Home

Rechtbank Leeuwarden, 10-05-2011, BR4899, AWB 10/1060

Rechtbank Leeuwarden, 10-05-2011, BR4899, AWB 10/1060

Gegevens

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
10 mei 2011
Datum publicatie
12 augustus 2011
ECLI
ECLI:NL:RBLEE:2011:BR4899
Zaaknummer
AWB 10/1060

Inhoudsindicatie

beroep niet-ontvankelijk omdat eisers geen zienswijzen hebben ingediend - naar het oordeel van de rechtbank kan hen dit redelijkerwijs worden verweten - eisers hebben geen gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen aan de mededelingen van de baliemedewerker

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/1060

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 mei 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eisers], beiden wonende te [woonplaats], eisers,

Gemachtigde: mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel,

verweerder,

gemachtigde: W.P. Spijker, werkzaam bij de gemeente Tytsjerksteradiel.

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2010 heeft verweerder [de vergunninghouders] (hierna: de vergunninghouders) ontheffing en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een erker (hierna: het bestreden besluit). Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft het bezwaarschrift als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank.

De rechtbank heeft de vergunninghouders in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. De vergunninghouders hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt en zij hebben een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank van 24 februari 2011. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens verweerder is voornoemde gemachtigde verschenen. Namens de vergunninghouders is [de vergunninghouder] (hierna: [de vergunninghouder]) verschenen. Verder zijn als getuigen verschenen [de buurman], een buurman van eisers, en [de baliemedewerker], baliemedewerker van de gemeente Tytsjerksteradiel. Tijdens de zitting heeft [de vergunninghouder] verklaard dat hij verweerder zal verzoeken de bouwvergunning in te trekken. Daarop is het onderzoek geschorst in afwachting van de intrekking van de bouwvergunning en de daarop volgende intrekking van het beroep. De getuigen zijn niet gehoord.

Per brief van 1 maart 2011 heeft [de vergunninghouder] de rechtbank meegedeeld dat hij de verklaring, die hij op de zitting van 24 februari 2011 heeft gedaan, intrekt en dat hij de bouwvergunning wil behouden en de erker wil laten bouwen.

De behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van de rechtbank van 17 maart 2011. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens verweerder is verschenen J. Kok, werkzaam bij de gemeente Tytsjerksteradiel. De vergunninghouders zijn niet verschenen. De rechtbank heeft het verzoek van eisers om [de vergunninghouder] op te roepen afgewezen op de grond dat diens verklaring in de brief van 1 maart 2011 over de redenen voor het intrekken van zijn verklaring duidelijk is. De rechtbank heeft het verzoek van eisers om het onderzoek te schorsen in afwachting van een civiele (bodem)procedure met betrekking tot de nakoming van de ter zitting van 24 februari 2011 bereikte schikking, afgewezen. De rechtbank heeft deze afwijzing gebaseerd op de overweging dat geen sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter en dat deze bestuursrechtelijke procedure los staat van een eventueel te voeren civielrechtelijke procedure. De getuigen [de buurman] en [de baliemedewerker] zijn opnieuw verschenen en ditmaal wel gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Motivering

Feiten

1.1 Eisers wonen op het perceel, plaatselijk bekend [adres] te [woonplaats]. De vergunninghouders wonen op het tegenoverliggende perceel, plaatselijk bekend [adres] te [woonplaats] (hierna: het perceel).

1.2 Op 15 februari 2009 hebben de vergunninghouders bouwvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een erker in de voorgevel van de woning op het perceel.

1.3 Op 24 maart 2010 heeft verweerder kennis gegeven van het ontwerp van het op de aanvraag te nemen besluit in het gemeentelijke huis-aan-huisblad "Aktief" (hierna: de Aktief). Met ingang van 25 maart 2010 heeft verweerder het ontwerp gedurende zes weken ter inzage gelegd. Eisers hebben geen zienswijzen over het ontwerp naar voren gebracht.

1.4 Bij het bestreden besluit heeft verweerder met toepassing van artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) ontheffing verleend voor het plaatsen van een erker op het perceel. Daarnaast heeft verweerder de aangevraagde bouwvergunning verleend.

Ontvankelijkheid van het beroep

2.1 Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Burgum Oost" (hierna: het bestemmingsplan) heeft het gedeelte van het perceel waar de erker geplaatst zal worden de bestemming "tuin". Op grond van de planvoorschriften bij de bestemming "tuin", eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor tuin aangewezen gronden bestemd voor tuinen en erkers. Op grond van lid 2.1, onder c, geldt voor het bouwen van erkers dat een erker ten hoogste over 50% van de voorgevel mag worden gebouwd. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat het voorziet in het bouwen van een erker over meer dan 50% van de voorgevel.

2.2 Om toch medewerking te kunnen verlenen aan het bouwplan heeft verweerder met toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening, ontheffing verleend van het bestemmingsplan.

2.3 Indien het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan, wordt aanvraag om bouwvergunning op grond van artikel 46, derde lid, tweede volzin, van de Wro tevens aangemerkt als een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wro. Op grond van het vierde lid wordt de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning in die situatie voorbereid overeenkomstig de procedure die van toepassing is op de voorbereiding van de beslissing omtrent de aanvraag om een ontheffing.

2.4 Op grond van artikel 3.24, derde lid, van de Wro is op de voorbereiding van een besluit omtrent een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Op grond van de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpbesluit ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij verweerder. Deze artikelen maken onderdeel uit van afdeling 3.4 van de Awb.

2.5 Op grond van artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.6 Vast staat dat eisers bij verweerder geen zienswijzen naar voren hebben gebracht tegen de ontwerpbesluiten. Het geschil spitst zich toe op de vraag of hen dit redelijkerwijs kan worden verweten.

2.7 Eisers stellen zich op het standpunt dat dit niet het geval is. Daartoe hebben zij het volgende aangevoerd. Nadat eisers hadden vernomen dat vergunninghouders van plan waren een erker te bouwen, is [eiser] op 22 februari 2010 naar het gemeentehuis gegaan om informatie in te winnen. Eisers stellen dat [eiser] toen uitdrukkelijk aan [de baliemedewerker] heeft gevraagd op welke wijze hij zou kunnen protesteren tegen het bouwplan en dat [de baliemedewerker] toen heeft gezegd dat pas bezwaar kon worden gemaakt tegen het bouwplan, nadat de vergunning zou zijn verleend. [de baliemedewerker] heeft [eiser] aangeraden om de publicaties in de Aktief, onder het kopje "verleende vergunningen" nauwlettend in de gaten te houden. Eisers hebben dit gedaan en hebben bezwaar gemaakt, nadat de bouwvergunning was gepubliceerd in de Aktief van 12 mei 2010. Verder hebben eisers aangevoerd dat [eiser] het bezwaarschrift op 9 juni 2010, in het bijzijn van [de buurman], heeft overhandigd aan [de baliemedewerker] en dat [de baliemedewerker] toen heeft aangegeven dat het bezwaarschrift vrij kansloos was, omdat geen zienswijze was ingediend tegen de ontheffing. Ook heeft [de baliemedewerker] volgens eisers in dit gesprek aangegeven dat hij [eiser] hier in het gesprek van 22 februari 2010 niet op heeft gewezen. Eisers stellen dat zij op het verkeerde spoor zijn gezet door [de baliemedewerker]. Zij hebben de gemeente gevraagd hen te informeren over de rechtsgang en de gemeente heeft hen onjuiste informatie gegeven. Ook heeft verweerder in de publicatie van de bouwaanvraag van 24 februari 2010 niet vermeld dat het tevens om een aanvraag op grond van artikel 3.23 van de Wro ging. Daarom zijn zij van mening dat het niet naar voren brengen van zienswijzen hen redelijkerwijs niet kan worden verweten.

2.8 Ter zitting van 17 maart 2011 heeft [de baliemedewerker] -zakelijk weergegeven- onder meer verklaard dat hij zich het eerste door eisers bedoelde gesprek niet woordelijk kan herinneren, maar dat hij waarschijnlijk heeft gezegd dat bezwaar alleen kan worden gemaakt als de vergunning is verleend. Ook heeft hij waarschijnlijk gezegd dat hij op dat moment nog niet kon vertellen wat er met de vergunning zou gaan gebeuren, omdat daar nog geen besluit over was genomen. Verder heeft [de baliemedewerker] verklaard dat hij er meestal bij zegt dat alles wordt gepubliceerd in de Aktief, maar dat hij niet weet of hij dat ook tegen [eiser] heeft gezegd. Voorts heeft hij verklaard dat hij niet weet of hij in zijn voorlichting aan [eiser] rekening heeft gehouden met een eventuele zienswijzenprocedure. Ook heeft [de baliemedewerker] verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat [eiser] later nog een keer met [de buurman] bij hem is geweest en toen het bezwaarschrift persoonlijk bij hem heeft ingediend, noch dat hij toen gezegd zou hebben dat het bezwaarschrift weinig kans van slagen maakte omdat geen zienswijze is ingediend, noch dat hij zijn excuses zou hebben aangeboden.

2.9 [de buurman] heeft ter zitting van 17 maart 2011 -zakelijk weergegeven- onder meer verklaard dat hij met [eiser] bij [de baliemedewerker] is geweest en dat [de baliemedewerker] toen heeft toegegeven dat hij eerder geen informatie had gegeven over de zienswijzenprocedure, dat dat zijn fout was en dat [de baliemedewerker] zijn excuses daarvoor heeft aangeboden.

2.10 De rechtbank is van oordeel dat eisers redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen zienswijzen naar voren hebben gebracht. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder de ontwerpbouwvergunning en de ontwerpontheffing overeenkomstig artikel 3:11, gelezen in samenhang met artikel 3:16, eerste lid, van de Awb voor de duur van zes weken ter inzage heeft gelegd en dat hij dit overeenkomstig artikel 3:12 bekend heeft gemaakt door publicatie in de Aktief van 24 maart 2010. In deze publicatie is vermeld dat verweerder voornemens is ontheffing op grond van artikel 3.23 van de Wro en bouwvergunning te verlenen voor de aanbouw van een erker op het perceel. Verder is daarin vermeld dat de ontwerpbesluiten met bijbehorende stukken gedurende zes weken na de dag van deze publicatie ter inzage liggen en dat een ieder gedurende die termijn bij verweerder schriftelijk of mondeling zienswijzen kan indienen. Eisers hadden hiervan kennis kunnen nemen. Gelet op het feit dat eisers ervan op de hoogte waren dat de vergunninghouders een bouwaanvraag hadden ingediend, lag het ook op de weg van eisers om de publicaties in de Aktief in de gaten te houden en dan niet alleen de publicaties onder het kopje "verleende vergunningen".

2.11 Op grond van hetgeen eisers hebben aangevoerd en hetgeen de getuigen hebben verklaard, acht de rechtbank aannemelijk dat [de baliemedewerker] [eiser] op 22 februari 2010 naar aanleiding van diens vragen heeft meegedeeld dat pas bezwaar kon worden gemaakt nadat een bouwvergunning is verleend, dat hij in dat kader heeft gewezen op de publicaties in de Aktief en dat hij niet is ingegaan op een eventueel te volgen zienswijzenprocedure. Deze mededelingen doen naar het oordeel van de rechtbank niet af aan hetgeen zij hiervoor heeft overwogen. Deze mededelingen waren juist in het geval dat voor de bouwaanvraag enkel een bouwvergunning vereist zou zijn geweest. [de baliemedewerker] kon op 22 februari 2010 nog niet weten dat een ontheffing nodig zou zijn om medewerking te kunnen verlenen aan de bouwaanvraag en dat dus een zienswijzenprocedure gevolgd zou moeten worden. Dit is pas later duidelijk geworden, nadat de bouwaanvraag inhoudelijk is getoetst aan het bestemmingsplan. Om diezelfde reden is het ook logisch dat bij de publicatie van de bouwaanvraag in de Aktief van 24 februari 2010 niet is vermeld dat het tevens om een aanvraag om ontheffing op grond van artikel 3.23 van de Wro ging. De rechtbank is niet gebleken dat [de baliemedewerker] heeft gezegd dat bezwaar kon worden gemaakt tegen de bouwvergunning wanneer deze alleen verleend kon worden onder verlening van een ontheffing op grond van artikel 3.23 van de Wro. Van [de baliemedewerker] kon niet worden verwacht dat hij bij de beantwoording van de vragen rekening hield met mogelijke vervolgstappen in de procedure van de bouwaanvraag. Daarom hebben eisers aan de mededelingen van [de baliemedewerker] niet het vertrouwen mogen ontlenen dat zij geen zienswijzen behoefden in te dienen tegen de ontwerpbesluiten.

2.12 Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep niet-ontvankelijk is. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen, zoals door eisers is verzocht.

Proceskosten

3. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2011.

w.g. A.T. de Kwaasteniet

w.g. F.F. van Emst

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:13, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.