Home

Rechtbank Limburg, 09-03-2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:1922, 03/703281-09

Rechtbank Limburg, 09-03-2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:1922, 03/703281-09

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
9 maart 2020
Datum publicatie
10 maart 2020
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2020:1922
Zaaknummer
03/703281-09

Inhoudsindicatie

Megazaak Landlord. Veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken wegens het medeplegen van het valselijk laten opmaken van een notariële akte.

Uitspraak

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/703281-09

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 maart 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

wonende te [adres 1] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J. Faber, advocaat kantoorhoudende te Eindhoven.

1 Onderzoek van de zaak

De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 11 oktober 2013 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, waarna de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 12 november 2015 dit vonnis vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank teneinde deze op de bestaande tenlastelegging te berechten en af te doen.

De rechtbank heeft de zaak vervolgens inhoudelijk behandeld op de zittingen van 1, 6, 15 en 18 november 2019. Op de zitting van 4 maart 2020 is het onderzoek gesloten. De verdachte en haar raadsman zijn – met uitzondering van 4 maart 2020 – op voornoemde dagen verschenen. De officieren van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, na wijziging tenlastelegging, kort en feitelijk weergegeven op neer dat de verdachte al dan niet samen met anderen:

feit 1: het pand aan de [adres 2] te [plaats 1] heeft witgewassen;

feit 2: in een notariële akte een valse opgave heeft doen opnemen aangaande de koopprijs van het pand [adres 2] te [plaats 1] ;

feit 3: een factuur valselijk heeft opgemaakt/vervalst (sub a) en deze factuur als echt te (doen) gebruiken bij Aegon Schadeverzekering (sub b) en/of Aegon Schadeverzekeringen heeft opgelicht.

3 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

3.1

Niet-ontvankelijkheid in verband met overschrijding van de redelijke termijn

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich – zoals opgenomen in de overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de officieren van justitie niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de strafvervolging. Daartoe heeft de raadsman – onder verwijzing naar uitspraken van de rechtbank Limburg d.d. 24 oktober 2017 (ECLI:NL:RBLIM:2017:10406 ) – betoogd dat er sprake is van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn die in overwegende mate te wijten is aan het openbaar ministerie en waardoor tevens het verdedigingsbelang en het belang van waarheidsvinding zijn geschonden.

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich – onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad – op het standpunt gesteld dat een ernstige overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen, maar wordt verdisconteerd in de eventueel op te leggen straf. In dit kader hebben zij ook gewezen op de beschikking van de raadkamer van deze rechtbank d.d. 28 mei 2019 in de zaak van verdachte, waarin het verzoek tot beëindiging van de strafzaak op grond van inactiviteit van het openbaar ministerie ongegrond is verklaard. De rechtbank merkt daarin op dat er nooit toezeggingen of gedragingen zijn geweest zijdens het openbaar ministerie, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het openbaar ministerie de vervolging niet zou voortzetten en dat verdachte ook zelf niet heeft verzocht om een spoedige behandeling van de zaak.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het tijdsverloop in deze zaak moet worden aangemerkt als een overschrijding van de redelijke termijn. Als beginpunt voor de redelijke termijn neemt de rechtbank de datum waarop de eerste doorzoeking bij verdachte heeft plaatsgevonden, te weten 16 juni 2009. Er zijn in de tussentijd bijna tien jaar en negen maanden verstreken, zodat er op datum uitspraak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna acht jaar en negen maanden.

Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad leidt overschrijding van de redelijke termijn

-ook wanneer deze zeer aanzienlijk is- niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen (HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Recenter heeft de Hoge Raad aangegeven dat voor herijking van de vuistregels zoals vastgelegd in genoemd arrest geen noodzaak bestaat

(HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:558). Vermindering van de op te leggen straf is volgens de Hoge Raad de aangewezen sanctie.

In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de door de Hoge Raad in zijn arrest van 17 juni 2008 duidelijk omschreven regel. De verdediging heeft gewezen op de ongunstige invloed van tijdsverloop op de beoordeling van de feiten, zoals verbleking van de herinnering van mogelijke getuigen en van verdachte zelf en op andere gevolgen die kunnen leiden tot hindering van de verdedigingsmogelijkheden. Het voorschrift van artikel 6 van het EVRM over de redelijke termijn beoogt dit tegen te gaan. Dit heeft de Hoge Raad echter reeds betrokken bij zijn afweging om te komen tot de in genoemde arresten gemaakte vuistregels over de consequenties die verbonden dienen te worden aan een schending van de redelijke termijn.

Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.

3.2

Niet ontvankelijkheid in verband met sepot

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich – zoals opgenomen in de overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de officieren van justitie met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat deze feiten op 6 juni 2006 zijn geseponeerd wegens het ontbreken van wettig bewijs. Verdachte was op basis van de aangiften van [naam 1] en Aegon Schadeverzekeringen gehoord, maar er was geen bewijs voor haar betrokkenheid. In 2011 werd de vervolging hervat vanwege het bestaan van nieuwe bezwaren tegen verdachte, echter de beweerdelijke noviteiten zijn in het geheel niet gericht op verdachte. In de visie van de verdediging is er dan ook geen sprake van nieuwe bezwaren jegens verdachte als bedoeld in artikel 255 eerste lid van het Wetboek van Strafvordering. Het hervatten van de vervolging druist in tegen het vertrouwensbeginsel en is in strijd met artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. De officieren van justitie dienen met betrekking tot dit feit niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben -onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX4280) aangevoerd dat de vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie een discretionaire bevoegdheid betreft, die slechts marginaal getoetst kan worden.

In de visie van de officieren van justitie zijn er na de aanvankelijke sepotbeslissing nieuwe bezwaren ontstaan jegens verdachte bestaande uit de in de boekhouding aangetroffen valse facturen, de stukken betreffende de civiele procedure en de aanvullende aangifte van Aegon schadeverzekeringen van 10 mei 2011, de verklaringen van de getuigen [naam 2] en [naam 3] en van medeverdachte [naam 4] . Dit zijn nieuwe feiten en omstandigheden op basis waarvan de hervatting van de vervolging is gerechtvaardigd.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden gebleken:

- op 8 maart 2006 heeft [naam 5] aangifte gedaan van een valselijk opgemaakte factuur over werkzaamheden uitgevoerd bij verdachte;

- op 20 april 2006 heeft [naam 6] namens Aegon Schadeverzekering aangifte tegen verdachte gedaan wegens oplichting;

- op 6 juni 2006 heeft de officier van justitie besloten om af te zien van verdere vervolging van verdachte en een kennisgeving van die beslissing aan verdachte verzonden;

- Aegon Schadeverzekeringen is een civiele procedure gestart jegens verdachte, hetgeen heeft geresulteerd in het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 juli 2010. De uitkomst van deze procedure was dat verdachte het reeds aan haar uitgekeerde verzekeringsgeld moest terugbetalen omdat opzettelijk een valse factuur was verstrekt;

- op 10 mei 2011 is getuige [naam 6] namens Aegon Schadeverzekeringen aanvullend gehoord;

- verdachte is vervolgens op 20 juni 2011 aangehouden en nogmaals gehoord.

In het licht van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de stukken betreffende de civiele procedure en het aanvullende verhoor van getuige [naam 6] met bijbehorende bijlagen kunnen worden aangemerkt als nieuwe bezwaren als bedoeld in artikel 255 van het Wetboek van Strafvordering op grond waarvan verdachte opnieuw in rechte kon worden betrokken en gedagvaard.

Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van de situatie dat geen enkel redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn, ondanks het eerdere sepot.

Het openbaar ministerie is dus ontvankelijk in de vervolging van feit 3.

3.3

Partiële niet-ontvankelijkheid in verband met verjaring

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de onder feit 1 ten laste gelegde variant van schuldwitwassen voor de periode van 1 oktober 2006 tot en met 5 december 2007 is verjaard en het openbaar ministerie derhalve partieel niet-ontvankelijk is in de stafvervolging van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat naast het door het openbaar ministerie genoemde feit 1, feit 3 (oplichting van Aegon Schadeverzekeringen) eveneens is verjaard wat betreft de periode van 1 oktober 2006 tot en met 5 december 2007. Ook daarvoor is het openbaar ministerie partieel niet-ontvankelijk in de strafvervolging van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

In artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat het recht tot strafvervolging in zes jaren vervalt voor de misdrijven waarop een geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. De termijn van verjaring vangt blijkens artikel 71 van het Wetboek van Strafrecht (behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen) aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Op grond van artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht stuit elke daad van vervolging de verjaring waarna een nieuwe verjaringstermijn aanvangt. Ingevolge artikel 72 tweede lid van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering evenwel ten aanzien van misdrijven wanneer vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn, hetgeen neerkomt op een verjaringstermijn van 12 jaren.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde schuldwitwassen

De onder feit 1 (impliciet subsidiair) ten laste gelegde schuldvariant van witwassen zou zijn gepleegd in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 16 juni 2009. Artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht kent een strafbedreiging van maximaal twee jaar. De verjaringstermijn voor dit misdrijf bedraagt derhalve zes jaar (artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht).

Nu de rechtbank uitspraak doet op 9 maart 2020 zijn met betrekking tot een deel van de ten laste gelegde periode, te weten 1 oktober 2006 tot en met 8 maart 2008, inmiddels meer dan 12 jaren verstreken, waardoor het recht tot strafvordering op grond van artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is komen te vervallen. De rechtbank verklaart daarom het openbaar ministerie partieel niet-ontvankelijk in de strafvervolging voor de onder 1 (impliciet subsidiair) ten laste gelegde schuldvariant van witwassen voor de periode 1 oktober 2006 tot en met 8 maart 2008.

Ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde oplichting

De onder 3 ten laste gelegde oplichting van Aegon Schadeverzekering zou zich hebben voorgedaan in de periode van 1 september 2004 tot en met 8 maart 2006. Destijds kende artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht een strafbedreiging van maximaal drie jaren. De verjaringstermijn voor dit misdrijf bedraagt derhalve zes jaren (artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht).

Inmiddels zijn sinds de genoemde ten laste gelegde periode meer dan 12 jaren verstreken, waardoor het recht tot strafvordering op grond van artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is komen te vervallen. De rechtbank verklaart daarom het openbaar ministerie partieel niet-ontvankelijk in de strafvervolging voor dit onderdeel van het onder 3 ten laste gelegde.

4 De beoordeling van het bewijs

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

6 De strafbaarheid van de verdachte

7 De straf en/of de maatregel

8 De wettelijke voorschriften

9 De beslissing