Home

Raad van State, 28-11-2007, BB8932, 200702748/1

Raad van State, 28-11-2007, BB8932, 200702748/1

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 november 2007
Datum publicatie
28 november 2007
ECLI
ECLI:NL:RVS:2007:BB8932
Zaaknummer
200702748/1

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2007, kenmerk 505513, heeft verweerder een vergunning onder voorschriften krachtens de Ontgrondingenwet verleend aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 'Haka Vastgoed B.V.' te Biddinghuizen, voor het ontgronden van de percelen kadastraal bekend gemeente Dronten, sectie D, nummers 255, 1321 en 1409.

Uitspraak

200702748/1.

Datum uitspraak: 28 november 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Natuur en Milieu Flevoland", gevestigd te Lelystad, mede namens de vereniging "Vereniging Natuurmonumenten", gevestigd te

's-Graveland,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Flevoland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2007, kenmerk 505513, heeft verweerder een vergunning onder voorschriften krachtens de Ontgrondingenwet verleend aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 'Haka Vastgoed B.V.' te Biddinghuizen, voor het ontgronden van de percelen kadastraal bekend gemeente Dronten, sectie D, nummers 255, 1321 en 1409.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 18 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 6 juli 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Dronten. Deze zijn toegezonden aan de andere partijen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.A.I. Eringfeld en D. Jansma, is verschenen. Voorts is het college van burgemeester en wethouders van Dronten, vertegenwoordigd door mr. A. Deuzeman, daar gehoord. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen.

2.    Overwegingen

Procedurele bezwaren

2.1.    Appellanten betogen dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet voldaan was aan de eis dat de beoogde ontgronding in overeenstemming is met het bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp voor herziening van het bestemmingsplan dan wel een geldend voorbereidingsbesluit. Daartoe voeren zij aan dat het bestreden besluit is genomen op 20 februari 2007, terwijl de gemeenteraad pas op 22 februari 2007 een voorbereidingsbesluit heeft genomen.

2.1.1.    De Afdeling overweegt het volgende. Artikel 10, zevende lid, van de Ontgrondingenwet bepaalt, voor zover hier van belang, dat een vergunning niet wordt verleend indien de beoogde ontgronding in strijd zou zijn met een bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp voor herziening van het bestemmingsplan of een geldend voorbereidingsbesluit ter zake, tenzij het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente heeft meegedeeld dat de raad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders planologische medewerking zal verlenen. De te ontgronden percelen met de kadastrale nummers 255 en 1409 zijn gelegen binnen het geldende bestemmingsplan 'Landelijk gebied Dronten' uit 1971. Ingevolge dit plan rust op deze percelen een agrarische bestemming, die aanleg van een ijsbaan met bijbehorende voorzieningen, waartoe de ontgrondingenvergunning strekt, niet toelaat. Voor deze percelen heeft de raad van de gemeente Dronten, met het oog op de aanleg van de ijsbaan met bijbehorende voorzieningen, op 23 februari 2006 een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) genomen. Dat besluit is gepubliceerd op 10 maart 2006 en in werking getreden op 13 maart 2006. Ingevolge artikel 21, vierde lid, van de WRO vervalt een voorbereidingsbesluit als niet binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding een ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Nu deze termijn ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet was verstreken was het voorbereidingsbesluit van 23 februari 2006 op dat moment nog altijd van kracht. Derhalve was ten aanzien van deze percelen voldaan aan de eisen die artikel 10, zevende lid, van de Ontgrondingenwet stelt.

Het derde te ontgronden perceel, met kadastraal nummer 1321, is gelegen binnen het bestemmingsplan "Veluwemeer en omgeving" uit 1998. Niet in geschil is dat dit perceel een recreatieve bestemming heeft en dat de aanleg van een ijsbaan met bijbehorende voorzieningen verenigbaar is met die bestemming, zodat ook ten aanzien van dit perceel is voldaan aan de eisen van artikel 10, zevende lid, van de Ontgrondingenwet.

Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

Wettelijk kader

2.2.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet (verder te noemen: de wet) is het verboden zonder vergunning te ontgronden.

Een vergunning wordt op grond van artikel 10, zesde lid, van de wet verleend na afweging van alle in artikel 3, tweede lid, bedoelde belangen.

In artikel 3, tweede lid, van de wet is bepaald dat aan een vergunning voorschriften kunnen worden verbonden ter bescherming van alle bij een ontgronding betrokken belangen alsmede ter bevordering en bescherming van belangen, betrokken bij de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken en de aanpassing van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken.

Standpunt van appellanten

2.3.        Appellanten voeren aan dat een integrale visie nodig is voor de Oostrand van Flevoland, waarin duidelijkheid moet worden verschaft over onder andere inrichtingseisen en gewenste locaties voor verschillende ontwikkelingen. Volgens appellanten moet worden voorkomen dat, voordat een dergelijke visie is vastgesteld, onomkeerbare ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Voorts stellen appellanten dat de natuurwaarden in het betrokken gebied onvoldoende zijn gewaarborgd. Volgens hen is het niet wenselijk dat ingrepen in het gebied worden toegestaan voordat de ruimtelijke afwegingen zijn gemaakt en het bestemmingsplan is vastgesteld.

Het oordeel van de Afdeling

2.4.    De Afdeling overweegt dat verweerder gehouden is op basis van de vergunningaanvraag te beoordelen of de vergunning, gelet op het bepaalde in artikel 10, zevende lid, van de wet en na afweging van alle in artikel 3, tweede lid, van de wet bedoelde belangen, kan worden verleend, en welke voorschriften daaraan met het oog op die belangen moeten worden verbonden. Ter beoordeling staat de vraag of verweerder de gevraagde vergunning na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van een integrale visie voor de Oostrand van Flevoland - wat daar van zij - er in dit geval toe heeft geleid dat niet alle belangen bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de wet in voldoende mate in de besluitvorming zijn betrokken. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat afwegingen met betrekking tot de gewenste ruimtelijke inrichting van gebieden en met betrekking tot de vraag waar bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen al dan niet mogelijk worden gemaakt, dienen plaats te vinden binnen de kaders die de WRO daarvoor stelt en met gebruikmaking van de instrumenten die de WRO daarvoor biedt. Zoals uit het hiervoor onder 2.1.1 overwogene blijkt bevat artikel 10 van de Ontgrondingenwet regels betreffende de afstemming van de besluitvorming in het kader van de Ontgrondingenwet met de besluitvorming in het kader van de WRO, welke regels in dit geval ook in acht zijn genomen.

2.4.1.    Met betrekking tot de stelling van appellanten dat de natuurwaarden in het gebied niet voldoende gewaarborgd zijn overweegt de Afdeling dat verweerder in het bestreden besluit verwijst naar onderzoek dat op het betrokken terrein is uitgevoerd in het kader van de milieu-effectrapportage voor het voorontwerp-bestemmingsplan "Dorhout Mees". Op grond daarvan heeft verweerder aan de vergunning voorschriften verbonden ter bescherming van de aanwezige natuurwaarden, waaronder het voorschrift dat geen beschermde planten- of diersoorten mogen worden verstoord. Appellanten hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat de natuurwaarden in het gebied niet voldoende gewaarborgd zijn met het opleggen van deze voorschriften bij het verlenen van de vergunning.

2.5.    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de vergunning niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen     w.g. Oudenaarden

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2007

12-568.