Home

Raad van State, 07-12-2010, BO7068, 201007704/1/V1

Raad van State, 07-12-2010, BO7068, 201007704/1/V1

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
7 december 2010
Datum publicatie
13 december 2010
ECLI
ECLI:NL:RVS:2010:BO7068
Zaaknummer
201007704/1/V1
Relevante informatie
Vreemdelingenbesluit 2000 [Tekst geldig vanaf 01-08-2022 tot 01-09-2022], Vreemdelingenbesluit 2000 [Tekst geldig vanaf 01-08-2022 tot 01-09-2022]

Inhoudsindicatie

Ranov / art. 3.4 lid 3 Vb 2000

Voorts heeft de vreemdeling aangevoerd dat de staatssecretaris in het besluit van 25 november 2008 ten onrechte niet heeft meegewogen dat hem geen verblijfsvergunning op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet (hierna: de Regeling) is verleend omdat hij vanwege een infectie in een ziekenhuis in Antwerpen opgenomen is geweest. Volgens de vreemdeling dient de omstandigheid dat hij vanwege die ziekenhuisopname niet voor die verblijfsvergunning in aanmerking komt als zeer schrijnend te worden aangemerkt.

In het besluit, gelezen in samenhang met de in beroep gegeven toelichting daarop en voor zover thans van belang, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling dient te worden beantwoord in de in dat kader door de vreemdeling gevoerde beroepsprocedure en dat het door de vreemdeling aangevoerde, weergegeven in 2.5, niet betekent dat van schrijnendheid sprake is. De staatssecretaris heeft zich, in het licht van de in 2.1.2 weergegeven brief, in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen.

De beroepsgrond faalt.

Uitspraak

201007704/1/V1.

Datum uitspraak: 7 december 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 12 juli 2010 in zaak nr. 08/43573 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 25 november 2008 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 juli 2010, verzonden op 13 juli 2010, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 9 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grieven klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris in het besluit van 25 november 2008 onvoldoende heeft gemotiveerd dat het 'rechtmatig verblijf' als vermeld in de brief van de minister aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 21 februari 2007 (Kamerstukken II 2006/07, 19 637, nr. 1131) niet mede het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, aanhef, onder f en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), omvat. Hiertoe voert de minister aan dat uit de brief volgt dat het criterium 'perioden van rechtmatig of quasi rechtmatig verblijf' louter ziet op verblijf gedurende uitstel van vertrek of verblijf op grond van een verblijfsvergunning.

Voorts klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in het besluit onvoldoende is gemotiveerd wat onder 'uitstel van vertrek' als vermeld in de brief wordt verstaan en ten onrechte heeft overwogen dat hij ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat die term louter ziet op de situatie dat artikel 64 van de Vw 2000 van toepassing is. Volgens de minister heeft de staatssecretaris in het besluit voldoende gemotiveerd dat het verblijf van de vreemdeling gedurende het van 20 augustus 1998 tot 1 juni 2001 voor Angolese vreemdelingen gevoerde uitstel-van-vertrekbeleid onder 'uitstel van vertrek' valt en dat dit verblijf onvoldoende is om tot schrijnendheid te concluderen.

2.1.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, is de staatssecretaris bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen. Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan, en kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels over de beperkingen worden gesteld.

Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), houden die beperkingen verband met de in deze bepaling genoemde verblijfsdoelen. Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, kan de staatssecretaris een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid.

2.1.2. In voormelde brief van 21 februari 2007 heeft de minister uiteengezet welke criteria worden gehanteerd voor de beoordeling van aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd krachtens artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000, die zijn ingediend vóór 18 maart 2005, zijn aangemerkt als aanvragen om toelating wegens schrijnendheid en waarop nog niet onherroepelijk is beslist. De brief vermeldt dat iedere zaak op de eigen merites wordt beoordeeld en individueel wordt gemotiveerd, zodat unieke omstandigheden die specifiek op de desbetreffende vreemdeling van toepassing zijn, moeten zijn gesteld. Volgens de brief zijn omstandigheden die op integratie in de Nederlandse samenleving duiden onvoldoende onderscheidend, zodat deze op zichzelf niet tot verblijfsaanvaarding leiden. Ook aan verblijf langer dan vijf jaar in Nederland wordt volgens de brief geen zelfstandige betekenis toegekend, maar verblijf van vijf jaar wordt wel als minimum gehanteerd. Daarenboven moeten bijkomende klemmende redenen van humanitaire aard zijn gesteld, waaronder 'perioden van rechtmatig of quasi rechtmatig verblijf (uitstel van vertrek, verblijf op grond van een verblijfsvergunning)'. Volgens de brief kunnen altijd situaties bestaan die van tevoren niet zijn te voorzien, maar is er in beginsel geen reden om een verblijfsvergunning te verlenen indien geen van de vermelde omstandigheden zich voordoen. Voorts vermeldt de brief enige omstandigheden die als contra indicatie zullen worden meegewogen. In het bij de brief gevoegde schema zijn aan de daarin vermelde bijkomende klemmende redenen van humanitaire aard en contra-indicaties wegingfactoren toegekend, variërend van 'minder zwaarwegend' tot 'zeer zwaarwegend' en 'doorslaggevend'. Volgens dit schema heeft 'perioden van rechtmatig verblijf' de wegingsfactor 'minder zwaarwegend'.

2.1.3. In het besluit van 25 november 2008 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in het licht van de brief niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning krachtens artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000. Daaraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd, voor zover thans van belang, dat aan de omstandigheid dat de vreemdeling van 20 augustus 1998 tot 1 juni 2001 gedurende een uitstel van vertrekbeleid voor Angolese vreemdelingen in Nederland heeft verbleven, geen bijzonder gewicht wordt toegekend.

2.1.4. De minister heeft zich, gezien de in 2.1.2 weergegeven tekst van de brief, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het daarin vermelde criterium 'perioden van rechtmatig of quasi-rechtmatig verblijf' louter ziet op verblijf gedurende uitstel van vertrek of verblijf op grond van een verblijfsvergunning.

Uit het besluit van 25 november 2008, weergegeven in 2.1.3, volgt dat de staatssecretaris het verblijf van de vreemdeling van 20 augustus 1998 tot 1 juni 2001 als verblijf gedurende uitstel van vertrek in de zin van evenbedoeld criterium bij zijn beoordeling heeft betrokken. Volgens het verweerschrift van de minister moet dat besluit zo worden begrepen, dat aan dat verblijf een minder zwaarwegend belang wordt toegekend. Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank blijkt voorts niet dat de minister zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat 'uitstel van vertrek' louter ziet op de situatie dat artikel 64 van de Vw 2000 van toepassing is.

Gezien het voorgaande is het besluit voldoende gemotiveerd.

De grieven slagen.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het besluit van 25 november 2008 getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.3. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris in het besluit van 25 november 2008 ten onrechte niet heeft meegewogen dat hij al 19 jaar in Nederland verblijft en in die periode verscheidende malen net niet aan de vereisten van het driejarenbeleid heeft voldaan.

2.3.1. In het besluit heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat langdurig verblijf onvoldoende onderscheidend is en op zichzelf niet tot verblijfsaanvaarding leidt. Voorts heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking is gekomen voor verblijf op grond van verschillende verblijfsrechtelijke regelingen, waaronder het driejarenbeleid, maar desalniettemin Nederland niet heeft verlaten, zodat hierin geen reden voor verblijfsaanvaarding ligt. De staatssecretaris heeft zich, in het licht van de in 2.1.2 weergegeven brief, in redelijkheid op deze standpunten kunnen stellen.

De beroepsgrond faalt.

2.4. De vreemdeling heeft voorts aangevoerd dat de staatssecretaris in het besluit van 25 november 2008 ten onrechte zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft gehonoreerd. Hiertoe heeft hij betoogd dat aan duizenden vreemdelingen die vele jaren korter dan hij in Nederland hebben verbleven, minder goed dan hij het Nederlands beheersen en minder goed dan hij geïntegreerd zijn, een verblijfsvergunning wegens schrijnendheid is verleend.

2.4.1. In het besluit heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat, samengevat weergegeven, de vreemdeling zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende heeft geconcretiseerd en gestaafd. In het licht van de in 2.4 weergegeven louter algemene stellingen heeft de staatssecretaris zich terecht op dat standpunt gesteld.

De beroepsgrond faalt.

2.5. Voorts heeft de vreemdeling aangevoerd dat de staatssecretaris in het besluit van 25 november 2008 ten onrechte niet heeft meegewogen dat hem geen verblijfsvergunning op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet (hierna: de Regeling) is verleend omdat hij vanwege een infectie in een ziekenhuis in Antwerpen opgenomen is geweest. Volgens de vreemdeling dient de omstandigheid dat hij vanwege die ziekenhuisopname niet voor die verblijfsvergunning in aanmerking komt als zeer schrijnend te worden aangemerkt.

2.5.1. In het besluit, gelezen in samenhang met de in beroep gegeven toelichting daarop en voor zover thans van belang, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling dient te worden beantwoord in de in dat kader door de vreemdeling gevoerde beroepsprocedure en dat het door de vreemdeling aangevoerde, weergegeven in 2.5, niet betekent dat van schrijnendheid sprake is. De staatssecretaris heeft zich, in het licht van de in 2.1.2 weergegeven brief, in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen.

De beroepsgrond faalt.

2.6. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

2.7. Het inleidende beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 12 juli 2010 in zaak nr. 08/43573;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Willems

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2010

412-620.

Verzonden: 7 december 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser