Home

Rechtbank Utrecht, 06-03-2001, AB3341, SBR 99/1139

Rechtbank Utrecht, 06-03-2001, AB3341, SBR 99/1139

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr.: SBR 99/1139

UITSPRAAK van de

arrondissementsrechtbank te Utrecht,

enkelvoudige kamer voor de behandeling

van bestuursrechtelijke zaken,

in het geding tussen:

Vennootschap onder firma A (A),

gevestigd te B,

e i s e r e s,

en

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv),

gevestigd te Amsterdam

v e r w e e r d e r.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Bij besluit van 27 april 1999 heeft verweerder de bezwaren van eiseres gericht tegen het besluit van 21 november 1998, waarbij eiseres is medegedeeld dat haar gedifferentieerd premiepercentage ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het jaar 1999 is vastgesteld op 2,38%, ongegrond verklaard.

Namens eiseres is door H. de Haan, accountant - administratieconsulent te IJsselstein, op 7 juni 1999 tegen dit besluit beroep ingesteld. Op 2 juli 1999 zijn de gronden van het beroep aangevoerd.

Verweerder heeft op 30 augustus 1999 afschriften van op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 6 november 2000, waar eiseres is verschenen bij gemachtigde H. de Haan, voornoemd.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T.A. Kralt, juridisch medewerker bij het hoofdkantoor van GAK Nederland B.V.

Bij schrijven van 30 november 2000 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat na de behandeling van het beroep ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, en dat in verband daarmede het onderzoek ingevolge artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt heropend.

Bij schrijven van 11 januari 2001 heeft verweerder een nadere vraagstelling van de rechtbank beantwoord. Op 7 februari 2001 heeft de gemachtigde van eiseres hierop een reactie aan de rechtbank toegezonden.

Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57 van de Awb bepaald dat verder onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. OVERWEGINGEN.

De heer C heeft tot 31 december 1994 het bedrijf 'A' als eenmanszaak gevoerd. Op 1 januari 1995 heeft de heer C, tezamen met zijn echtgenote D, dit bedrijf voortgezet in de vorm van een vennootschap onder firma, thans eiseres in dit geding. Eiseres is bij verweerder onder een ander aansluitnummer geregistreerd dan voorheen de eenmanszaak.

Bij besluit van 21 november 1998 heeft verweerder de vennoten van eiseres bericht dat zij op grond van de op 1 januari 1998 in werking getreden Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidverzekeringen Stb. 1997, 175 (Wet Pemba) voor het premiejaar 1999 als kleine werkgever wordt aangemerkt en dat voor haar het gedifferentieerde premiepercentage voor de WAO over het jaar 1999 is vastgesteld op 2,38 %. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiseres niet gedurende de gehele referteperiode als werkgever actief is geweest. In een bij dit besluit behorende bijlage heeft verweerder nader aangegeven op welke wijze het gedifferentieerde premiepercentage is berekend.

Op 22 december 1998 is namens eiseres bij verweerder een bezwaarschrift tegen dit besluit ingediend, waarin is aangevoerd dat uit dient te worden gegaan van de volledige referteperiode van 5 jaar, omdat de vennootschap een voortzetting is van de eenmanszaak 'A'.

Bij het thans bestreden besluit van 27 april 1999 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij onder meer overwogen dat, aangezien de overgang van eenmanszaak naar vennootschap onder firma heeft plaats gevonden voor 1 januari 1998, ingevolge artikel 78, vierde lid, van de WAO juncto artikel VII, tweede lid, van de overgangsbepalingen bij de Wet Pemba de gegevens van de rechtsvoorganger van eiseres niet in aanmerking kunnen worden genomen.

Ook in beroep heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder de volledige referteperiode van vijf jaar had dienen te gebruiken voor de berekening van de gedifferentieerde WAO-premie.

In dit geding is de vraag aan de orde of het besluit van 27 april 1999 in rechte stand kan houden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op 1 januari 1998 is de Wet Pemba in werking getreden. Bij wijze van financiële prikkel is hierbij de door de werkgever (die geen eigen risicodrager is) te betalen WAO-premie gedeeltelijk afhankelijk gemaakt van de aan (voormalige) werknemers uitgekeerde WAO-uitkeringen in een bepaald jaar. Daartoe is in artikel 76a van de WAO bepaald dat de premie die door de werkgever verschuldigd is, bestaat uit een basispremie en een gedifferentieerde premie.

In artikel 78 van de WAO is bepaald dat verweerder voor de vaststelling van de gedifferentieerde premie een (algemeen geldend) rekenpercentage vaststelt en voorts voor elk jaar een opslag of korting waarmee voor die werkgever het rekenpercentage wordt verhoogd respectievelijk verlaagd.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat verweerder in geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het BW, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, de vastgestelde opslag of korting, bedoeld in het derde lid, opnieuw vaststelt voor de werkgever die een onderneming of een deel daarvan verkrijgt en voor de werkgever die een deel van zijn onderneming overdraagt.

Ingevolge artikel VII, tweede lid, van de overgangsbepalingen bij de Wet Pemba wordt, om uitvoeringstechnische redenen, onder de overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 78, vierde lid, van de WAO uitsluitend verstaan, de overgang van een onderneming die heeft plaats gevonden op of na de dag van inwerkingtreding van deze wet, te weten 1 januari 1998.

Bij het Besluit premiedifferentiatie WAO (Amvb van 19 juli 1997, Stb. 1997, 338, nadien gewijzigd, hierna het Besluit) is ter uitvoering van het zesde lid van artikel 78 WAO een nadere regeling gegeven omtrent de wijze waarop de gedifferentieerde WAO-premie dient te worden berekend. In artikel 7 van het Besluit is bepaald dat voor de werkgever die niet gedurende de gehele referteperiode de hoedanigheid van werkgever had het op basis van de beperkte referteperiode berekende individuele werkgeversrisicopercentage wordt verhoogd met een correctiefactor.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is, dat eiseres sedert 1 januari 1995 de hoedanigheid van werkgever heeft.

Voorts stelt de rechtbank vast dat gelet op de datum waarop de omzetting van eenmanszaak naar vennootschap onder firma heeft plaatsgevonden geen sprake is van een overgang van onderneming als bedoeld in artikel 78 lid 4 Pemba.

Blijkens het verhandelde ter zitting en de nadien van verweerder ontvangen informatie kent verweerders administrateur, het GAK, twee manieren waarop in een situatie als die van eiseres de nieuwe werkgever wordt geregistreerd. Verweerder beschrijft deze registratiewijzen als omzetting met eindafrekening, dan wel omzetting met overboeking.

Indien een werkgever geen gebruik wenst te maken van een omzetting met eindafrekening kan hij, volgens verweerder om een aanzienlijke werkbelasting te voorkomen, verzoeken om een omzetting met overboeking. In dat geval behoudt de nieuwe werkgever het aansluitnummer van de oorspronkelijke werkgever en is hij administratief ook niet als nieuwe werkgever herkenbaar.

Volgens verweerder is niet gebleken dat eiseres destijds heeft verzocht om een omzetting met overboeking, zodat voor de berekening van de gedifferentieerde WAO-premie van eiseres terecht toepassing is gegeven aan de in artikel 7 van het Besluit gegeven regeling voor de berekening van het individuele werkgeversrisico-percentage, waarbij dit percentage in het geval van eiseres met een factor 1,7 dient te worden verhoogd. Verweerder heeft voorts verklaard dat, indien een omzetting met overboeking plaatsgevonden zou hebben, de normale referteperiode van vijf jaar in ogenschouw zou zijn genomen, waardoor geen correctiefactor toegepast zou zijn op voornoemd risicopercentage.

De rechtbank acht het met het oog op de rechtsgelijkheid en de voorkoming van willekeur bij de berekening van de gedifferentieerde WAO-premie van essentieel belang dat verweerder de administratieve overgang van een onderneming in alle gevallen op dezelfde wijze uitvoert en de uitkomst van de berekening van deze premie niet laat beinvloeden door de min of meer toevallige omstandigheid of de werkgever ruim voor de inwerkingtreding van de Wet Pemba heeft verzocht om omzetting met overboeking, dan wel van de vraag of de werkgever zijn verzoek zo heeft geformuleerd dat verweerder het ook als zodanig heeft herkend.

De rechtbank acht verweerders uitvoeringspraktijk in deze dermate structureel inconsistent, dat moet worden geconcludeerd dat sprake is van een willekeurige behandeling van de betreffende werkgevers, die voor werkgevers als eiseres ook tot willekeurige resultaten leidt bij de berekening van de gedifferentieerde WAO-premie.

Dit betekent dat het besluit is genomen in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, in welke wetsbepaling het verbod van willekeur ligt besloten.

Uit het vorenstaande volgt dat nu het bestreden besluit op die grond wordt vernietigd, hetgeen van de zijde van eiseres overigens in beroep is aangevoerd in dit geding geen bespreking meer behoeft.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb het Lisv te gelasten het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden en om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op f l. 1.775,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

Er dient dan ook als volgt te worden beslist.

3. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het besluit van 27 april 1999,

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaarschrift van eiseres met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene,

bepaalt voorts dat het Lisv het door eiseres in dit geding betaalde griffierecht van fl. 450,- aan haar vergoedt,

en veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in dit geding ten bedrage van fl. 1.775,- te betalen door het Lisv.

Aldus vastgesteld door mr. drs. R. in 't Veld, lid van de enkelvoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2001.

de griffier: het lid van de

enkelvoudige kamer:

mr. J.J.A.G. van der Bruggen mr. drs. R. in 't Veld

(bij afwezigheid van de behandelend

griffier C.H. Norde)

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.