Home

Raad van State, 07-07-2004, AP8238, 200308742/1

Raad van State, 07-07-2004, AP8238, 200308742/1

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
7 juli 2004
Datum publicatie
7 juli 2004
ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AP8238
Zaaknummer
200308742/1

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 september 2002 heeft appellant een verzoek van de naamloze vennootschap "D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V." (hierna: D.A.S.) om inlichtingen uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de basisadministratie) afgewezen.

Uitspraak

200308742/1.

Datum uitspraak: 7 juli 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 november 2003 in het geding tussen:

de naamloze vennootschap "D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V.", gevestigd te Amsterdam

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2002 heeft appellant een verzoek van de naamloze vennootschap "D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V." (hierna: D.A.S.) om inlichtingen uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de basisadministratie) afgewezen.

Bij besluit van 25 maart 2003 heeft appellant het daartegen door D.A.S. gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 november 2003, verzonden op 17 november 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door D.A.S. ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het bezwaar van 13 september 2002 niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 januari 2004 heeft D.A.S. van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Hertogs, werkzaam bij de gemeente Den Haag, en D.A.S., vertegenwoordigd door mr. N.J. Clement, werkzaam bij D.A.S., zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 98, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA) wordt aan een derde op schriftelijk verzoek een gewaarmerkt afschrift verstrekt van de algemene gegevens en de verwijsgegevens voor zover de verstrekking van die gegevens is voorgeschreven in een algemeen verbindend voorschrift, dan wel voor zover die gegevens noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift en worden gevraagd door een derde die uit hoofde van ambt of beroep gewoonlijk met gerechtelijke werkzaamheden is belast. Het verzoek behelst de gronden voor de verstrekking.

Ingevolge artikel 100, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet GBA kan in andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 98 en 99, voor zover daarin bij of krachtens gemeentelijke verordening is voorzien, verstrekking van gegevens plaatsvinden aan rechtspersonen zonder winstoogmerk, voor zover de verstrekking noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen, waarbij wordt nagegaan of de verstrekking wordt gerechtvaardigd door een dringende maatschappelijke behoefte, in een juiste verhouding staat tot het doel waarvoor de gegevens worden gevraagd en dit doel niet op een minder ingrijpende wijze kan worden bereikt.

2.2. Appellant bestrijdt in hoger beroep met succes het oordeel van de rechtbank dat de op grond van de artikelen 98, eerste lid, en 100, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet GBA genomen beslissing van 2 september 2002 geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het besluit van 2 september 2002 behelst de weigering van appellant om aan D.A.S. gegevens te verstrekken op grond van de Wet GBA. Deze beslissing is op schrift gesteld en zij is van een bestuursorgaan afkomstig. Voorts is de beslissing gebaseerd op een in de Wet GBA gegeven bevoegdheid en is zij gericht op rechtsgevolg, te weten het al dan niet verstrekken van gegevens uit de basisadministratie, zodat die beslissing een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Appellant heeft er terecht op gewezen dat ook vóór de wetswijziging van de Wet GBA met ingang van 1 september 2001, in de jurisprudentie van de Afdeling, onder meer in de uitspraak van 8 februari 1999 in zaak no. H01.98.0980 (AB 1999, 237), beslissingen op aanvragen van derden op grond van artikel 98 van de Wet GBA als besluiten in de zin van de Awb zijn aangemerkt. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, was aan derden vóór de wetswijziging niet het recht toegekend om zich bij geschillen voortvloeiend uit de toepassing van de Wet GBA via een verzoekschrift tot de burgerlijke rechter te wenden. Bij deze wetswijziging zijn ook andere beslissingen, die betrekking hebben op de rechten van de burger over wie gegevens in de basisadministratie zijn opgenomen, onder de werking van de Awb gebracht. De rechtsgang voor derden is niet gewijzigd.

Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat tegen de beslissing van 2 september 2002 geen bezwaar en beroep open stond.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.4. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van D.A.S. beoordelen.

2.5. D.A.S. betoogt dat appellant ten onrechte aan haar geen persoonsgegevens uit de basisadministratie heeft verstrekt die zij nodig heeft in verband met het kunnen uitbrengen van een dagvaarding.

2.6. Vooropgesteld wordt dat de doelstelling van de Wet GBA is het verzamelen en vastleggen van persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de overheid en andere instellingen met een publiekrechtelijke taak. Naast de gegevensverstrekking aan deze instanties biedt de Wet GBA een beperkte mogelijkheid tot het verstrekken van gegevens aan derden.

In artikel 98, eerste lid, van de Wet GBA is onder meer bepaald dat aan een derde slechts dan gegevens uit de basisadministratie worden verstrekt voorzover die gegevens noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de hiervoor genoemde uitspraak van 8 februari 1999 ten aanzien van artikel 98, eerste lid, van de Wet GBA, zoals dat luidde tot 1 september 2001, dient dit artikel, gelet op het belang van de bescherming van de individuele levenssfeer dat die bepaling mede beoogt te dienen, restrictief te worden uitgelegd. De wetgever heeft na de inwerkingtreding van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281 van 23 november 1995) met de per 1 september 2001 ingevoerde wijzigingen van onder meer artikel 98 van de Wet GBA beoogd om bepalingen met betrekking tot de gegevensverstrekking aan derden aan te scherpen. Uit de wetsgeschiedenis kan voorts worden afgeleid dat de wetgever ervoor heeft gekozen het verstrekken van gegevens uit de basisadministratie aan een derde als een afwijking van het primaire doel van de Wet GBA te beschouwen, mede gezien het verplichtende karakter waaronder burgers de gegevens moeten verstrekken (kamerstukken II, 1998/99, 26 410, nr. 3, p. 16 en 17). Er is mitsdien geen aanleiding om aan artikel 98 van de Wet GBA na de wetswijziging een minder restrictieve uitleg te geven.

2.7. Appellant heeft terecht de gevraagde persoonsgegevens aan D.A.S. onthouden, nu deze gegevens voor D.A.S. niet noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift. D.A.S. heeft gesteld de persoonsgegevens nodig te hebben in het kader van een uit te brengen dagvaarding. Het uitbrengen van een dagvaarding betreft weliswaar de uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift in de zin van artikel 98 van de Wet GBA, D.A.S. is echter niet degene die met de uitvoering van dat voorschrift is belast. Nu alleen een deurwaarder een dagvaarding kan uitbrengen en D.A.S. daartoe niet bevoegd is, heeft appellant aan D.A.S. terecht op grond van artikel 98 van de Wet GBA geweigerd de gevraagde gegevens te verstrekken. Voorzover D.A.S. heeft betoogd dat er geen rechtvaardigingsgrond is om advocaten en andere derden de uittreksels wel te verschaffen en deze aan D.A.S. te weigeren, nu de aard van de werkzaamheden en de waarborgen gelijk zijn, wijst de Afdeling er op dat D.A.S. zich in dit opzicht niet van andere rechtshulpverleners, die evenmin bevoegd zijn tot het uitbrengen van een dagvaarding, onderscheidt. Dat D.A.S. onder dezelfde instanties valt en aan dezelfde regelgeving is gebonden als verzekeraars, waaraan, als bijzondere derden, wel gegevens uit de basisadministratie kunnen worden verstrekt, is in het kader van de hier aan de orde zijnde vraag of de gegevens noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift, niet van belang. Derhalve faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

2.8. Voorts heeft appellant terecht aan D.A.S. geen gegevens verstrekt op grond van artikel 100, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet GBA aangezien D.A.S. niet, zoals ingevolge dat artikel is vereist, een rechtspersoon is zonder winstoogmerk.

2.9. Gelet op het vorenstaande dient het door D.A.S. bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond te worden verklaard.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 november 2003, AWB 03/1733 BESLU;

III. verklaart het door D.A.S. bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2004

97-450.