Home

Raad van State, 20-11-2002, AF0855, 200105037/2

Raad van State, 20-11-2002, AF0855, 200105037/2

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20 november 2002
Datum publicatie
20 november 2002
ECLI
ECLI:NL:RVS:2002:AF0855
Zaaknummer
200105037/2
Relevante informatie
Wet milieubeheer [Tekst geldig vanaf 01-05-2022 tot 01-01-2023], Wet milieubeheer [Tekst geldig vanaf 01-05-2022 tot 01-01-2023]

Uitspraak

200105037/2.

Datum uitspraak: 20 november 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Denekamp,

en

burgemeester en wethouders van Denekamp, thans gemeente Dinkelland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2001, kenmerk 21/01, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het produceren van maaltijden en salades aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Denekamp. Dit aangehechte besluit is op 30 augustus 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 10 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 april 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door H. Wessels, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Enschede en de directeur.

2. Overwegingen

2.1. Voor de inrichting is eerder bij besluit van 13 februari 1996 een oprichtingsvergunning verleend. Bij uitspraak van 10 augustus 1999, no. E03.96.0475, heeft de Afdeling een aantal van de aan die vergunning verbonden voorschriften vernietigd. De thans bestreden revisievergunning is aangevraagd in verband met de uitbreiding van de inrichting met een productieruimte.

2.2. Appellanten hebben ter zitting de beroepsgrond over lichthinder ingetrokken.

2.3. Appellanten hebben aangevoerd dat ten onrechte geen kennisgeving van de aanvraag en het ontwerpbesluit is gezonden aan [appellanten], die op een afstand van minder dan 200 meter van de inrichting woont. Naar hun mening hadden alle appellanten uit de vorige vergunningprocedure bericht moeten krijgen, aangezien het ontwerpbesluit een uitvloeisel is van de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 1999. Zij hebben er verder op gewezen dat ten onrechte geen openbare kennisgeving van de verleende vergunning aan het voormalige gemeentehuis van Weerselo is aangeplakt.

De Afdeling overweegt dat zowel [appellanten] als degenen die destijds beroep hebben ingesteld tegen de oprichtingsvergunning tijdig bedenkingen hebben ingediend. Daargelaten of zij een kennisgeving hadden moeten krijgen, zijn zij derhalve door het niet ontvangen daarvan niet benadeeld. Reeds hierom ziet de Afdeling in deze grief geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit.

Met betrekking tot het aanplakken van een kennisgeving aan het gemeentehuis merkt de Afdeling op dat artikel 13.4, onder a, van de Wet milieubeheer, waarin dit is voorgeschreven, alleen geldt voor de kennisgeving van het ontwerpbesluit. Er is geen wettelijke verplichting tot het aanplakken van een besluit tot vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer. Het beroep treft daarom ook in zoverre geen doel.

2.4. Appellanten hebben aangevoerd dat het geurrapport “Geuronderzoek [vergunninghouder]” van DHV Milieu en Infrastructuur B.V. van 18 augustus 2000 bij het ontwerpbesluit ter inzage had moeten worden gelegd.

De Afdeling overweegt te dien aanzien dat het bedoelde geurrapport niet is uitgebracht in verband met het ontwerp van het besluit als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, maar in verband met de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 1999 en het alsnog verbinden van toereikende geurvoorschriften aan de oprichtingsvergunning. Het geurrapport had voor het te nemen ontwerpbesluit geen zelfstandige betekenis. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

2.5. Appellanten hebben verder aangevoerd dat verweerders geen gevolg hebben gegeven aan de uitspraak van 10 augustus 1999 door niet binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Hierdoor hebben zij volgens appellanten gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

De Afdeling overweegt dat het nalaten van verweerders om gevolg te geven aan de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 1999 geen onderwerp van dit geschil is. Niet geoordeeld kan worden dat het bestreden besluit enkel vanwege dit nalaten onzorgvuldig tot stand is gekomen. Voor de verlening van de onderhavige revisievergunning is een nieuwe aanvraag ingediend en beoordeeld. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.

2.6. Appellanten vrezen geurhinder. Naar hun mening hadden verweerders, gelet op het geurrapport van DHV Milieu en Infrastructuur B.V. van 18 augustus 2000, aanvullende maatregelen moeten voorschrijven. Het rapport “Onderzoek naar de geurbelasting in de woonomgeving ten gevolge van de vestiging van [vergunninghouder] aan de [locatie] te [plaats]” van Adviesbureau Peutz & Associes B.V. van 9 januari 2001 hadden verweerders volgens appellanten niet aan hun besluit ten grondslag mogen leggen, aangezien aan het besluit tot het verlenen van de oprichtingsvergunning ook een rapport van dit adviesbureau ten grondslag was gelegd. Zij hebben verder aangevoerd dat verweerders ten onrechte hebben nagelaten de vele klachten uit het verleden mee te wegen en dat het zeer wel denkbaar is dat de klachtenstroom na de uitbreiding zal toenemen. Appellanten hebben ten slotte bezwaar tegen voorschrift 9.2.2.

2.6.1. In vergunningvoorschrift 9.2.1 is bepaald dat de geuremissie afkomstig van de inrichting zodanig laag moet zijn dat de stankconcentratie ten gevolge van deze geuremissie, ter plaatse van de woon- en leefomgeving in 98% van de tijd niet hoger is dan 1,9 geureenheid (ge) per m3 (uurgemiddelde).

Bij het vaststellen van deze norm hebben verweerders aansluiting gezocht bij de Bijzondere Regeling in de NeR ten aanzien van vleeswarenbedrijven. Deze norm wordt door appellanten niet betwist.

2.6.2. De Afdeling stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het adviesbureau Peutz & Associes B.V. eerder in het kader van de oprichtingsvergunning, in opdracht van vergunninghoudster, een onderzoeksrapport heeft opgesteld, niet betekent dat dit bureau niet opnieuw mag worden geraadpleegd.

In het rapport van genoemd adviesbureau van 9 januari 2001, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, is geconcludeerd dat aan de in voorschrift 9.2.1 opgenomen geurnorm kan worden voldaan. In het deskundigenbericht is gesteld dat de berekeningen in dit rapport correct zijn uitgevoerd en dat is uitgegaan van conservatieve aannames. Gelet hierop acht de Afdeling het niet aannemelijk dat de norm alleen met aanvullende maatregelen zou kunnen worden nageleefd. Het beroep slaagt in zoverre niet. De Afdeling merkt daarbij op dat verweerders ter zitting hebben verklaard dat de onderliggende oprichtingsvergunning geen duidelijke geurnorm bevatte, waardoor handhaving op het punt van geurhinder nauwelijks mogelijk was. Nu in de onderhavige vergunning een concrete geurnorm is opgenomen, kan volgens verweerders bij klachten nu wel worden gecontroleerd of de norm wordt nageleefd.

2.6.3. In voorschrift 9.2.2 is bepaald dat indien er door aanhoudende klachten het vermoeden bestaat dat de vergunde geurnorm wordt overschreden, de aanvrager door het bevoegd gezag kan worden verzocht om een geuronderzoek uit te voeren; de afweging om een geuronderzoek te laten uitvoeren ligt bij het bevoegd gezag. De onderzoeksopzet voor het geuronderzoek moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.

Naar de mening van appellanten zouden verweerders ook zelf moeten onderzoeken of de geurnorm wordt nageleefd.

De Afdeling overweegt dat het voorschrift niet afdoet aan de los daarvan bestaande bevoegdheid van verweerders om handhavend op te treden tegen en onderzoek te doen naar een eventuele overschrijding van de geurnorm. Deze beroepsgrond treft daarom geen doel.

2.7. Appellanten hebben in beroep ten slotte gehandhaafd hun bedenkingen met betrekking tot de geluidsoverlast veroorzaakt door de koelcel, de vriescel en de koelmotoren van vrachtwagens. In de considerans van het bestreden besluit zijn verweerders ingegaan op deze bedenkingen. Appellanten hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Mede gelet op het deskundigenbericht is ook overigens niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. Het beroep slaagt ook in zoverre niet.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Visser

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2002

148.