Home

Rechtbank Rotterdam, 24-06-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6044, ROT 20/2450

Rechtbank Rotterdam, 24-06-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6044, ROT 20/2450

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24 juni 2021
Datum publicatie
28 juni 2021
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2021:6044
Zaaknummer
ROT 20/2450

Inhoudsindicatie

niet-ontvankelijk door overschrijding beroepstermijn.

Uitspraak

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/2450

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder

(gemachtigde: I. Keric).

Procesverloop

In het besluit van 15 januari 2020, op schrift gesteld op 16 januari 2020, (primair besluit) heeft verweerder met toepassing van bestuursdwang het voertuig van eiser verwijderd van de openbare weg.

In het besluit van 20 maart 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Eiser en verweerder hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2021. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van het voertuig met kenteken [kentekennummer] (het voertuig). Toezichthouders van de gemeente Rotterdam hebben op woensdag 15 januari 2020 om 09.20 uur op de locatie Breeweg te Rotterdam geconstateerd dat het voertuig hinderlijk geparkeerd stond in een parkeervak waar vanaf 13 januari 2020 te 07.00 uur een parkeerverbod was ingesteld in verband met werkzaamheden. Verweerder heeft met toepassing van bestuursdwang het voertuig verwijderd van de openbare weg. De kosten voor het wegslepen van € 201,77 en de opslagkosten van € 13,92 per dag worden bij eiser in rekening gebracht.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het bezwaar niet-ontvankelijk is, omdat het geconstateerde verzuim niet binnen de gegeven termijn is hersteld. Het bezwaarschrift is namelijk niet ondertekend.

3.1

De rechtbank dient zich allereerst uit te laten over de vraag of het beroep van eiser ontvankelijk is. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9 van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen, dan wel het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.

3.2

Het bestreden besluit is gedateerd op 20 maart 2020 en volgens verweerder op die datum per gewone post aan eiser gezonden. De beroepstermijn is daarom in beginsel op 21 maart 2020 gaan lopen en op 1 mei 2020 afgelopen. Het beroepschrift is gedateerd op 29 april 2020 en op de envelop waarin het beroepsschrift is verstuurd staat een poststempel van 4 mei 2020. Het beroepschrift is op 6 mei 2020 door de rechtbank ontvangen.

3.3

Eiser stelt dat de reden voor het pas na 1 mei 2020 indienen van het beroepschrift is dat de post nooit bij hem is aangekomen of te laat is bezorgd. Ook is de hulpverlening maar beperkt open. De rechtbank heeft eiser op 21 augustus 2020 gevraagd welke reden er nu precies toe heeft geleid dat hij het beroepschrift niet voor het einde van de beroepstermijn heeft ingediend. Hierop heeft eiser niet gereageerd. Ook is eiser niet verschenen op zitting.

3.4

Omdat eiser niet heeft gereageerd op de brief van de rechtbank van 21 augustus 2020 en ook niet op de zitting is verschenen, is onduidelijk wat precies de reden is geweest voor de termijnoverschrijding. Eiser heeft het bestreden besluit wel ontvangen, aangezien hij daarin het kenmerk van het bestreden besluit (A.B. 2020 4.01605/SK) heeft vermeld. De stelling dat eiser het bestreden besluit te laat zou hebben ontvangen, is in strijd met de stelling dat hij het bestreden besluit nooit heeft ontvangen. Bovendien is de stelling over de te late ontvangst niet nader onderbouwd: onduidelijk is wanneer eiser het bestreden besluit dan wel zou hebben ontvangen. De rechtbank ziet in deze onjuiste, tegenstrijdige en ongemotiveerde stellingen van eiser reden om ondanks het ontbreken van bewijs van verzending uit te gaan van de juistheid van de stelling van verweerder dat het bestreden besluit op 20 maart 2020 aan eiser is verzonden. Dat de hulpverlening volgens eiser maar beperkt open is, levert geen verschoonbaarheid op. Niet aannemelijk is dat er in de beroepstermijn van zes weken geen enkel moment was waarop eiser, van zijn vaste of een andere hulpverlener, hulp kon krijgen bij het indienen van een beroepschrift.

4. De door eiser aangevoerde redenen voor overschrijding van de beroepstermijn leiden niet tot de conclusie dat die overschrijding niet aan eiser is toe te rekenen en daarom verschoonbaar is. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van Ommeren, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2021.

De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel