Home

Raad van State, 16-10-2002, AE9005, 200201894/1

Raad van State, 16-10-2002, AE9005, 200201894/1

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16 oktober 2002
Datum publicatie
21 oktober 2002
ECLI
ECLI:NL:RVS:2002:AE9005
Zaaknummer
200201894/1

Uitspraak

200201894/1.

Datum uitspraak: 16 oktober 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief", gevestigd te Wageningen,

appellante,

en

burgemeester en wethouders van Laarbeek,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2002, kenmerk MB 01.39, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een veehouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit aangehechte besluit is op 4 maart 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 4 april 2002, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 mei 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Namens de stichting “Stichting Wakker Dier” is ter zitting medegedeeld dat zij zich terugtrekt als mede-appellante in dit beroep.

Bij brief van 13 juni 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door J.M.T.M. Sprengers, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft appellante de beroepsgrond inzake de toename van de ammoniakdepositie ingetrokken.

2.2. De bij het bestreden besluit verleende revisievergunning heeft betrekking op het houden van 678 voedsters, 5.244 mestkonijnen, 3 zoogkoeien en 3 stuks jongvee. Ten behoeve van de inrichting is eerder bij besluit van 13 december 1988 een revisievergunning verleend. Op 7 december 1995 is ten behoeve van een verandering van de inrichting een melding als bedoeld in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer gedaan.

2.3. Op basis van de stukken stelt de Afdeling vast dat het bestreden besluit, waarbij tevens is beslist op de door appellante tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen, door het hoofd van de afdeling bouw- en milieuzaken is genomen.

Blijkens de stukken hebben verweerders aan het hoofd, voornoemd, uitsluitend mandaat verleend om namens hen vergunning te verlenen voorzover met betrekking tot het ontwerp van het besluit geen bedenkingen zijn ingekomen. Nu appellante tegen het ontwerp van het besluit bedenkingen heeft ingebracht, doet een dergelijke situatie zich hier niet voor. De toepasselijke mandaatsregeling biedt derhalve geen grondslag voor het nemen van het bestreden besluit door het hoofd, voornoemd.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Het besluit is in strijd met artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Gelet hierop is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient in zijn geheel te worden vernietigd. De Afdeling zal de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit echter in stand laten voorzover overigens geen grond voor vernietiging aanwezig is, nu uit de stukken is gebleken dat verweerders bij besluit van 13 juni 2002 het bestreden besluit hebben bekrachtigd.

2.4. Appellante heeft een aantal bezwaren met betrekking tot het aspect stankhinder aangevoerd. Zij stelt onder meer dat verweerders voor de stankbelasting veroorzaakt door konijnen ten onrechte een omrekenfactor naar mestvarkeneenheden hebben gehanteerd. Tevens is zij van mening dat dit door verweerders gehanteerde toetsingskader niet aanvaardbaar is, omdat zij bij de afstandsbepaling voor een categorie IV-object tot een grotere afstand komen dan voor een categorie III-object. Daarnaast betoogt appellante dat niet aan de minimaal in acht te nemen afstand tussen de rundveestal en het dichtstbijzijnde stankgevoelige object wordt voldaan.

2.4.1. Verweerders hebben bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) tot uitgangspunt genomen. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën hebben zij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd. Verweerders stellen zich op het standpunt dat vergunningverlening mogelijk is, omdat de bestaande overbelaste situatie wordt opgeheven en ruimschoots wordt voldaan aan de minimaal aan te houden afstanden. Hierbij baseren zij zich op een door hen gemaakte berekening van de stankbelasting veroorzaakt door konijnen, uitgedrukt in mestvarkeneenheden.

2.4.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4.3. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 11 juli 2001, no. 200001043/1 (aangehecht) heeft geoordeeld zijn in bijlage 1, de tabel met omrekeningsfactoren, van de Richtlijn voor konijnen geen omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden opgenomen. Derhalve kan de stankbelasting veroorzaakt door konijnen niet aan de hand van de Richtlijn op grond van recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten worden gerelateerd aan een aantal mestvarkeneenheden. Ook anderszins is niet van dergelijke milieutechnische inzichten gebleken. De Afdeling ziet geen aanleiding in deze zaak anders te oordelen. De door verweerders in dit verband gemaakte berekening is niet op de Richtlijn gebaseerd en naar het oordeel van de Afdeling ook onjuist. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de berekening van verweerders de minimaal aan te houden afstand voor een categorie II- object groter is dan die voor een categorie I-object en de minimaal aan te houden afstand voor een categorie IV-object groter is dan die voor een categorie III-object. Daar komt bij dat de methodiek van de vaste afstanden wezenlijk anders van aard is dan de methodiek van de afstandsgrafiek. De ten opzichte van stankgevoelige objecten aan te houden afstanden worden bij konijnen immers niet bepaald met behulp van een grafiek die de aan te houden afstanden weergeeft als een continue functie van het aantal mestvarkeneenheden, maar aan de hand van een tabel met vaste afstanden. Ook daarom zijn deze twee methodieken niet te combineren. In hetgeen verweerders hebben betoogd ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel.

Ten aanzien van de rundveestal is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat niet aan de minimaal in acht te nemen afstand ingevolge de Richtlijn tot het dichtstbijzijnde stankgevoelige object wordt voldaan.

Het bestreden besluit kan gezien het voorgaande wat betreft de beoordeling van de enkelvoudige stankhinder in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

2.4.4. Nu in zoverre ook overigens grond aanwezig is voor vernietiging van het bestreden besluit kunnen de rechtsgevolgen hiervan niet in stand worden gelaten.

2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige bezwaren behoeven geen bespreking.

2.6. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Laarbeek van 26 februari 2002, kenmerk MB 01.39;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Laarbeek in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Laarbeek te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de gemeente Laarbeek aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2002

312-373.