Home

Rechtbank Midden-Nederland, 09-12-2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:5579, NL19.22661

Rechtbank Midden-Nederland, 09-12-2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:5579, NL19.22661

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
9 december 2020
Datum publicatie
21 december 2020
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2020:5579
Zaaknummer
NL19.22661

Inhoudsindicatie

Bancaire zorgplicht. Wat geldt tussen partijen met betrekking tot de aanwending van verkoopopbrengsten van vastgoedobjecten waarop de bank een (bank)hypotheek heeft en het eindigen/doorhalen van die (bank)hypotheek? Is de bank aansprakelijk wegens een blokkade van de verkoopopbrengst van één van die vastgoedobjecten? Mocht de bank cliënte dwingen verkoopopbrengsten aan te wenden voor de aflossing van kredieten? Heeft de bank in strijd met haar zorgplicht gedreigd met opzegging?

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL19.22661

Vonnis van 9 december 2020

in de zaak van

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[eiseres sub 1] ,2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[eiseres sub 2] B.V.,3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[eiseres sub 3] B.V.,

alle gevestigd in [vestigingsplaats] ,eiseressen, hierna samen te noemen: [eiseressen c.s.] ,advocaat mr. W.F. Hendriksen,

tegen

de coöperatieCoöperatieve Rabobank U.A.,gevestigd in Amsterdam, mede kantoorhoudende in Utrecht,verweerster, hierna te noemen: Rabobank,advocaat mr. R.L. Louwen.

1 De procedure

1.1.

Tijdens de procedure zijn de volgende stukken ingediend:

-

de procesinleiding met producties 1 tot en met 26;

-

het verweerschrift met producties 1 tot en met 10;

-

de akte met aanvullende producties 27 tot en met 33 van [eiseressen c.s.] ;

-

twee ongenummerde producties van [eiseressen c.s.] (brieven van de heer [A] van 7 oktober 2020 en 12 oktober 2020, deze laatste met bijlagen).

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling van 14 oktober 2020 hebben partijen vragen van de rechtbank beantwoord en hun standpunten nader toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel zijn van de gedingstukken. Van de mondelinge behandeling zijn door de griffier zittingsaantekeningen gemaakt, die aan partijen zijn verstrekt. Na afloop van de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken dat zij minnelijk overleg gaan voeren en is afgesproken dat zij uiterlijk op 28 oktober 2020 aan de rechtbank laten weten of dat overleg tot een oplossing heeft geleid. Partijen hebben laten weten dat het minnelijk overleg niet tot een oplossing heeft geleid. Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1.

[eiseres sub 1] (hierna: [eiseres sub 1] ) is een in 1970 opgerichte vastgoedonderneming. De heer [B] is indirect enig aandeelhouder van [eiseres sub 1] . [eiseres sub 1] heeft een aantal (klein)dochtervennootschappen, waaronder [eiseres sub 2] B.V. en [eiseres sub 3] B.V. (hierna: [eiseres sub 3] ).

2.2.

[eiseressen c.s.] bankierde in het verleden voornamelijk bij FGH Bank, die op enig moment een dochteronderneming van Rabobank werd. FGH Bank verstrekte aan [eiseressen c.s.] voornamelijk leningen in ‘parapluverband’, waarbij een lening werd gebruikt voor de aankoop van verschillende onroerende zaken (hierna ook: objecten). Als zekerheid voor deze leningen heeft [eiseressen c.s.] in de loop van de tijd op verschillende objecten hypotheekrechten gevestigd ten gunste van FGH Bank. In 2017 is FGH Bank opgegaan in Rabobank. Alle rechten en verplichtingen van FGH Bank ten opzichte van [eiseressen c.s.] zijn overgegaan op Rabobank. De afgelopen jaren liepen er zeven tot tien leningen met een gezamenlijke hoofdsom van ongeveer € 27 miljoen, waarvan eind 2017 nog ongeveer € 16,6 miljoen resteerde. Daarvan bestond ongeveer € 15 miljoen uit leningen aan [eiseres sub 1] en ongeveer € 1,6 miljoen aan [eiseres sub 3] . De totale resterende hoofdsom bedroeg eind 2018 ongeveer € 11 miljoen en medio 2019 € 6,5 miljoen. Later is dit verder afgebouwd naar ongeveer € 3 miljoen.

2.3.

In januari 2018 liet Rabobank aan [eiseressen c.s.] weten dat zij bezig was met een jaarlijkse ‘kredietrevisie’ van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 3] . Daarnaast meldde Rabobank dat zij zich boog over de vraag of en onder welke voorwaarden zij één van de leningen aan [eiseres sub 1] (met nummer [nummer] ), die op 1 november 2017 was verlopen, kon herfinancieren. Rabobank vroeg in verband hiermee in de eerste maanden van 2018 verschillende soorten informatie op: informatie over juridische organisatiestructuur van [eiseres sub 1] en haar dochtervennootschappen, informatie over de financiële prestaties en informatie over energielabels. Rabobank heeft op 7 februari 2018 specifiek gevraagd om een opgave van de geconsolideerde liquiditeitspositie van [eiseres sub 1] per ultimo 2017. Die vraag was ingegeven door de bevinding van Rabobank dat [eiseres sub 1] over het boekjaar 2016 een negatieve kasstroom kende. Rabobank heeft later erkend dat deze bevinding onjuist was.

2.4.

De informatieverzoeken van Rabobank, naast andere gebeurtenissen, leidden tot discussies tussen partijen. Partijen zijn het uiteindelijk erover eens geworden dat het krediet binnen enkele jaren zal worden teruggebracht naar nul. In deze procedure stelt [eiseressen c.s.] enkele discussiepunten uit het verleden aan de orde.

2.5.

[eiseressen c.s.] verwijt Rabobank dat zij ten opzichte van [eiseressen c.s.] haar zorgplicht heeft geschonden, als gevolg waarvan zij schade heeft geleden. Aan haar vorderingen legt [eiseressen c.s.] de volgende verwijten aan Rabobank ten grondslag:

(i) Rabobank heeft in juni 2018 ten onrechte uit de verkoopopbrengst van het object ‘ [object 1] ’ in [vestigingsplaats] voortvloeiende banksaldi van [eiseressen c.s.] geblokkeerd en deze blokkade te lang gehandhaafd.

(ii) In het kader van verkoop en levering van verschillende objecten door [eiseressen c.s.] heeft Rabobank aan ‘royement’ van haar hypotheekrecht op het betreffende object ten onrechte de voorwaarde verbonden dat de opbrengst volledig voor aflossing wordt aangewend (het ‘royementsbeleid’).

(iii) Rabobank heeft ten onrechte gedreigd met opzegging van de leningen.

2.6.

[eiseressen c.s.] vordert – zo begrijpt de rechtbank – een verklaring voor recht dat Rabobank in verband met de zorgplichtschendingen aansprakelijk is, en betaling van schadevergoeding op te maken bij staat, met rente en kosten. Rabobank heeft verweer gevoerd. De standpunten van partijen zullen hierna nader aan de orde komen, voor zover deze relevant zijn voor de beslissing.

3 De beoordeling

4 De beslissing