Home

Rechtbank Utrecht, 09-08-2001, AB3350, 132611 KG ZA 01-681 YT

Rechtbank Utrecht, 09-08-2001, AB3350, 132611 KG ZA 01-681 YT

Gegevens

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
9 augustus 2001
Datum publicatie
14 augustus 2001
ECLI
ECLI:NL:RBUTR:2001:AB3350
Zaaknummer
132611 KG ZA 01-681 YT

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

VONNIS van de president van de

arrondissementsrechtbank te Utrecht in het kort geding van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE UTRECHT,

zetelende te Utrecht,

e i s e r e s in conventie,

g e d a a g d e in reconventie,

procureur: mr. B.E.J.M. Tomlow,

- t e g e n -

de besloten vennootschap met

beperkte aansprakelijkheid

UTRECHT VICTORIA HOTEL B.V.,

gevestigd te Utrecht,

g e d a a g d e in conventie,

e i s e r e s in reconventie,

procureur: mr. B.F. Keulen,

advocaat: mr. J.R. van Angeren te Amsterdam.

1. Het verloop van de gedingen

Partijen zijn op 26 juli 2001 vrijwillig verschenen voor de president van deze rechtbank, rechtdoende in kort geding.

Ter terechtzitting van die datum heeft eiseres in conventie, hierna te noemen: de Gemeente, van eis geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van het concept van dagvaarding, welk concept in fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

Vervolgens heeft de Gemeente bij monde van haar procureur haar vordering doen toelichten mede aan de hand van een overgelegde pleitnota en van op voorhand toegezonden producties.

Gedaagde in conventie, verder te noemen: het Hotel, heeft hierop bij monde van zijn advocaat in de eerste plaats verweer doen voeren tegen de vordering van de Gemeente mede aan de hand van overgelegde pleitnotities en van op voorhand toegezonden producties. Vervolgens heeft het Hotel een eis in reconventie ingesteld zoals hierna onder 3.12 wordt weergegeven.

De Gemeente heeft daarop verweer doen voeren tegen de reconventionele vordering van het Hotel.

Na voortgezet debat hebben partijen zowel in het geding in conventie als in het geding in reconventie vonnis gevraagd.

Hierop heeft de president bepaald dat met het wijzen van vonnis zal worden gewacht totdat uitspraak is gedaan in de procedure die op dat moment tussen partijen nog aanhangig was bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank. Nadat bekend geworden was dat de uitspraak in die procedure op 8 augustus 2001 zou volgen, is op 7 augustus 2001 aan partijen de datum van dit vonnis medegedeeld.

2. De vaststaande feiten

In de beide gedingen

2.1. De Gemeente heeft plannen ontwikkeld voor de opvang van dakloze drugs-verslaafden in het centrum van de stad. In dat kader is de bouw voorzien van een centrum voor dagopvang voor de bedoelde verslaafden, hierna te noemen: het opvangcentrum, op een perceel dat thans kadastraal bekend is als Gemeente Catharijne, sectie C, nummer 9097, en dat in eigendom toebehoort aan NS Vastgoed B.V., verder te noemen: NS Vastgoed. Laatstgenoemde zal het bedoelde perceel, hierna aan te duiden als het perceel van NS Vastgoed, aan de Gemeente verhuren ten behoeve van het opvangcentrum. Het perceel van NS Vastgoed wordt begrensd door het spooremplacement, het water van de Leidsche Rijn, de Leidseveertunnel en het hierna onder 2.2 bedoelde perceel.

2.2. Het Hotel heeft een perceel in erfpacht waarop het een hotel exploiteert. Dit perceel is thans kadastraal bekend als Gemeente Catharijne, sectie C, nummers 8716, 8717 en 8718, en wordt hierna aangeduid als het perceel van het Hotel. Dit perceel van het Hotel grenst aan de zijde die van de weg af gezien de achterzijde is, geheel aan het perceel van NS Vastgoed. Ten behoeve van het perceel van NS Vastgoed is ten laste van het perceel van het Hotel een erfdienstbaarheid van weg gevestigd. Op het perceel van het Hotel ligt langs de erfgrens met het perceel van NS Vastgoed een parkeerterrein, waarvan de Gemeente een gedeelte tijdelijk wil gebruiken ten behoeve van de bouw van het opvangcentrum.

2.3. Op het perceel van NS Vastgoed staan twee esdoorns die voor de bouw van het opvangcentrum geveld moeten worden. Daartoe heeft NS Vastgoed als eigenaar van haar perceel een velvergunning aangevraagd.

2.4. De Gemeente, althans haar Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst, heeft voor de bouw van het opvangcentrum een bouwvergunning aangevraagd.

2.5. In mei 2001 heeft de Gemeente tijdens informeel overleg met het Hotel te kennen gegeven dat zij eind juni reeds met voorbereidende werkzaamheden voor de bouw wilde beginnen en daarbij heeft zij voor bepaalde werkzaamheden de toestemming van het Hotel gevraagd. Het Hotel heeft die toestemming niet gegeven, omdat de benodigde vergunningen nog niet waren verleend en omdat het Hotel nog gebruik wilde maken van de mogelijkheid die vergunningen ter (voorlopige) toetsing aan de bestuursrechter voor te leggen.

2.6. De Gemeente (Burgemeester en Wethouders) heeft, vooruitlopend op de nog te verlenen bouwvergunning voor het opvangcentrum, begin juli 2001 onder voorwaarden de hiervoor onder 2.3 bedoelde velvergunning verleend. Het Hotel heeft bij schrijven van 5 juli 2001 bij de Gemeente (Burgemeester en Wethouders) bezwaar gemaakt tegen het verlenen van die velvergunning en heeft bij schrijven van diezelfde datum aan de bestuursrechter, te weten de president van deze rechtbank, sector bestuursrecht, een voorlopige voorziening inzake die velvergunning gevraagd.

2.7. Bij besluit van 11 juli 2001, verzonden 12 juli 2001, heeft de Gemeente (Burgemeester en Wethouders) de onder 2.4 bedoelde bouwvergunning verleend. Het Hotel heeft bij schrijven van 16 juli 2001 tegen het verlenen van die vergunning een bezwaar ingediend bij de Gemeente (Burgemeester en Wethouders) en heeft bij schrijven van diezelfde datum aan de bestuursrechter, te weten de president van deze rechtbank, sector bestuursrecht, een voorlopige voorziening inzake die bouwvergunning gevraagd.

2.8. Ten tijde van de terechtzitting in dit kort geding, 26 juli 2001, waren de genoemde verzoeken van het Hotel om een voorlopige voorziening nog niet behandeld door de president van deze rechtbank, sector bestuursrecht. Inmiddels heeft die behandeling op 1 augustus 2001 plaatsgevonden en heeft de genoemde president op 8 augustus 2001 uitspraak gedaan, waarbij de beide verzoeken van het Hotel zijn afgewezen.

3. De geschillen en hun beoordeling

In conventie

3.1. Voor de volledige inhoud en de grondslagen van de vordering wordt verwezen naar het aangehechte concept van dagvaarding. Kort weergegeven houdt de vordering in dat het Hotel de Gemeente in staat zal stellen een aanvang te maken met bepaalde, nader omschreven (voorbereidende) werkzaamheden voor de bouw van het opvangcentrum.

3.2. De Gemeente beroept zich daartoe op de verleende bouwvergunning en stelt dat zij een zodanig zwaarwegend belang heeft bij het kunnen beginnen met die bouw, dat het mogelijke belang van het Hotel daarvoor moet wijken. Nu de uitvoering van de desbetreffende werkzaamheden niet mogelijk is zonder gebruik te maken van het perceel van het Hotel, is het Hotel, naar de Gemeente verder stelt, op grond van artikel 5:56 Burgerlijk Wetboek gehouden dat gebruik mogelijk te maken.

3.3. Het Hotel heeft daartegen als meest vérstrekkend verweer aangevoerd dat de Gemeente thans geen belang heeft bij de gevorderde medewerking van het Hotel. Het Hotel stelt daartoe niet alleen dat van de Gemeente gevergd kan worden dat zij nog geen bouwactiviteiten onderneemt in afwachting van het - ten tijde van de zitting nog te verwachten - voorlopige oordeel van de bestuursrechter over de rechtmatigheid van de bouwvergunning, maar ook dat het Hotel bij het afwachten van dat oordeel een zwaarwegend belang heeft, omdat daardoor het ontstaan van een mogelijk onomkeerbare situatie wordt voorkomen. Voorts wijst het Hotel op het standpunt van de Gemeente zelf, blijkend uit het schrijven van 13 juli 2001 van haar Burgemeester en Wethouders aan de sector bestuursrecht van deze rechtbank, dat zij het oordeel van de bestuursrechter zal afwachten.

3.4. Dit verweer heeft in zoverre doel getroffen dat de beslissing in deze zaak is aangehouden tot na de uitspraak van de bestuursrechter inzake de door het Hotel gevraagde voorlopige voorzieningen.

3.5. Inmiddels heeft de bestuursrechter, zoals hiervoor onder 2.8 is vermeld, de verzoeken van het Hotel inzake die voorlopige voorzieningen afgewezen. Dit brengt mee dat er voor de Gemeente thans geen beletsel meer bestaat tegen het aanvangen van de voorbereidende werkzaamheden en van de eigenlijke bouwwerkzaamheden betreffende het opvangcentrum.

3.6. Voor dat geval heeft het Hotel zich ter zitting aldus aan het oordeel in dit geding gerefereerd dat het heeft toegezegd dan zijn medewerking te zullen verlenen op de wijze zoals door de Gemeente is gevorderd.

3.7. Hieruit volgt dat de gevorderde medewerking van het Hotel voor toewijzing vatbaar is.

3.8. De gevorderde termijn zal aldus worden begrepen dat het Hotel na afloop van 24 uur na de betekening van dit vonnis de gevorderde medewerking zal moeten verlenen. Voorts zal de gevorderde afstand worden bepaald op anderhalve meter, nu een afstand van "tenminste anderhalve meter" als onvoldoende bepaald moet worden beschouwd.

3.9. De gevorderde dwangsom is voor toewijzing vatbaar, nu het Hotel daartegen geen verweer heeft gevoerd.

3.10. De vordering zal derhalve op de hierna te bepalen wijze worden toegewezen.

3.11. Hoewel het Hotel formeel als de in het ongelijk gestelde partij beschouwd moet worden, heeft materieel te gelden dat ieder van partijen op enig punt in het ongelijk is gesteld. Om die reden zullen de kosten van dit geding op de hierna te bepalen wijze tussen partijen worden gecompenseerd.

In reconventie

3.12. Het Hotel vordert dat de Gemeente de reeds aangevangen voorbereidende werkzaamheden voor de bouw van het opvangcentrum zal stopzetten en dat zij voorts de situatie op en rondom het door haar gehuurde perceel van NS Vastgoed geheel in de oude toestand zal herstellen.

3.13. In dit geding moet worden vooropgesteld dat de bestuursrechter, zoals hiervoor onder 2.8 is vermeld, het verzoek van het Hotel om voorlopige voorzieningen inzake de velvergunning en de bouwvergunning heeft afgewezen.

3.14. Voor dat geval heeft het Hotel toegezegd, zoals in conventie reeds is overwogen, dat de door de Gemeente verlangde medewerking zal worden verleend.

3.15. Een en ander brengt mee dat er in dit geding voor toewijzing van de vordering van het Hotel geen plaats is, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

3.16. Het Hotel zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

4. De beslissing

De president:

in conventie:

4.1. gebiedt het Hotel om na afloop van 24 uur na het tijdstip van de betekening van dit vonnis de Gemeente alsmede derden die in opdracht van de Gemeente werkzaamheden moeten verrichten, onvoorwaardelijk en ongehinderd in staat te stellen:

a. tot het in gebruik nemen van een strook grond op het perceel van het Hotel, aldus dat (i) die strook gelegen is langs de gehele grens tussen dat perceel en het perceel dat aan NS Vastgoed B.V. in eigendom toebehoort, en (ii) die strook een breedte heeft van 1,5 meter gemeten vanuit die perceelgrens, een en ander voor de duur van de bouw van het opvangcentrum;

b. tot het tijdelijk plaatsen van hekken op de genoemde afstand van 1,5 meter vanaf de bedoelde perceelgrens;

c. tot het vervoeren van een hei-installatie over het bij het Hotel in gebruik zijnde perceel;

4.2. bepaalt dat het Hotel een dwangsom verbeurt van

f. 10.000,- (tienduizend gulden) voor iedere dag, een gedeelte van een dag als een hele dag gerekend, dat het Hotel in gebreke blijft te voldoen aan hetgeen is bepaald onder 4.1, aanhef en sub a, dan wel onder 4.1, aanhef en sub b, dan wel onder 4.1, aanhef en sub c;

4.3. bepaalt voorts dat de onder 4.2 genoemde dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving van die dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan de respectieve geboden is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van die overtreding;

4.4. compenseert de kosten van dit geding tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt, behoudens dat de executiekosten voor rekening van het Hotel komen indien deze aan het Hotel te wijten zijn;

4.5. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

in reconventie:

4.6. wijst de vordering af;

4.7. veroordeelt het Hotel in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op f. 500,-- (vijfhonderd gulden) voor salaris van haar procureur en op nihil voor verschotten;

in conventie en in reconventie:

4.8. verklaart de onderdelen 4.1, 4.2, 4.3 en 4.7 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen, fungerend president, en is in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2001.