Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02-07-2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:5158, C/02/372404 / FA RK 20/2603 (klacht)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02-07-2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:5158, C/02/372404 / FA RK 20/2603 (klacht)

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
2 juli 2020
Datum publicatie
26 oktober 2020
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2020:5158
Zaaknummer
C/02/372404 / FA RK 20/2603 (klacht)

Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft bij de klachtencommissie 4 klachten ingediend:

1. Klacht tegen de toediening van medicatie tegen de wil van verzoeker;

2. Klacht tegen onnodige en onregelmatige beperking van de bewegingsvrijheid;

3. Klacht tegen de insluiting, waartoe niet is voorzien in de crisismaatregel;

4. Klacht tegen het niet voldoen aan formele vereisten door de zorgaanbieder.

Tevens heeft verzoeker bij de klachtencommissie een verzoek tot schadevergoeding ingediend op grond van artikel 10:11 Wvggz. De klachtencommissie heeft de klachten gedeeltelijk gegrond verklaard en een schadevergoeding toegekend van € 400,-. Verzoeker verzoekt de rechtbank de klachten gegrond te verklaren en een schadevergoeding toe te kennen ten laste van de zorgaanbieder.

Uitspraak

Team Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/372404 / FA RK 20/2603 (klacht)

C/02/372405 / FA RK 20/2604 (verzoek schadevergoeding)

Beslissing over klacht ex artikel 10:7 lid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)

Beschikking van 2 juli 2020 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda op het ingediende verzoekschrift van

[verzoeker] ,

hierna te noemen: verzoeker

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] , [woonplaats] ,

advocaat: mr. V.C. Andeweg te Breda.

ter verkrijging van een beslissing over een klacht door verzoeker ingediend bij de Regionale klachtencommissie Wvggz Midden- en West Brabant op 13 maart 2020 (hierna: de klachtencommissie).

Als belanghebbenden in deze procedure worden aangemerkt:

- Stichting GGz Breburg Groep, vertegenwoordigd door mr. L.A.P. Arends en

mr. M.M.A. Janssen; Stichting GGz Breburg Groep, wordt hierna ook genoemd: verweerder;

- de geneesheer-directeur van GGz Breburg, mevrouw [psychiater] ;

- directeur behandelzaken van GGz Breburg, mevrouw [psychiater] .

1 Procesverloop

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift met bijlagen ex artikel 10:7 lid 1 Wvggz (en ex artikel

10:11Wvggz), bij de griffie van deze rechtbank ontvangen op 19 mei 2020;

- het verweerschrift d.d. 4 juni 2020 van zorgaanbieder Stichting GGz Breburg Groep, hierna te noemen verweerder.

- de pleitaantekeningen van mr. Andeweg, ingekomen bij de griffie op 18 juli 2020.

1.2

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 8 juni 2020. In verband met de uitbraak van COVID-19 is geen fysieke zitting gehouden, maar heeft, op grond van artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, de mondelinge behandeling telefonisch plaatsgevonden vanuit het gerechtsgebouw te Breda door middel van Skype en telehoren.

De rechtbank heeft de volgende personen via Skype gehoord:

- advocaat van verzoeker, mr. Andeweg;

- de advocaten van GGz Breburg, mr. Arends en mr. Janssen;

- directeur behandelzaken bij de zorgaanbieder, mevrouw [psychiater] ;

- de geneesheer-directeur bij de zorgaanbieder, de mevrouw [psychiater] ;

- juriste bij GGz Breburg, mr. J. Van Laare-Pauw.

De rechtbank heeft tegelijkertijd de volgende personen via conference-call gehoord:

- verzoeker;

- de vader van verzoeker;

- de curator van verzoeker, de heer [curator] .

1.3

Op 15 juni 2020 heeft de rechtbank de locaties van GGz Breburg te Tilburg (Jan Wierhof nr. 5) en Breda (Muiderslotstraat nr. 150) bezocht. De volgende personen waren bij het locatiebezoek aanwezig en zijn met hun instemming betrokken en gehoord:

- de advocaat van verzoeker, mr. Andeweg;

- de advocaten van GGz Breburg, mr. Arends en mr. Janssen;

- twee vertegenwoordigsters van GGz Breburg te Breda, mevrouw [vertegenwoordigster] en mevrouw [vertegenwoordigster] ;

- een vertegenwoordigster van GGz Breburg te Tilburg, mevrouw [vertegenwoordigster] .

(De vertegenwoordigsters van GGz Breburg die de locaties hebben laten zien en uitleg hebben gegeven over de toepassing van de HIC, de ICU en de EBK’s en over het beleid worden bij de beschrijving van de locaties aangeduid als GGz Breburg.)

2 De feiten

2.1

Bij beschikking van 17 februari 2020 van deze rechtbank is een machtiging verleend tot voortzetting van de (op 12 februari 2020 opgelegde) crisismaatregel ten aanzien van verzoeker tot en met 9 maart 2020. Voormelde beschikking is hersteld bij beschikking van 25 februari 2020.

2.2

Aan verzoeker is door GGz Breburg verplichte zorg verleend krachtens voormelde beschikking van 17 februari 2020. In de beschikking is een machtiging gegeven voor de verplichte zorg in de vorm van:

- toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

- beperken van de bewegingsvrijheid;

- controleren op aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;

- opnemen in een accommodatie.

2.3

In die beschikking is geen machtiging gegeven voor verplichte zorg in de vorm van “insluiting”.

2.4

Verzoeker heeft bij brief van 13 maart 2020 - onder verwijzing naar artikel 10:3 Wvggz - , welk verzoek is onderbouwd door de patiëntenvertrouwenspersoon [vertrouwenspersoon] (hierna te noemen pvp), bij de Regionale klachtencommissie Wvggz Midden- en West Brabant (verder te noemen: de klachtencommissie) een klacht ingediend tegen de beslissing tot toediening van medicatie op 5 maart 2020, het beperken van de bewegingsvrijheid en het insluiten op de afdeling en/of de Intensive Care Unit (verder te nemen: ICU) van de High Intensive Care-afdeling (verder te noemen: HIC) en het niet voldoen aan formele vereisten. Tevens heeft verzoeker bij voormelde brief een verzoek tot schadevergoeding ingediend op grond van artikel 10:11 Wvggz.

2.5

De klachtencommissie heeft op 7 april 2020 de klachten gedeeltelijk gegrond verklaard. Deze beslissing heeft de klachtencommissie op 7 april 2020 aan verzoeker mondeling meegedeeld en op 8 april 2020 op schrift aan verzoeker toegezonden. Op 23 april 2020 heeft de klachtencommissie aan verzoeker een vergoeding toegekend van

€ 400,- ten laste van GGz Breburg. Deze beslissing is op 23 april 2020 aan verzoeker mondeling medegedeeld en op schrift verzonden.

2.6

Laatstelijk is bij beschikking van deze rechtbank van 24 maart 2020 een zorgmachtiging afgegeven tot 9 juni 2020. De klachten van verzoeker zien op de periode gedurende de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel.

2.7

De rechtbank Breda heeft bij beschikking van 4 februari 2020 verzoeker onder curatele gesteld.

3 Het verzoek

Verzoeker verzoekt de rechtbank de klachten gegrond te verklaren.

Tevens verzoekt verzoeker om hem, gelet op artikel 10:11 Wvggz, een schadevergoeding toe te kennen ten laste van GGz Breburg voor de klachten waarvoor verzoeker een klacht had ingediend bij de klachtencommissie, doch welke niet zijn gehonoreerd met het verzoek deze alsnog gegrond te verklaren.

Verweerder verzoekt de klachten ongegrond te verklaren en het verzoek om schadevergoe-ding af te wijzen. Voor zover de rechtbank een of meer klachten deels gegrond zou verklaren verzoekt verweerder om de schadevergoeding symbolisch vast te stellen. Verder verzoekt verweerder de beslissing van de klachtencommissie zonder gevolgen te verklaren en verzoeker te veroordelen in de proceskosten.

4 4. De beoordeling

5 Veroordeling in kosten

6 Beslissing