Home

Rechtbank Rotterdam, 08-11-2006, AZ3035, 208799 / HA ZA 04-10

Rechtbank Rotterdam, 08-11-2006, AZ3035, 208799 / HA ZA 04-10

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
8 november 2006
Datum publicatie
27 november 2006
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2006:AZ3035
Zaaknummer
208799 / HA ZA 04-10
Relevante informatie
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) [Tekst geldig vanaf 01-08-2022], Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) [Tekst geldig vanaf 01-08-2022]

Inhoudsindicatie

Vordering vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Afgewezen op grond van belangenafweging.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 208799 / HA ZA 04-10

Uitspraak: 8 november 2006

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. de erven van wijlen [eiser sub 3],

overleden te [woonplaats] op 5 maart 2003, te weten:

a. [eiser sub 4],

wonende te [woonplaats],

b. [eiserer sub 5],

wonende te [woonplaats],

c. [eiser sub 6],

wonende te [woonplaats],

d. [eiser sub 7],

wonende te [woonplaats],

e. [eiser sub 8],

wonende te [woonplaats],

f. [eiser sub 9],

wonende te [woonplaats],

eisers,

hierna ook te noemen: [eisers],

procureur: mr. W.L. Stolk,

advocaat: mr. A. van der Weijden te Haarlem,

- tegen -

de vennootschap naar Engels recht ACE EUROPEAN GROUP Ltd,

rechtsopvolgster van de vennootschap naar buitenlands recht ACE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

hierna ook te noemen: ACE,

procureur mr. J.G.A. van Zuuren.

advocaten: mrs. F. Stadermann en A. van Duijn-Koopman.

1. Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

- het tussenvonnis van 21 december 2005 en de daarin genoemde stukken;

- het vonnis van 5 april 2006, waarbij het verzoek van ACE om tussentijds hoger beroep open te stellen is afgewezen;

- de akte na tussenvonnis van ACE;

- de antwoordakte.

2. De verdere beoordeling

2.1 Bij voormeld tussenvonnis is overwogen en beslist dat sprake is geweest van een ongeval in de zin van de polisvoorwaarden, alsmede dat het beroep van ACE op het vervalbeding van artikel 8.1 van de polisvoorwaarden faalt.

Vervolgens is overwogen dat, voor zover ACE in rechte een beroep doet op de uitsluitingsgronden van de artikelen 7.7 en 7.9 van de polisvoorwaarden, zij in de gelegenheid wordt gesteld zich daarover nader uit te laten.

2.2 Bij akte heeft ACE aangegeven zich dienaangaande alle rechten voor te behouden, maar in deze instantie daar verder niet nader op in te gaan. ACE wenst de in het tussenvonnis genomen eindbeslissingen in hoger beroep aan te vechten.

2.3 Reeds op grond van deze proceshouding behoeven de uitsluitingsgronden van de artikelen 7.7 en 7.9 van de polisvoorwaarden thans geen verdere beoordeling. Gelet op hetgeen reeds is overwogen en beslist in het tussenvonnis is de vordering van [eisers] van € 226.890,11 toewijsbaar, als (onbetwist) gevorderd te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 april 2001. Voorts is als onweersproken toewijsbaar de vordering van € 2.653,09 wegens buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de dagen van betaling van de desbetreffende nota’s.

2.4 [eisers] heeft gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Bij voormelde akte heeft ACE hiertegen verweer gevoerd, zulks met het oog op het restitutierisico. Subsidiair verzoekt ACE dat zekerheid wordt gesteld door [eisers], althans betaling kan plaatsvinden op een derdenrekening. [eisers] heeft zijn vordering tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring bij antwoordakte gemotiveerd gehandhaafd.

2.5 Ingevolge artikel 233 Rv kan de rechtbank dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Bij de beantwoording van de vraag of van die bevoegdheid gebruik dient te worden gemaakt, spelen de wederzijdse belangen van partijen, bezien in het licht van de omstandigheden van het geval, een bepalende rol. Naar het oordeel van de rechtbank is in casu het belang van ACE om restitutierisico te vermijden zwaarwegender dan het belang van [eisers] bij directe verkrijging van de in deze instantie toegewezen verzekeringsuitkering. Daarbij is in aanmerking genomen dat het om een aanzienlijke uitkering gaat, die zou plaatsvinden aan een nalatenschap, waarbij een relatief groot aantal partijen is betrokken. In deze situatie kan het restitutierisico niet op voorhand gering worden geacht, zodat ACE geacht moet worden een reëel en redelijk belang op dit punt te hebben. Omtrent een hiertegenover staand concreet belang bij directe invordering, niettegenstaande het door ACE aangekondigde hoger beroep, heeft [eisers] niets gesteld. De enkele verwachting dat een hoger beroepsprocedure een aantal jaren kan gaan duren, is hiervoor onvoldoende.

In de proceshouding van ACE ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De vordering het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zal derhalve worden afgewezen.

2.6 ACE dient als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het geding te dragen, met inbegrip van de kosten van de op 3 mei en 10 september 2004 gehouden voorlopige getuigenverhoren.

[eisers] vordert als onderdeel van de kosten van het geding vergoeding van kosten gepaard gaande met de in zijn opdracht uitgebrachte deskundigenrapportages. Dergelijke kosten vallen niet onder de op basis van het zogenoemde liquidatietarief te begroten proceskosten. Zij kunnen bij gebreke van een specificatie en verdere onderbouwing evenmin worden toegewezen als expertisekosten in de zin van artikel 6:96 BW.

3. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt ACE tot betaling aan [eisers] van € 226.890,11, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 april 2001 tot de dag van voldoening;

veroordeelt ACE tot betaling aan [eisers] van € 2.653,09, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van veertien dagen na de dagen van betaling van de desbetreffende nota’s, tot de dag van voldoening;

veroordeelt ACE in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 3.863,00,= aan vast recht, op € 81,16 aan exploitkosten en op € 13.000,00 aan salaris voor de procureur;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans.

Uitgesproken ter openbare zitting.

[1694]