Home

Rechtbank Zwolle-Lelystad, 02-12-2010, BP2019, 07.660227-10; 16.610286-09

Rechtbank Zwolle-Lelystad, 02-12-2010, BP2019, 07.660227-10; 16.610286-09

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
2 december 2010
Datum publicatie
26 januari 2011
ECLI
ECLI:NL:RBZLY:2010:BP2019
Zaaknummer
07.660227-10; 16.610286-09

Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet op de dood van beide slachtoffers. Door te steken met een hoekbeweging heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard op het overlijden van de persoon die naast het beoogde slachtoffer stond. Dit geldt ook voor het steken met een mes in de richting van het bovenlichaam. De rechtbank ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging nu er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het gebruik van een mes was noodzakelijk gelet op de dreiging van de groep mensen. Er is geen sprake van culpa in causa.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer : 07.660227-10 en 16.610286-09 (vtvv) (P)

Uitspraak : 02 december 2010

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

1. ONDERZOEK VAN DE ZAAK

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2010. Verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.J.W.M. Janssen en van hetgeen door verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

2. TENLASTELEGGING

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 07 augustus 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, in ieder geval eenmaal, heeft gestoken met een mes, in ieder geval een dergelijk scherp voorwerp, in de borst, in ieder geval het lichaam van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 07 augustus 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, in ieder geval eenmaal, heeft gestoken met een mes, in ieder geval een dergelijk scherp voorwerp, in de buik en/of de romp, in ieder geval in het lichaam van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3. VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. BEWIJS

4.1 Vaststaande feiten

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

Op 07 augustus 2010 omstreeks 01:16 kregen verbalisanten de melding te gaan naar de [adres] te [plaats]. Ter hoogte van voornoemd adres zou een vechtpartij gaande zijn waarbij ruiten werden ingegooid. Tevens zouden er messen zijn gebruikt waarmee personen zouden zijn gestoken.

Wanneer verbalisanten ter plaatse komen wordt hen verteld dat [slachtoffer 2] is gestoken en dat hij zich bevindt in het pand aan de [adres] (naast het hierboven genoemde pand). De verbalisanten constateren dat alle ruiten van de woning aan de [adres] waren vernield en vervolgens constateren zij, wanneer zij de woning aan de [adres] binnengaan, dat die [slachtoffer 2] een snede in het midden van zijn buik had opgelopen.

Er kwamen die nacht meerdere politie-eenheden ter plaatse, nadat deze eenheden even daarvoor van een melder hadden gehoord dat er (onder meer) gegil van vrouwen te horen was, dat er glasgerinkel was, dat er messen bij betrokken waren en dat een jongen en een meisje zouden zijn neergestoken. Voor voornoemde woningen stonden ongeveer 10 personen. Een jonge vrouw die naar verbalisanten toe kwam lopen, hield een doek tegen de rechterzijde van haar romp. Op deze doek waren diverse bloedvlekken te zien.

Op 07 augustus 2010 omstreeks 01:30 uur is er een forensisch onderzoek naar sporen verricht, in en nabij de woningen aan de [adres] en [adres] te [plaats], waarbij (onder meer) messen zijn gevonden, waarbij op drie aangetroffen messen bloed zat. Van de situatie zoals deze door diverse verbalisanten is aangetroffen bij voornoemde woningen, zijn foto’s gemaakt, welke zijn opgenomen in het dossier.

Op 07 augustus 2010 doet mw. [slachtoffer 1] aangifte vanuit het MCI Zuiderzee ziekenhuis te [plaats].

Op 13 augustus 2010 wordt [slachtoffer 2] zowel als verdachte alsook als aangever gehoord.

Gedurende het strafrechtelijk onderzoek zijn diverse getuigen gehoord.

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

Uit de geluidsfragmenten van de 112-meldingen die ter terechtzitting zijn afgespeeld, blijkt dat er veel paniek was en dat zich binnen korte tijd veel heeft afgespeeld. Verdachte heeft een wond op zijn arm, alsmede een forse hoofdwond opgelopen. Gelet op de verklaringen van getuigen en de verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het hem onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. [slachtoffer 2] is naar aanleiding van het steken met een mes door verdachte, enige tijd kunstmatig in coma gehouden. Verdachte heeft op beide aangevers gericht gestoken, er is geen sprake geweest van een ongecontroleerde beweging. Verdachte heeft verklaard dat het uit de hand is gelopen toen hij een drietal mensen aansprak. Uit meerdere verklaringen blijkt echter dat het is geëscaleerd toen verdachte fietsen tegen het raam van zijn moeders buren heeft gegooid.

Een groot deel van de vernielingen van het huis van de moeder van verdachte hebben plaatsgevonden nadat verdachte voornoemde personen heeft gestoken. Het vorenstaande blijkt voldoende uit de ter terechtzitting afgespeelde geluidsfragmenten. Het is niet juist dat verdachte het huis van zijn moeder moest verdedigen. De vernieling van het huis vond pas plaats nadat verdachte beide aangevers heeft gestoken. Verdachte is verhaal gaan halen voor de vernielde deur en heeft daarbij fietsen tegen het raam van de buren gegooid. Er is dan ook sprake van een voortzetting van een conflict, welk conflict hij eerder uit de weg was gegaan. Vervolgens komen er mensen naar buiten. Verdachte is wederom naar binnen gegaan om vervolgens terug te komen met een mes. Het is niet aannemelijk geworden op welk moment er een bierflesje op het hoofd van verdachte is gegooid. Gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Verdachte heeft weliswaar ‘mes aan mes’ gestaan met [slachtoffer 2], maar verdachte heeft de confrontatie zelf opgezocht.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, mede gelet op de gevolgen die de door verdachte gepleegde feiten heeft gehad voor de slachtoffers en het feit dat verdachte zich bevond in een proeftijd ter zake een geweldsdelict.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd:

- de toewijzing van de vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 16.610286-09, te weten een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis;

- de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], te weten een bedrag van € 971,00 en dat daarbij de maatregel van schadevergoeding ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht dient te worden opgelegd;

- de teruggave van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen (kleding) aan de rechthebbenden.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde en heeft daartoe - zoals vervat in de pleitnota - kort weergegeven het navolgende aangevoerd.

De verdediging heeft aangevoerd dat - wanneer de rechtbank hetgeen de verdediging ten verwere naar voren brengt niet aannemelijk acht - alsnog de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] gehoord dienen te worden. Voorts heeft de verdediging verzocht in het vorenstaande geval een reconstructie te doen plaatsvinden van hetgeen zich in de nacht van 07 augustus heeft afgespeeld.

De verdediging heeft primair aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, aangezien de opzet op het doden van aangever [slachtoffer 1] (feit 1) en aangever [slachtoffer 2] (feit 2), al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft ontbroken. Er is geen sprake geweest van gericht steken en de kans dat de aangevers door een ongecontroleerde steekbeweging zouden komen te overlijden is niet aanmerkelijk te noemen. De raadsman heeft hierbij de conclusie van mr. Vellinga aangehaald bij het arrest van de Hoge Raad van 16 mei 2006 (LJN: AV2368). Indien de rechtbank toch de aanmerkelijke kans aanwezig acht, dan kan niet komen vast te staan dat verdachte die kans willens en wetens heeft aanvaard. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte ervan uit is gegaan dat het gevolg (de dood van beide aangevers) zou kunnen intreden, zijn handelen betrof een reactie op de aanranding ten opzichte van verdachte zelf. De gedraging dient niet naar haar uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als een gedraging die niet anders kan worden gezien dan dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard. Er zijn contra-indicaties, waaronder de omstandigheid dat verdachte zich heeft moeten verdedigen.

Bovendien geldt ten aanzien van aangever [slachtoffer 1] (feit 1) dat zij tussen aangever [slachtoffer 2] en verdachte is gesprongen. Dit heeft verdachte niet kunnen dan wel behoeven te voorzien. Derhalve heeft hij de kans dat [slachtoffer 1] dodelijk getroffen zou worden niet op de koop toegenomen.

De verdediging heeft subsidiair een beroep op noodweer gedaan. Er is sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, die enige tijd voortduurde. Het betrof een aaneenschakeling van aanrandingen op het huis, op verdachte en op diens familie. De verklaring van verdachte vindt steun in de verklaringen van zijn moeder en getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Gebleken is dat het incident heeft plaatsgevonden voor de deur van verdachte, hetgeen betekent dat verdachte de aanval niet heeft ingezet.

Er is geen sprake van eigen schuld van verdachte. Hij is weliswaar, na het mes uit de keukenlade te hebben gepakt, met dat mes weer naar buiten gelopen, maar de vernielingen gingen door en er is getracht het huis van verdachte binnen te gaan, alwaar zijn moeder en een kind van 11 jaar vertoefde. Indien er al sprake zou zijn van enige mate van eigen schuld dient een beroep op noodweer(exces) te slagen.

Ten aanzien van de subsidiariteit stelt de verdediging dat vluchten zou betekenen dat hij zijn moeder en broertje in angst zou achterlaten, los van het feit of vluchten in deze situatie mogelijk is geweest.

Bij de proportionaliteitseis komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval (HR 21 november 2006, LJN: AX9177). In casu zijn er messen en bierflesjes gebruikt, en zijn er vernielingen gepleegd door een grote groep waar veel agressiviteit vanuit ging. Verdachte stond alleen tegenover die groep.

De verdediging heeft meer subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces, waarbij de ernst van de aanranding jegens verdachte is gesteld. Hierdoor was er sprake van een dusdanige intensiteit van de hevige gemoedsbeweging, dat verdachte door is gegaan nadat de aanranding reeds was beëindigd dan wel was het door verdachte toegepaste geweld buitensporig.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich primair voor de vraag gesteld of verdachte heeft gepoogd aangever [slachtoffer 1] en aangever [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, hetgeen hem onder 1 en 2 ten laste is gelegd.

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de hierboven omschreven vaststaande feiten ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, dat vaststaat dat er op 07 augustus 2010 gewonden zijn gevallen tijdens een ruzie ter hoogte van de woningen aan de [adres] en de [adres] te [plaats].

Er waren een viertal personen aanwezig op het moment dat de onenigheid - die later zou escaleren - is begonnen. Deze personen waren aangever [slachtoffer 1], aangever [slachtoffer 2], getuige [getuige 5] en verdachte. Over de aanleiding wordt verschillend verklaard. Verdachte verklaart tegenover de politie en ter terechtzitting dat hij drie mensen had aangesproken die op de auto van zijn moeder zaten dan wel daar tegen aan leunden. [slachtoffer 2] ([slachtoffer 2]) liep achter verdachte aan en hield de deur van de woning tegen die verdachte wilde dicht doen. Vervolgens gooide die [slachtoffer 2] een container tegen de ruit van de schuurdeur.

Op enig moment heeft verdachte een mes gepakt, zo blijkt uit de verklaring van verdachte tegenover de politie en ter terechtzitting. Aangever [slachtoffer 1] verklaart dat ze zag dat verdachte een beweging naar haar maakte, waarna ze pijn in haar rug voelde en vervolgens vernam ze dat ze bloedde. Verdachte kan zich er niets van herinneren dat hij een meisje zou hebben gestoken. [getuige 5] heeft verklaard te hebben gezien dat verdachte aangever [slachtoffer 1] stak. Verdachte kwam met een mes op [getuige 5] af. [slachtoffer 1] kwam naast [getuige 5] staan om hem kennelijk weg te duwen. Getuige [getuige 2] verklaart dat verdachte de bedoeling had om [getuige 5] te steken, maar dat hij aangeefster [slachtoffer 1] raakte die ertussenin ging staan.

Getuige [getuige 1] zag dat verdachte met een mes kwam aanlopen en dat aangever [slachtoffer 1] tussenbeide kwam. Hij verklaart dat toen [slachtoffer 2] (de rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat dit [getuige 5] zou moeten zijn) op verdachte af wilde lopen, hij zag dat verdachte zijn lichaam naar beneden bracht en met een hoekbeweging aangeefster [slachtoffer 1] in haar linkerzij stak met het mes. Op dat moment stonden ze tegenover elkaar op nog geen meter afstand.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte het kennelijk gemunt had op [getuige 5], en dat daarbij aangeefster [slachtoffer 1] is gestoken nabij haar borst. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft naast de linkerborst een wond opgelopen, die met 19 hechtingen moest worden gehecht. Uit de verklaringen, waaronder die van aangeefster [slachtoffer 1], blijkt niet dat aangeefster [slachtoffer 1] er ineens tussen is gesprongen en dat er derhalve sprake was van een abrupte handeling die verdachte niet behoefde te voorzien. Toen [getuige 5] naar buiten liep is aangeefster [slachtoffer 1] direct met hem meegelopen en de rechtbank overweegt dat deze [slachtoffer 1] derhalve steeds bij [getuige 5] heeft gestaan.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door in de richting van [getuige 5] te steken, hetgeen door getuige [getuige 1] is omschreven als een hoekbeweging, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster [slachtoffer 1], die naast het beoogde slachtoffer stond, zou worden geraakt door het mes en dientengevolge zou komen te overlijden. Een dergelijke hoekbeweging kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezien als een ongecontroleerde beweging. Deze gedraging is naar haar uiterlijke verschijningsvorm gericht op het intreden van een bepaald gevolg, namelijk het overlijden van [getuige 5]. Aangeefster [slachtoffer 1] is nabij haar borst geraakt. Het behoeft geen nadere uitleg dat er zich in dit deel van het lichaam veel vitale organen bevinden en dat de kans dat het slachtoffer aan haar verwonding zou komen te overlijden aanmerkelijk is.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde verklaart verdachte een slaande beweging te hebben gemaakt - een soort steekbeweging - toen [slachtoffer 2] met een mes op hem af kwam. Verdachte verklaart dit te hebben gedaan om zich af te weren. [getuige 5] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer 2] door verdachte werd neergestoken. Getuige [getuige 1] heeft verklaard te hebben gezien dat [slachtoffer 2] en verdachte een meter van elkaar afstonden. Voorts zag voornoemde getuige dat verdachte het mes naar voren stak en [slachtoffer 2] daarbij in de buikstreek raakte. In het dossier bevindt zich geen geneeskundige verklaring, echter verbalisant [verbalisant] heeft gerelateerd contact te hebben gehad met het AMC, waarbij de arts bevestigde dat [slachtoffer 2] thoraxletsel had en kunstmatig in slaap werd gehouden.

De rechtbank overweegt dat het naar voren steken met een mes in de richting van een persoon die vlak voor je staat, waarbij het mes richting het bovenlichaam gaat, een handeling is waarbij bewust de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat die persoon dodelijk door het mes zal worden getroffen. Het slachtoffer werd ook daadwerkelijk in de buikstreek gestoken, een deel van het lichaam waar zich veel vitale organen bevinden. De kans dat het slachtoffer aan zijn verwonding zou komen te overlijden is aanmerkelijk. Dat het zou gaan om een ongecontroleerde steekbeweging acht de rechtbank niet aannemelijk, gezien de positie van verdachte ten opzichte van het slachtoffer. Dit is een andere situatie dan de situatie zoals beschreven in het arrest van de Hoge Raad van 16 mei 2006 (LJN: AV2368), naar welk arrest de raadsman heeft verwezen, waarbij verdachte van achteren bij zijn keel werd gegrepen en verdachte ‘in het wilde weg’ een stekende beweging naar het slachtoffer heeft gemaakt (waarbij het slachtoffer in zijn been werd gestoken).

Dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, blijkt uit de aard van de gedraging van verdachte, zoals volgt uit voornoemde verklaringen. Naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen de gedragingen, naar het oordeel van de rechtbank, niet anders worden gezien dan dat zij gericht zijn op een bepaald gevolg, en wel het overlijden van het slachtoffer. Van contra-indicaties die blijk zouden geven dat de gedragingen niet gericht zouden zijn op het overlijden van het slachtoffer, is de rechtbank niet gebleken. Er is geen sprake van een a-typisch geval, zoals mr. Vellinga heeft omschreven in zijn conclusie bij voornoemd arrest van de Hoge Raad, aangezien in het onderhavige geval gericht is gestoken, waarbij verdachte zicht had op het slachtoffer. Dat het slachtoffer niet is overleden is buiten de invloedssfeer van verdachte gelegen.

De rechtbank volgt derhalve de verdediging niet voor zover er is aangevoerd dat het (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft ontbroken. De rechtbank wijst het voorwaardelijk verzoek van de verdediging af om alsnog de door de verdediging gewenste getuigen te horen en/of het verzoek een reconstructie te doen plaatsvinden. De rechtbank acht zich op basis van het dossier voldoende voorgelicht om tot een weloverwogen beslissing te komen en ziet geen aanleiding om het voorwaardelijk verzoek van de raadsman te honoreren.

De hierboven aangehaalde bewijsmiddelen in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat beide ten laste gelegde pogingen tot doodslag van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, zoals hierna omschreven.

5. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 07 augustus 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet eenmaal heeft gestoken met een mes in het lichaam van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 07 augustus 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet eenmaal heeft gestoken met een mes in de buik van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6. STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1. en feit 2., telkens:

Poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft subsidiair een beroep op noodweer gedaan, zoals in onderhavig vonnis in het kort staat omschreven onder ‘het standpunt van de verdediging’.

De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of de feiten die door verdachte zijn begaan, geboden waren door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Hiervoor is reeds één en ander uiteengezet met betrekking tot de aanleiding van het steekincident op 07 augustus 2010. Verdachte zou een drietal personen hebben aangesproken en hen hebben gevraagd niet langer tegen de auto van zijn moeder aan te staan.

Uit verschillende verklaringen blijkt dat één van die drie personen, te weten [slachtoffer 2], al enigszins opgefokt was. Dit blijkt onder meer uit de verklaring van die [slachtoffer 2]. De verklaring van verdachte dat die drie personen tegen de auto van zijn moeder stonden vindt steun in de verklaring van getuige [getuige 4]. Voorts blijkt uit deze verklaring dat [slachtoffer 2] even tevoren te horen heeft gekregen dat zijn vriendin is vreemdgegaan, hetgeen zou kunnen verklaren waarom [slachtoffer 2] opgefokt was.

De escalatie is begonnen toen er een container tegen de ruit van de woning aan de [adres] werd gegooid, de woning van de moeder van verdachte. [slachtoffer 2] zegt dat hij dit gedaan zou kunnen hebben. Getuige [getuige] verklaart dat [slachtoffer 2] weer naar binnen kwam – de rechtbank overweegt dat dit nog voor het steekincident is geweest – en dat deze [slachtoffer 2] gezegd heeft dat hij echt pissig was, dat hij de ruit kapot heeft gemaakt en dat hij die jongen (zijnde verdachte) wel wat aan wilde doen.

Op enig moment stonden er een heel aantal mensen voor de deur van de woning van de moeder van verdachte, zo blijkt uit verschillende (getuigen)verklaringen. Er wordt door getuigen verklaard dat er fietsen tegen de woning aan de [adres] werden gegooid en dat mensen daarop naar buiten zijn gegaan. Getuige [getuige 2], welke op het feestje aan de [adres] aanwezig was, verklaart dat er een raam kapot ging bij de woning van de buren (zijnde de woning van de moeder van verdachte). Hierop ging iedereen naar buiten. Vervolgens zag getuige [getuige 2] dat er een bierflesje tegen het hoofd van verdachte werd gegooid.

[slachtoffer 2] verklaart dat hij dit bierflesje tegen het hoofd van verdachte heeft gegooid voordat verdachte hem had gestoken. Uit voormelde verklaring van getuige [getuige 2] en uit andere verklaringen blijkt ook dat het bierflesje voor het steekincident is gegooid. [slachtoffer 2] verklaart verder dat hij een stoeptegel door de ruit van de woning van de moeder van verdachte heeft gegooid voordat hij het bierflesje tegen verdachte aan gooide.

De rechtbank overweegt dat de woning van de moeder van verdachte werd vernield, reeds voordat verdachte een mes heeft gepakt en heeft gestoken. Deze vernielingen zijn tijdens het sporenonderzoek fotografisch vastgelegd. Tevens is verdachte geraakt met een bierflesje, waarbij hij letsel in de vorm van een bloedende hoofdwond heeft opgelopen. Uit verschillende verklaringen blijkt dat er een groot aantal mensen voor de deur van verdachte stonden, afkomstig uit de woning aan de [adres]. De voortdurende aanrandingen blijken ook uit de verklaring van de moeder van verdachte.

De rechtbank neemt in haar overwegingen de tijdens het onderzoek ter terechtzitting beluisterde 112-meldingen mee, waarbij met name uit de melding van de moeder van verdachte blijkt van veel paniek en angst bij haar. Uit achtergrondgeluiden blijkt ook dat zich een chaotische situatie voordeed.

Gelet op het voorgaande heeft er een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte plaatsgevonden, maar ook jegens het huis van zijn moeder en zijn moeder zelf. Zijn moeder is namelijk toegevoegd dat ze zou worden verkracht, zo blijkt uit haar verklaring en de verklaring van [slachtoffer 2]. Ook verdachtes broertje van 11 jaar bevond zich in het huis. In deze situatie kon van verdachte niet gevergd worden dat hij zou vluchten. Er bevond zich immers een grote groep mensen voor het huis en hij zou daarmee zijn moeder en zijn broertje onbeschermd achterlaten. Van de aangerichte vernielingen zijn foto’s opgenomen in het dossier en daaruit blijkt dat het niet mogelijk is geweest te volstaan met het dichtdoen van de deur en de komst van de politie af te wachten, aangezien de ramen van de deur vernield waren en het derhalve mogelijk was dat bepaalde personen de woning zouden kunnen binnengaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er is voldaan aan de eis van subsidiariteit. Verdachte mocht zich verdedigen tegen deze wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het middel dat verdachte heeft gebruikt, te weten het gebruik van een mes, noodzakelijk was. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het zich verdedigen met ‘enkel de blote handen’ zou, zoals eerder overwogen, gezien de omstandigheden in het onderhavige geval, geen soelaas kunnen bieden, gelet met name op de dreiging die van de groep mensen uitging. Met name [slachtoffer 2] en [getuige 5] waren zeer agressief. Dit blijkt onder meer uit de verklaring van getuige [getuige] tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Bovendien verklaart voornoemde getuige dat zij zich kan voorstellen dat de hele situatie, waarbij veel mensen voor je deur staan, intimiderend overkomt.

De rechtbank overweegt dat de personen die voor de deur stonden, hoorden bij deze [slachtoffer 2] en [getuige 5]. De intentie van verdachte was in eerste instantie om de menigte af te schrikken, om op die manier de aanrandingen die bleven voortduren, te doen stoppen. Verdachte heeft ook gesteld dat hij het mes in eerste instantie langs zijn lichaam heeft gehouden, met het lemmet naar beneden gericht. In de beide gevallen dat verdachte heeft gestoken, kwamen de personen op hem af. In het eerste geval was dit [getuige 5], zo blijkt mede uit de verklaring van getuige [getuige 1]. Bij het tweede steekincident komt [slachtoffer 2] met een mes op verdachte af. Deze [slachtoffer 2] verklaart ‘mes tegen mes’ met verdachte te hebben gestaan.

De rechtbank acht het te rechtvaardigen dat verdachte ter verdediging een mes heeft gepakt. Hij stond immers tegenover een overmacht van mensen die het geweld duidelijk niet schuwden. Gelet op alle omstandigheden van het geval, heeft de verdachte door het pakken van het mes zich naar het oordeel van de rechtbank niet in een situatie gebracht dat een agressieve reactie van een of meer personen uit de zich voor de woning bevindende groep mensen daardoor was te verwachten. Van culpa in causa was dan ook geen sprake.

De rechtbank volgt de verdediging in het subsidiair gevoerde verweer en is van oordeel dat verdachte ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten heeft gehandeld uit noodweer.

De rechtbank zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

7. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust, behoudens de reeds aangehaalde artikelen, op artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.

8. BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld, doch verdachte is niet strafbaar.

Het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

De rechtbank gelast de teruggave aan de rechthebbenden van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 26 oktober 2010 vermelde kleding en schoeisel.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 16.610286-09 bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Utrecht d.d. 11 december 2009 voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf.

Aldus gewezen door mr. E.W. Akkerman, voorzitter, mrs. R.M. van Vuure en F.H. Schormans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Laanstra, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 02 december 2010.

Mr. van Vuure voornoemd was buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.