5 ha toegestaan; een verdere vergroting naar maximaal 2 ha kan voor deze bedrijven worden toegestaan, nadat advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen is ingewonnen over punt b.

4.3.    Bij een wijzigingsbevoegdheid is van belang dat duidelijk is in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden de bestemming gewijzigd kan worden. Voor de onder 4.2 weergegeven wijzigingsbevoegdheid is dat, naar het oordeel van de Afdeling, duidelijk. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende objectief is begrensd. Voorts dient bij het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan de bestemming die de wijzigingsbevoegdheid mogelijk maakt, in beginsel planologisch aanvaardbaar te zijn, waaronder mede kan worden begrepen de uitvoerbaarheid ervan. Bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid dient te worden voldaan aan de toepasselijke regelgeving, met gebruikmaking van de actuele relevante milieugegevens. Voorts zal dan moeten worden nagegaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening en gelet op de betrokken belangen een wijziging van de oorspronkelijke bestemming gerechtvaardigd is. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de wijzigingsbevoegdheid niet uitvoerbaar is.

    Voorts wordt overwogen dat het advies van de AAB dient ter beoordeling van de vraag of de uitbreiding van het bedrijf noodzakelijk is. Nu het gaat om een advies is dit niet bindend, maar kan hiervan gemotiveerd worden afgeweken. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat niet is onderbouwd dat vergroting dan wel vormverandering van het bouwvlak noodzakelijk is, wordt overwogen dat de wijzigingsbevoegdheid zonder deze noodzaak ingevolge artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.3, onder b, van de planregels niet mag worden toegepast. Het betoog faalt.

4.4.    In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.3, van de planregels, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre ongegrond.

4.5.    De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

    Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van het beroep van [appellant sub 5] en anderen bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 4]

5.    [appellant sub 4] betoogt dat de raad ten onrechte artikel 1, lid 1.3, van de planregels heeft vastgesteld.

    Hij voert hiertoe aan dat de opname van deze bepaling in het plan, die het begrip "aan huis verbonden beroep" definieert, er ten onrechte toe leidt dat in het bijgebouw op het perceel [locatie 2] te [plaats] een pedicurepraktijk kan worden uitgeoefend. Met een dergelijk aan huis verbonden beroep kan hij zich niet verenigen omdat dit niet is toegestaan nabij zijn paardenhouderij. Hij wijst erop dat de bedrijfsmatige activiteiten ter plaatse zullen worden belemmerd, omdat het bijgebouw door het daarin toegestane aan huis verbonden beroep kan worden aangemerkt als een geurgevoelig object.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat met het plan is beoogd om het huidige gebruik van het bijgebouw als pedicurepraktijk of een ander beroep aan huis planologisch mogelijk te maken.

5.2.    Aan het perceel met daarop het vrijstaande bijgebouw zijn de bestemming "Wonen" en de aanduiding "bijgebouwen" toegekend.

    Ingevolge artikel 1, lid 1.3, van de planregels wordt onder aan huis verbonden beroep verstaan: een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

    Ingevolge artikel 22, lid 22.1, onder 22.1.2, onder a, aanhef en onder 1, van de planregels bij de bestemming "Wonen", mag in een woning ook een aan huis verbonden beroep worden uitgeoefend als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie waarbij de omvang van de activiteit niet meer mag bedragen dan 1/3 deel van de oppervlakte van de begane grondlaag van de woonbebouwing, inclusief bijgebouwen tot een maximum van 80 m².

5.3.    Het bijgebouw werd in het verleden gebruikt ten behoeve van een kantoor en serviceshop bij een voormalig benzinepompstation dat ter plaatse was gevestigd, maar inmiddels is verplaatst. Ter zitting heeft de raad desgevraagd nader toegelicht dat er daarom voor is gekozen om het door [appellant sub 2] gewenste aan huis verbonden beroep met het plan mogelijk te maken. In het vorige plan was de bestemming "Verkeersdoeleinden" aan het perceel toegekend. Door de bestemmingsverandering voorziet het plan dan ook in een nieuwe vorm van gebruik van het bijgebouw.

    Niet in geschil is dat het bijgebouw door het daarin voorziene aan huis verbonden beroep ten opzichte van de paardenhouderij kan worden aangemerkt als geurgevoelig object als bedoeld in de Wgv. In het bestreden besluit heeft de raad zich onvoldoende rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen van een nieuw geurgevoelig object in de directe nabijheid van de paardenhouderij. Daarbij betrekt de Afdeling dat het bijgebouw op [nummer] en de woning op [nummer] niet geheel aan dezelfde kant van de paardenhouderij staan. De raad heeft onvoldoende gemotiveerd dat het nieuwe geurgevoelige object niet tot een extra belemmering voor de paardenhouderij kan leiden. Daar komt wat betreft de planologische aanvaardbaarheid bij dat artikel 22, lid 22.1, onder 22.1.2, onder a, aanhef en onder 1, van de planregels niet zonder meer zo gelezen kan worden dat reeds op grond van die bepaling een aan huis verbonden beroep ook in een bijgebouw bij de woning is toegestaan. De verhouding tussen dit artikel en de begripsbepaling in artikel 1, lid 1.3, is daarmee niet duidelijk. Voorts is naar het oordeel van de Afdeling eveneens sprake van onduidelijkheid in relatie tot de planregeling voor publieksgerichte beroepsactiviteiten, waartoe de thans feitelijk uitgeoefende pedicurepraktijk mogelijk behoort, nu de raad ter zitting heeft verklaard dat artikel 1, lid 1.95, van de planregels, waarin een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis wordt gedefinieerd, niet thuis hoort in het plan en overigens geen betrekking heeft op activiteiten zoals deze plaatsvinden in het bijgebouw. Het betoog slaagt.

5.4.    In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 1, lid 1.3, van de planregels, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 4] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

5.5.    De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 4] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 2]

6.    [appellant sub 2] richt zich tegen de vaststelling van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 7" voor het perceel [locatie 3] te [plaats] waarmee een nevenactiviteit op het perceel wordt mogelijk gemaakt.

6.1.    Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch - 2" met een bouwvlak en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 7" toegekend.

    Ingevolge artikel 1, lid 1.81, van de planregels wordt onder nevenactiviteit verstaan: het ontplooien van activiteiten op een agrarisch bouwvlak die niet rechtstreeks de uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering betreffen en die ondergeschikt zijn aan de agrarische bedrijfsvoering.

    Ingevolge lid 1.87 wordt onder ondersteunende horeca verstaan: een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is maar waar men uitsluitend ten behoeve van de hoofdfunctie en ondergeschikt aan de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren.

    Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder 4.1.1, zijn de voor "Agrarisch - 2" aangewezen gronden bestemd voor:

c. agrarisch gebruik;

d. nevenactiviteiten.

    Ingevolge dit artikellid, onder 4.1.2, onder a, zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" agrarische bedrijven toegestaan.

    Ingevolge onderdeel c is ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 7" als nevenactiviteit toegestaan: kleinschalige toeristisch-recreatieve voorziening in de vorm van het organiseren van kookworkshops en proeverijen met ondergeschikte ondersteunende horeca in combinatie met het organiseren van stads- en dorpswandelingen en excursies, en minimaal 14 parkeerplaatsen op eigen terrein binnen het bouwvlak of aansluitend aan het bouwvlak. De inpandige vloeroppervlakte bedraagt de omvang van de aanduiding; de buitenpandige omvang mag maximaal 450 m² bedragen.

6.2.    [appellant sub 2] voert aan dat het plan geen inzicht biedt in wat tot de omvang van de inpandige oppervlakte wordt gerekend, omdat de zinsnede "omvang van de aanduiding inpandig" niet duidelijk is. Zo is niet duidelijk of de activiteiten alleen op de begane grond of ook op de verdiepingen van de bebouwing mogen plaatsvinden. Dit acht hij in strijd met de rechtszekerheid.

6.2.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de maximale inpandige oppervlakte eenduidig is bepaald door de in het plan opgenomen maatvoering.

6.2.2.    De aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 7" is op de verbeelding toegekend aan een klein vlak en een groter vlak op het perceel, die zijn weergegeven met stippellijnen. Deze vlakken zijn aan elkaar gekoppeld door de aanduiding "relatie". Vast staat dat het kleine vlak deel uitmaakt van het bestaande hoofdgebouw op het perceel en dat het grotere vlak een bijgebouw betreft. De inpandige vloeroppervlakte voor de nevenactiviteiten mag niet meer bedragen dan de omvang van de aanduiding. De aan elkaar gekoppelde vlakken hebben een oppervlakte van 50 m² onderscheidenlijk 137 m². Voorts is op basis van de planregels het uitoefenen van nevenactiviteiten op een andere verdieping niet uitgesloten. Dit is door de raad ter zitting desgevraagd bevestigd. Gelet hierop heeft de raad voldoende inzicht geboden in wat tot de omvang van de inpandige oppervlakte wordt gerekend. Het betoog faalt.

6.3.    [appellant sub 2] betoogt dat onvoldoende is gewaarborgd dat ter plaatse activiteiten worden ontwikkeld die passen in het buitengebied en die geen overlast voor omwonenden opleveren. De nevenactiviteit kan niet worden aangemerkt als agrarische nevenactiviteit, omdat op het perceel geen reële agrarische hoofdactiviteit plaatsvindt. Hierbij wijst hij voorts op de zijns inziens forse inpandige en buitenpandige omvang ten behoeve van de nevenactiviteit en de hierbinnen voorziene ondergeschikte en ondersteunende horeca-activiteiten. Bovendien wijst hij erop dat het aantal activiteiten per jaar op het perceel niet is gemaximeerd, waardoor de kleinschaligheid en ondergeschiktheid van de nevenactiviteit niet is gewaarborgd.

6.3.1.    De raad stelt dat op het perceel een reëel agrarisch bedrijf is gevestigd, waarbij hij nevenactiviteiten heeft willen toestaan.

6.3.2.    Uitgangspunt van het plan is dat aan alle reële agrarische bedrijven een bouwvlak is toegekend. Hiervoor is uitgegaan van de bestaande bedrijven met een milieuvergunning of een melding. Vast staat dat de inrichting op het perceel onder de werking van het Besluit landbouw milieubeheer valt. Uit de door [belanghebbende C] gedane melding in het kader van dit besluit op 8 september 2009 volgt dat er 20 schapen op het perceel worden gehouden.

    In de opgestelde "Ruimtelijke onderbouwing: oprichting kleinschalige multifunctionele ruimte [locatie 3] te [plaats] (Februari 2011)" en de door [belanghebbende C] naar voren gebrachte zienswijze staat dat voor de kookworkshops en proeverijen groepen van 10 tot 40 personen zullen worden ontvangen. Ten behoeve van de te organiseren kookworkshops en proeverijen is voorts ondergeschikte ondersteunende horeca toegestaan. Voor deze activiteiten is een inpandige oppervlakte voorzien van 187 m² en een buitenpandige oppervlakte van 450 m² inclusief een heemtuin. De activiteiten op het perceel dienen een multifunctioneel karakter te krijgen met als doelgroepen onder meer toeristen, recreanten, bedrijfsuitjes, families en scholen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de kleinschaligheid van de voorziene nevenactiviteit met de in het plan opgenomen regeling niet zou zijn gewaarborgd.

    In de ruimtelijke onderbouwing staat echter ook dat de agrarische activiteit zeer kleinschalig zal worden voortgezet waarbij het vee hobbymatig wordt gehouden. In het verweerschrift erkent de raad bovendien dat de term "nevenactiviteit" niet geheel opgaat voor de voorgenomen activiteit, gezien de kleinschaligheid van de agrarische inrichting. In dit licht kan niet staande worden gehouden dat de voorziene nevenactiviteit ondergeschikt is aan de agrarische bedrijfsvoering, hetgeen niet in overeenstemming is met de systematiek van de planregeling. Het betoog slaagt.

6.4.    Verder voert [appellant sub 2] aan dat het in het plan voorziene aantal van minimaal 14 parkeerplaatsen op het perceel [locatie 3] onvoldoende is voor activiteiten die ongeveer 40 bezoekers moeten trekken. Bovendien is de openbare parkeergelegenheid tijdens piekmomenten evenmin voldoende.

6.4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen voor het perceel.

6.4.2.    Voor de bepaling van de parkeerbehoefte heeft de raad in dit geval aansluiting gezocht bij de parkeernormen zoals aanbevolen door het Nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte CROW in publicatie 182 (hierna: CROW-normen). Omdat de voorgenomen functie op het perceel niet is gedefinieerd in deze normen, heeft de raad zich gebaseerd op de normen die gelden voor een restaurant uit de categorie "rest bebouwde kom/niet stedelijk". Niet in geschil is dat de raad bij een restaurant uit voornoemde categorie aansluiting heeft kunnen zoeken nu de hoeveelheid parkeerplaatsen bij een restaurant in deze categorie een "worst-case scenario" betreft.

    In de CROW-normen is voor een restaurant uit de categorie "rest bebouwde kom/niet stedelijk" een minimaal aantal parkeerplaatsen opgenomen van 14 per 100 m² bedrijfsvloeroppervlakte. Ter zitting heeft de raad desgevraagd erkend dat hij bij de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 7" een minimaal aantal parkeerplaatsen van 14 heeft opgenomen, terwijl hij in het licht van deze CROW-normen, gelet op de vloeroppervlakte voor de nevenactiviteit, een groter aantal parkeerplaatsen bij deze aanduiding had moeten opnemen. Weliswaar is in het verweerschrift en ter zitting betoogd dat de mogelijkheid bestaat om meer parkeerplaatsen te realiseren, maar dit is niet in het plan vastgelegd en laat onverlet dat de raad in dit geval aansluiting heeft gezocht bij voornoemde CROW-normen en hiervan ongemotiveerd is afgeweken. Het betoog slaagt.

6.5.    In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 7" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch - 2" voor het perceel [locatie 3], niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

6.6.    De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 3]

7.    [appellant sub 3] betoogt dat de raad ten onrechte de planregeling voor zijn perceel [locatie 4] te [plaats], waar hij een tuincentrum, hoveniersbedrijf en boomkwekerij (hierna: het bedrijf) exploiteert, heeft vastgesteld.

7.1.    Hij voert aan dat de op de verbeelding opgenomen aanduiding "bouwvlak" door zijn vorm onpraktisch is. Een deel van de gronden waaraan deze aanduiding is toegekend, maakt deel uit van het parkeerterrein voor de klanten en een deel ervan grenst aan zijn bedrijfswoning. Deze oppervlakte kan hij dan ook niet benutten voor de door hem gewenste bebouwing voor zijn bedrijf. [appellant sub 3] heeft liever een bouwvlak dat aan de voorzijde alleen zijn bedrijfswoning omvat, dieper doorloopt aan de achterzijde van zijn perceel en breder is aan de oostzijde van zijn perceel. Ten onrechte is door de raad zonder nadere motivering aangesloten bij het bouwvlak uit het vorige plan met de mededeling dat [appellant sub 3] niet verplicht is om te bouwen waar hij dat niet wil.

7.1.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat met het aan het perceel toegekende bouwvlak is beoogd om aan te sluiten bij het bouwvlak uit het vorige plan en dat het niet wenselijk is om het door [appellant sub 3] gewenste bouwvlak op te nemen.

7.1.2.    Aan het perceel van [appellant sub 3] is de bestemming "Detailhandel" met een bouwvlak en de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - 1" toegekend. De aanduiding maakt de uitoefening van een tuincentrum en hoveniersbedrijf mogelijk.

    Het toegekende bouwvlak omvat blijkens de verbeelding en het verhandelde ter zitting naast alle bestaande gebouwen ook een deel onbebouwde grond, die zich zowel aan de achterzijde van het perceel als aan de oost- en westkant bevindt. Op het perceel zijn derhalve nog mogelijkheden voor uitbreiding aanwezig. Voorts is het standpunt van de raad dat het door [appellant sub 3] gewenste bouwvlak, in verband met de breedte, het uitgangspunt doorkruist dat een verdere verdichting aan de Kerklaan dient te worden tegengegaan, niet onredelijk. Het betoog faalt.

7.2.    [appellant sub 3] voert aan dat de in artikel 10, lid 10.1, onder 10.1.2, onder a, van de planregels opgenomen te bebouwen oppervlakte voor zijn bedrijf ten onrechte is gemaximeerd op 1.300 m² in plaats van de door hem gewenste 2.500 m². Uitbreiding van zijn bedrijf wordt hierdoor belemmerd, terwijl hij voor de vaststelling van het plan de "Ruimtelijke onderbouwing: uitbreiding tuincentrum, hoveniersbedrijf en boomkwekerij [locatie 4] te [plaats] (21 april 2011)" (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) bij de raad heeft ingediend. Ten onrechte is de raad hieraan voorbij gegaan. Bovendien is een bebouwingsoppervlakte van 2.500 m² gebruikelijk voor bedrijven als die van [appellant sub 3].

7.2.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de maximale bebouwingsoppervlakte van 1.300 m² aansluit bij de op het perceel aanwezige bebouwing en dat voor eventuele uitbreidingen deze oppervlakte met 15% kan worden vergroot door toepassing van een afwijkingsbevoegdheid. Voorts heeft [appellant sub 3] niet tijdig een concreet bouwvoornemen ingediend. De raad wil bij een verdere uitbreiding van het bedrijf een deugdelijke afweging kunnen maken van de ruimtelijke wenselijkheid hiervan.

7.2.2.    Op het perceel staat ongeveer 1.000 m² aan bebouwing voor het bedrijf. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, onder 10.1.2, onder a, in samenhang met lid 10.2, onder 10.2.4, van de planregels, voor zover van belang, is op het perceel 1.300 m² bebouwde oppervlakte toegestaan. Deze bebouwde oppervlakte is exclusief de bebouwde oppervlakte ten behoeve van een bedrijfswoning en de daarbij behorende bijgebouwen. Het plan voorziet dan ook bij recht in een uitbreiding van ongeveer 300 m² van de te bebouwen oppervlakte voor het bedrijf. Daarnaast kan ingevolge artikel 10, lid 10.3, onder 10.3.1, aanhef, en onder a, van de planregels, voor zover van belang, het bevoegd gezag onder voorwaarden door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing voor detailhandelsbedrijven met maximaal 15%.

    Wat er ook zij van de stelling dat een bebouwingsoppervlakte van 2.500 m² gebruikelijk is, met het oog op een actualisatie van bestemmingsplannen kan het onder omstandigheden aanvaardbaar zijn als uitgangspunt te hanteren dat slechts concrete bouwvoornemens in een plan worden verwerkt. In dit geval is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid het standpunt heeft mogen innemen dat bij de voorbereiding van het plan niet tijdig een concreet bouwvoornemen bij hem is aangeleverd, waarover de raad een deugdelijke afweging over de ruimtelijke gevolgen heeft kunnen maken.

    Over de door [appellant sub 3] gemaakte vergelijking met het perceel tussen [locatie 4] en [locatie 5] waarvoor bij de vaststelling van het plan nog wel bij amendement een wijziging is doorgevoerd wordt overwogen dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat het hier geen verzoek met betrekking tot een concreet bouwvoornemen betrof, maar een verzoek voor een bestemmingswijziging zonder bouwvlak. Reeds hierom is geen sprake van gelijke gevallen die gelijke behandeling behoeven. Het betoog faalt.

7.3.    [appellant sub 3] voert aan dat voor zijn perceel ten onrechte in het plan niet de mogelijkheid is opgenomen van seizoensverkoop en opslag van consumentenvuurwerk in de maand december. Hij betoogt dat deze verkoop bedrijfseconomisch zeer wenselijk is, omdat dit een belangrijke bijdrage kan leveren aan de rentabiliteit van het bedrijf. Voorts doet deze opslag en verkoop gelet op het tijdelijke karakter geen afbreuk aan de reguliere bedrijfsactiviteiten en kan ter plaatse worden voldaan aan de wettelijke veiligheidseisen en milieuhygiënische normen. De raad heeft zich ten onrechte laten leiden door de mening van omwonenden. Voor zover de raad mede heeft beoogd om concurrentie van een nabijgelegen verkooppunt van consumentenvuurwerk tegen te gaan, is dit onjuist, omdat de raad zich dient te baseren op ruimtelijke argumenten.

7.3.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat is besloten om niet tegemoet te komen aan de wensen van [appellant sub 3], omdat hij een dergelijke opslag en verkoop van vuurwerk ter plaatse onwenselijk acht.

7.3.2.    Het betoog van [appellant sub 3] dat de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk geen afbreuk doet aan de reguliere bedrijfsactiviteiten en dat ter plaatse kan worden voldaan aan de wettelijke veiligheidseisen en milieuhygiënische normen doet er niet aan af dat de raad bij de vaststelling van een plan een grote mate van beleidsvrijheid toekomt. De keuze om niet mee te werken aan de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk valt binnen deze beleidsvrijheid. Aan de keuze om de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk niet toe te staan is onder meer ten grondslag gelegd dat dit zou leiden tot een onveilig gevoel bij omwonenden van het perceel van [appellant sub 3]. Daarnaast is aan het besluit ten grondslag gelegd dat de locatie niet past binnen het beleid voor de verkoop van consumentenvuurwerk. In hetgeen [appellant sub 3] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze verkoop noodzakelijk is voor het voortbestaan van het bedrijf, nog daargelaten of dat de raad ertoe had genoopt de opslag en verkoop van vuurwerk mogelijk te maken. Het betoog faalt.

7.4.    In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft de planregeling voor het plandeel met de bestemming "Detailhandel" voor het perceel [locatie 4], strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 3] is in zoverre ongegrond.

8.    [appellant sub 3] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Detailhandel" en de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - 1" heeft vastgesteld voor het perceel tussen [locatie 4] en [locatie 5] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Raamsdonk, sectie […], nr. […].

    Hij voert aan dat daarmee ter plaatse een tuincentrum en hoveniersbedrijf zijn toegestaan, terwijl ter plaatse geen tuincentrum en hoveniersbedrijf worden geëxploiteerd, zodat deze aanduiding niet nodig is. Het begrip "tuincentrum" past niet bij de activiteiten op het perceel tussen [locatie 4] en [locatie 5]. Volgens [appellant sub 3] had aan het perceel tussen [locatie 4] en [locatie 5] een agrarische bestemming moeten worden toegekend, omdat dit perceel al lange tijd wordt gebruikt voor de teelt van kerstbomen en verkoop hiervan in de maand december, waardoor een agrarische bestemming passender is. De raad heeft zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd.

8.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel tussen [locatie 4] en [locatie 5] is bestemd overeenkomstig de bestemming in het voorheen geldende plan.

8.2.    Aan het perceel tussen [locatie 4] en [locatie 5] is de bestemming "Detailhandel" en de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - 1" toegekend.

    Ingevolge artikel 10, lid 10.1, onder 10.1.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Detailhandel" aangewezen gronden bestemd voor detailhandel.

    Ingevolge dit artikellid, onder 10.1.2, aanhef, en onder a, is op de gronden met deze bestemming waaraan de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - 1" is toegekend een tuincentrum en hoveniersbedrijf toegestaan.

8.3.    In het vorige plan was aan het perceel tussen [locatie 4] en [locatie 5] de bestemming "Tuincentrum" toegekend. Om te voldoen aan het conserverende karakter van het voorliggende plan, waarbij is beoogd om in beginsel de bestaande situatie op percelen te respecteren, is daarom in het voorliggende plan de bestemming "Detailhandel" en de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - 1" voor het perceel opgenomen. Weliswaar is het hierdoor ook toegestaan om op het perceel een hoveniersbedrijf te exploiteren, maar dit is feitelijk vrijwel onmogelijk nu aan het perceel geen bouwvlak is toegekend. Het gebruik van het perceel wordt in zoverre dan ook beperkt in vergelijking met het perceel [locatie 4]. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Detailhandel" en de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - 1" aan het perceel kunnen toekennen. Het betoog faalt.

8.4.    In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft het gedeelte van het plandeel met de bestemming "Detailhandel" en de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - 1" voor het perceel tussen [locatie 4] en [locatie 5], kadastraal bekend gemeente Raamsdonk, sectie K, nr. 4169, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 3] is in zoverre ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van het beroep van [appellant sub 3] bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 5] en anderen, voor zover ingesteld namens [appellant sub 5], [appellante sub 5 B], [appellant sub 5 A], [appellant sub 5 C], [appellant sub 3], [appellant sub 5 D] en [appellant sub 5 E], niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van [appellanten sub 1], gedeeltelijk, en de beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 2] gegrond;

III.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Geertruidenberg van 28 april 2011, nr. 10, voor zover dat betrekking heeft op de vaststelling van:

a. de aanduiding "bouwvlak" op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - 2" voor het perceel [locatie 1], voor zover het bouwvlak is uitgebreid ten opzichte van het bouwvlak voor dit perceel in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitenlinten";

b. artikel 1, lid 1.3, van de planregels;

c. de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 7" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch - 2" voor het perceel [locatie 3];

IV.    verklaart het beroep van [appellant sub 5] en anderen, voor zover ontvankelijk, het beroep van [appellanten sub 1], voor het overige, en het beroep van [appellant sub 3] ongegrond;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Geertruidenberg tot vergoeding aan appellanten van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 912,72 (zegge: negenhonderdtwaalf euro en tweeënzeventig cent) voor [appellanten sub 1], waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) voor [appellant sub 4], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) voor [appellant sub 2], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Geertruidenberg aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellanten sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 4] en € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2012

350-605.