Home

Rechtbank 's-Gravenhage, 18-10-2012, BY1799, AWB 12/9181

Rechtbank 's-Gravenhage, 18-10-2012, BY1799, AWB 12/9181

Gegevens

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18 oktober 2012
Datum publicatie
31 oktober 2012
ECLI
ECLI:NL:RBSGR:2012:BY1799
Zaaknummer
AWB 12/9181

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2012 heeft verweerder verzoekster geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het wijzigen van de gevels en de indeling van de bestaande winkelruimte ten behoeve van een supermarkt. Verzoekster stelt voorop dat de door haar aangevraagde omgevingsvergunning alleen betrekking heeft op het bouwkundig gewijzigd uitvoeren van enkele, ondergeschikte, aspecten van hetgeen in de onherroepelijke omgevingsvergunning van 20 januari 2011 is vergund. De voorzieningenrechter overweegt dat er op dit moment sprake is van een onherroepelijke op naam van verzoekster gestelde omgevingsvergunning, die het mogelijk maakt dat een winkel met een (BVO) van circa 1779 m² daar wordt geëxploiteerd. Bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid behoeft alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van de wijzigingen in het bouwplan waarvoor op 21 juni 2012 vergunning is aangevraagd. De voorzieningenrechter neemt als vaststaand aan dat van een uitbreiding van de winkeloppervlakte met de nieuwe aanvraag geen sprake is. Omdat met de aanvraag van 21 juni 2012 geen sprake is van een uitbreiding van de reeds bestaande winkelruimte en derhalve geen rekening dient te worden gehouden met een toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan, heeft verweerder ten onrechte de weigering van de vergunning gestoeld op strijd met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening. De voorzieningenrechter ziet in afwachting van de beslissing op bezwaar aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin, dat het besluit van verweerder van 19 september 2012 wordt geschorst tot zes weken na de datum van verzending van de beslissing op het daartegen ingediende bezwaarschrift en dat wordt uitgegaan van een situatie als ware de aangevraagde omgevingsvergunning conform de aanvraag van verzoekster aan haar verleend.

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/9181

uitspraak ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening van

Lidl Nederland GmbH, gevestigd te Huizen, verzoekster,

gemachtigde: mr. R.J.H. Minkhorst, advocaat te Nijmegen,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2012 heeft verweerder verzoekster geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het wijzigen van de gevels en de indeling van de bestaande winkelruimte ten behoeve van een supermarkt op het perceel, plaatselijk bekend Ouvertureweg 81 tot en met 85 te Alphen aan den Rijn, kadastraal bekend gemeente Oudshoorn, sectie C, nummers 7728, 7729 en 7924.

Tegen dat besluit heeft verzoekster bij brief van 21 september 2012 bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij brief van 25 september 2012 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 11 oktober 2012 ter zitting behandeld.

Verzoekster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [A] en [B], bijgestaan door mr. B. de Haan, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder was ter zitting vertegenwoordigd door [C] en [D].

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. Verzoekster heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot het primaire besluit van 19 september 2012. Het besluit betreft het weigeren van de aangevraagde omgevingsvergunning.

3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Op 22 november 2010 heeft [E] Beheer BV, gevestigd te Alphen aan den Rijn een aanvraag ingediend voor het intern verbouwen van een winkelpand, kadastraal bekend gemeente Oudshoorn, sectie C, nummers 07728, 07729 en 07924, plaatselijk bekend Ouvertureweg 81, 83 en 85 te Alphen aan den Rijn. Verweerder heeft bij besluit van 18 januari 2011, verzonden op 20 januari 2011, de gevraagde omgevingsvergunning aan [E] Beheer BV verleend. Het bouwplan paste binnen het geldende bestemmingsplan "Ridderveld". Op 23 april 2012 is de omgevingsvergunning voor de verbouwing van de winkelruimte aan de Ouvertureweg 81 tot en met 85 te Alphen aan den Rijn op naam van verzoekster gesteld. Deze vergunning is in rechte komen vast te staan. Op de onderhavige locatie waren voorheen (detailhandel)vestigingen van Seasons (tuinmeubelen), Cineland (videotheek) en de Alphense tijdschriften centrale (leesmappen) gevestigd. De totale bruto vloeroppervlakte (BVO) van het pand is circa 1779 m² BVO uitgaande van een begane grond en een verdieping (opgave Lidl). Op 21 juni 2012 heeft verzoekster bij verweerder een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aangevraagd voor de activiteit bouwen. Het betreft het wijzigen van de gevels en de indeling van de bestaande winkelruimte op het perceel plaatselijk bekend Ouvertureweg 81 tot en met 85 te Alphen aan den Rijn. Verweerder heeft de aangevraagde omgevingsvergunning bij besluit van 19 september 2012 geweigerd omdat de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden aannemelijk maken dat niet wordt voldaan aan de voorschriften zoals gesteld in artikel 2.5.30 van de Bouwverordening.

4. Verweerder stelt zich allereerst op het standpunt dat sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening nu het bouwplan niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Voor een supermarkt wordt volgens verweerder een parkeernorm van 4 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO aangehouden. Er zijn

71 parkeerplaatsen benodigd, aldus verweerder. Daarnaast is volgens verweerder sprake van strijd met het bepaalde in artikel 2.5.30, derde lid, van de Bouwverordening omdat er als gevolg van het bouwplan onvoldoende ruimte is voor het laden of lossen van goederen. Uit het bestreden besluit kan worden opgemaakt, en ter zitting is dit door verweerder bevestigd, dat hiervoor door verweerder ontheffing is verleend. Verweerder is niet bereid op grond van het vierde lid ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid.

5. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is slechts plaats indien twijfel bestaat aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit en een zwaarwegend spoedeisend belang maakt dat het voor verzoekster onevenredig bezwaarlijk zou zijn de beslissing op het bezwaar te moeten afwachten. Verzoekster betoogt een spoedeisend belang te hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat de huidige omstandigheden van het onderhavige perceel leiden tot overlast en een onveilige situatie, nu de reeds verrichte bouwwerkzaamheden - op grond van de eerder onherroepelijk verleende omgevingsvergunning van 20 januari 2011 - midden in een woon/winkelgebied plaatsvinden. De weigering van de door verzoekster aangevraagde vergunning leidt ertoe dat er (nagenoeg) geen werkzaamheden meer verricht kunnen worden. Daarnaast leidt het niet kunnen voortzetten van de bouwwerkzaamheden tot een aanzienlijke schade voor verzoekster.

6. De voorzieningenrechter ziet in de geschetste omstandigheden en voldoende zwaarwegend spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Ten aanzien van de rechtmatigheid van het bestreden besluit overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

7. Op 1 oktober 2010 is de Wabo in werking is getreden. Deze wet voorziet in de samenvoeging van in verschillende wettelijke regelingen neergelegde stelsels van vergunningen en toestemmingen, waaronder het in de Woningwet neergelegde verbod tot bouwen zonder bouwvergunning. Hiervoor in de plaats is in de Wabo het verbod opgenomen tot het verrichten van daarin beschreven activiteiten zonder omgevingsvergunning.

7.1 Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

7.2 In artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat een omgevingsvergunning betrekking hebbend op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, wordt geweigerd indien sprake is van een van de daar gegeven weigeringsgronden.

Ingevolge het bepaalde onder b dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de Bouwverordening.

8. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening moet indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

8.1 Ingevolge het tweede lid moet de in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: ( a ). indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;

( b ). indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte -voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.

8.2 In het derde lid van dit artikel is bepaald dat indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, in deze behoefte in voldoende mate moet zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

8.3 In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning kan verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid: ( a ). indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of ( b ). voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

9. Niet in geschil is dat het bouwplan in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Ridderveld". De onderhavige weigering is louter gebaseerd op vermeende strijdigheid met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening.

10. Verzoekster stelt voorop dat de door haar aangevraagde omgevingsvergunning alleen betrekking heeft op het bouwkundig gewijzigd uitvoeren van enkele, ondergeschikte, aspecten van hetgeen in de onherroepelijke omgevingsvergunning van 20 januari 2011 is vergund. In deze onherroepelijke vergunning is een winkelruimte (detailhandel), waaronder volgens verzoekster ook een supermarkt moet worden begrepen, met een zelfde bruto vloeroppervlak als ook in de onderhavige aanvraag vergund. De wijzigingen hebben slechts betrekking op het wijzigen van enkele bouwkundige aspecten, zoals een pui, een gedeelte van de vloerconstructie en een trapopgang. De winkelruimte wordt niet vergroot en het gebruik (detailhandel) wordt niet anders. Ook de bezoekerscapaciteit wordt, als gevolg van het bouwplan, waarvoor op 21 juni 2012 een vergunning is aangevraagd, niet uitgebreid. Nu geen sprake is van een uitbreiding van het bruto vloeroppervlak leidt het bouwplan waarvoor op 21 juni 2012 een vergunning is aangevraagd dan ook niet tot een toename van de parkeerbehoefte en hoeven er om die reden geen extra parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd te worden. De omgevingsvergunning kan derhalve niet op grond van strijd met de parkeernorm worden geweigerd.

11. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat het betoog van verzoekster slaagt. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat er op dit moment sprake is van een onherroepelijke op naam van verzoekster gestelde omgevingsvergunning, die het mogelijk maakt dat een winkel met een (BVO) van circa 1779 m² daar wordt geëxploiteerd. Bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid behoeft alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van de wijzigingen in het bouwplan waarvoor op 21 juni 2012 vergunning is aangevraagd. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2004, LJN: AQ5735. De voorzieningenrechter neemt als vaststaand aan dat van een uitbreiding van de winkeloppervlakte met de nieuwe aanvraag geen sprake is. De totale bruto vloeroppervlakte is en blijft circa 1779 m2. De wijzigingen hebben slechts betrekking op het wijzigen van enkele bouwkundige aspecten, zoals een pui, een gedeelte van de vloerconstructie en een trapopgang. De winkelruimte wordt niet vergroot en het gebruik wordt niet anders. Voor zover de verandering van "winkel" in "supermarkt" als functiewijziging zou moeten worden aangemerkt, was die wijziging al aan de orde bij het vorige bouwplan waarvoor in januari 2011 vergunning is verleend zodat dit thans niet meer aan de orde kan komen. Omdat met de aanvraag van 21 juni 2012 geen sprake is van een uitbreiding van de reeds bestaande winkelruimte en derhalve geen rekening dient te worden gehouden met een toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan, heeft verweerder ten onrechte de weigering van de vergunning gestoeld op strijd met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening.

In dit verband merkt de voorzieningenrechter nog op dat, nu binnen de bestemming "detailhandel" meerdere categorieën winkels mogelijk zijn en voor bepaalde categorieën winkels een hogere parkeernorm geldt, het op de weg van verweerder had gelegen nadere vragen te stellen over de aanvraag van 22 november 2010 dan wel (zekerheidshalve) een hoge(re) parkeernorm te stellen. Dat verweerder dit toen heeft nagelaten, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden hersteld in onderhavige procedure.

12. Uit het vorenstaande volgt dat er twijfel bestaat of het bestreden besluit in bezwaar stand zal kunnen houden. Hierin ziet de voorzieningenrechter in afwachting van de beslissing op bezwaar aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

13. Verweerder wordt met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb veroordeeld in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskostenbestuursrecht vastgesteld op € 874 (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin, dat het besluit van verweerder van 19 september 2012 wordt geschorst tot zes weken na de datum van verzending van de beslissing op het daartegen ingediende bezwaarschrift en dat wordt uitgegaan van een situatie als ware de aangevraagde omgevingsvergunning conform de aanvraag van verzoekster aan haar verleend;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 874 welke kosten verweerder aan verzoekster dient te vergoeden;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht, te weten € 310, vergoedt.

De uitspraak is gedaan door mr.drs. H.M. Braam, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van G.J. Buitendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.