Home

Raad van State, 02-10-2002, AE8287, 200105625/1

Raad van State, 02-10-2002, AE8287, 200105625/1

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
2 oktober 2002
Datum publicatie
2 oktober 2002
ECLI
ECLI:NL:RVS:2002:AE8287
Zaaknummer
200105625/1

Inhoudsindicatie

Hondenhok is een gebouw. Buitenmaten zijn bepalend.

Vrijstelling (19 WRO-oud) en vergunning voor verbouw van hondenkennel. Ingevolge het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan zal op het perceel de bestemming “Semi-agrarische bedrijven” komen te rusten. Ingevolge artikel 2.6.B.II.1 planvoorschriften mogen gebouwen uitsluitend binnen de op plankaart 2 aangegeven bestemmingsbegrenzing worden opgericht, waarbij onder meer het bedrijfsvloeroppervlak inclusief de bijgebouwen ten behoeve van een eventuele bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan als toekomstige bedrijfsvloeroppervlakte is aangegeven in de “Staat van semi-agrarische bedrijven”.

Ingevolge deze staat is de maximale omvang 410 m2. De president heeft ten onrechte het op het perceel aanwezige hondenhok niet aangemerkt als een gebouw, waarvan de oppervlakte bij de berekening van de bedrijfsvloeroppervlakte dient te worden meegenomen. Het hondenhok heeft een oppervlakte van 4,5 m2 en een gemiddelde hoogte van 1.65 m en bestaat uit een tweetal hekwerken en twee wanden van de bestaande erfafscheiding met golfplaten dakje. Bij de beantwoording van de vraag of het hondenhok een gebouw is, zoals omschreven in artikel 2.6.B.II, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de buitenmaten van doorslaggevende betekenis. De buitenmaten van het hondenhok laten het toe het hondenhok te betreden. Anders dan de president heeft geoordeeld dient het hondenhok derhalve als gebouw te worden aangemerkt. Alhoewel voor het hondenhok geen bouwvergunning is verleend, dient de oppervlakte daarvan bij de berekening van de bedrijfsvloeroppervlakte te worden betrokken. In dit geval wordt de maximaal toegestane bedrijfsvloeroppervlakte door het bouwplan overschreden.

Het bouwplan is derhalve niet in overeenstemming met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Niet bevoegd tot het toepassen van de anticipatieprocedure. Gegrond hoger beroep.

Burgemeester en wethouders van Boxtel

Mr. H. Troostwijk

Uitspraak

200105625/1.

Datum uitspraak: 2 oktober 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 20 september 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgmeester en wethouders van Boxtel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2000 hebben burgemeester en wethouders van Boxtel (hierna: burgemeester en wethouders) vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dat luidde tot 1 april 2000, en bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een hondenkennel op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 mei 2001 hebben burgemeester en wethouders het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 14 februari 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 20 september 2001, verzonden op 16 oktober 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover het betrekking had op de vaststelling door burgemeester en wethouders dat de verleende bouwvergunning mede betrekking heeft op andere bouwwerken dan de uitbreiding van de hondenkennel met een berging en een overdekte luchtplaats, de bestreden beslissing op bezwaar in zoverre vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 11 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 januari 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2002, waar appellant in persoon, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door W.C.A. Heesbeen, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vast staat dat het – inmiddels gerealiseerde bouwplan – in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1979”. Teneinde realisering van het bouwplan niettemin mogelijk te maken, hebben burgemeester en wethouders toepassing gegeven aan de zogeheten anticipatieprocedure.

2.2. Ingevolge het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Buitengebied 1995” zal op het perceel de bestemming “Semi-agrarische bedrijven” komen te rusten.

Ingevolge artikel 1.7.I, aanhef en onder a, van de voorschriften behorend bij dit bestemmingsplan, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in de voorschriften, ten behoeve van het afwijken van de voorgeschreven minimum- en maximummaten met niet meer dan 10%, mits daarvoor in deze voorschriften geen bijzondere vrijstellingsbevoegdheden zijn opgenomen en dit noodzakelijk is voor de bouwkundige dan wel architectonische inpassing.

Ingevolge artikel 2.6.B.II, eerste lid, mogen gebouwen uitsluitend binnen de op plankaart 2 aangegeven bestemmingsbegrenzing worden opgericht, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

a. het bedrijfsvloeroppervlak inclusief de bijgebouwen ten behoeve van een een eventuele bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan als toekomstige bedrijfsvloeroppervlakte is aangegeven in de “Staat van semi-agrarische bedrijven”.

b. (…);

c. (…);

d. (…).

Ingevolge de “Staat van semi-agrarische bedrijven” is de maximale omvang 410 m2.

2.3. Het betoog van appellant dat de president ten onrechte het op het perceel aanwezige hondenhok niet heeft aangemerkt als een gebouw, waarvan de oppervlakte bij de berekening van de bedrijfsvloeroppervlakte dient te worden meegenomen, treft doel. Het hondenhok heeft een oppervlakte van 4,5 m2 en een gemiddelde hoogte van 1.65 m en bestaat uit een tweetal hekwerken en twee wanden van de bestaande erfafscheiding met golfplaten dakje. Bij de beantwoording van de vraag of het hondenhok een gebouw is, zoals omschreven in artikel 2.6.B.II, eerste lid, van de planvoorschriften, acht de Afdeling de buitenmaten van doorslaggevende betekenis. De buitenmaten van het hondenhok laten het toe het hondenhok te betreden. Anders dan de president heeft geoordeeld dient het hondenhok derhalve als gebouw te worden aangemerkt.

Alhoewel voor het hondenhok geen bouwvergunning is verleend, dient de oppervlakte daarvan naar het oordeel van de Afdeling bij de berekening van de bedrijfsvloeroppervlakte te worden betrokken. Aangezien de maximaal toegestane bedrijfsvloeroppervlakte met toepassing van de in voornoemd artikel 1.7.I, aanhef en onder a, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsmogelijkheid 451 m2 is en de bedrijfsvloeroppervlakte exclusief het hondenhok reeds 449,8 m2 bedraagt, wordt de maximaal toegestane bedrijfsvloeroppervlakte door het bouwplan overschreden.

2.4. Burgemeester en wethouders hebben zich derhalve reeds daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bouwplan door toepassing van voornoemd artikel 1.7.I, aanhef en onder a, van de planvoorschriften in overeenstemming zou zijn met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Ten tijde van het bestreden besluit was derhalve niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor het volgen van de anticipatieprocedure zodat burgemeester en wethouders tot het toepassen van deze procedure niet bevoegd waren.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover het beroep van appellant ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen wordt het beroep alsnog gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Burgemeester en wethouders dienen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 20 september 2001, AWB 01/1660 VV en AWB 01/1536 voor zover daarbij het beroep van appellant ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Boxtel van 29 mei 2001, 00.4030 in zoverre;

V. draagt burgemeester en wethouders van Boxtel op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. gelast dat gemeente Boxtel aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep betaalde griffierecht € 256,39/ƒ 565,00 (ƒ 225,00 + ƒ 340,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2002

58-398.