Home

Rechtbank Leeuwarden, 21-07-2000, AA6593, 00/775 GEMWT

Rechtbank Leeuwarden, 21-07-2000, AA6593, 00/775 GEMWT

Gegevens

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21 juli 2000
Datum publicatie
4 juli 2001
ECLI
ECLI:NL:RBLEE:2000:AA6593
Zaaknummer
00/775 GEMWT

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Sector Bestuursrecht

Uitspraak ex artikel van de Algemene wet bestuursrecht

Reg. nr. 00/775 GEMWT

Inzake het geding tussen:

[C. R.], wonende te Leeuwarden, verzoeker,

gemachtigde: mr. G. Kaaij, advocaat te Leeuwarden,

en

de burgemeester van Leeuwarden, verweerder,

gemachtigde: mr. P.J. Achterhof, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2000, bekendgemaakt op 13 januari 2000, heeft verweerder op grond van art. 174a Gemeentewet besloten de woning op het perceel [V.] (hierna: de woning) in Leeuwarden te sluiten. Het sluitingsbevel geldt voor de periode 1 februari 2000 tot 1 februari 2001. Tegen dit besluit, dat tot de eigenaar van de woning [H.S.] is gericht, hebben verzoeker en [S.] voornoemd op 27 januari 2000 gezamenlijk een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 1 februari 2000 heeft verweerder besloten de effectuering van de sluiting voor een periode van een half jaar op te schorten, onder de voorwaarde dat in de periode 1 februari 2000 tot 1 augustus 2000 door de politie geen gedragingen worden waargenomen, die leiden tot een aantasting van de openbare orde in of bij de hiervoor genoemde woning.

Op 28 juni 2000 heeft verweerder alsnog besloten de hiervoor genoemde woning te sluiten. Het sluitingsbevel gaat in op 15 juli 2000 en geldt tot 15 juli 2001. Dit besluit is per brief van 3 juli 2000 bekendgemaakt.

Tegen dit besluit heeft verzoeker op 11 juli 2000 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij schrijven van gelijke datum heeft hij zich tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek om ingevolge het bepaalde in art. 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken nadat op het bezwaarschrift is beslist.

Het verzoek is ter zitting van 20 juli 2000 behandeld. Namens verzoeker heeft mr. B. Korvemaker, kantoorgenoot van mr. Kaaij voornoemd, het woord gevoerd. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Als derde-belanghebbenden zijn verschenen [M.V.] en [E.W.].

Motivering

Verweerder heeft de president verzocht om toepassing van art. 8:29 lid 1 Awb ter zake van een door haar ingezonden ongedateerde brief van omwonenden met betrekking tot de door hen gestelde overlast van de woning. Deze brief is voorzien van de namen en handtekeningen van de inzenders en is bij verweerder ingekomen op 14 juni 2000. Een exemplaar van die brief, waarbij deze gegevens onherkenbaar zijn gemaakt, bevindt zich wel in het procesdossier.

Toepassing van art. 8:29 lid 1 Awb houdt -voor zover hier van belang- in dat uitsluitend de president kennis zal kunnen nemen van een gedingstuk. Indien de president deze beperkte kennisneming gerechtvaardigd acht, kan hij, gelet op art. 8:29 lid 5 Awb, slechts met toestemming van de andere partijen mede op grondslag van zo'n stuk uitspraak doen.

De president acht beperkte kennisneming van voormelde brief gerechtvaardigd, omdat de inzenders van voormelde brief geacht moeten worden belang te hebben bij het niet bekend worden van de desbetreffende gegevens. Ter zitting hebben de andere partijen desgevraagd verklaard toestemming te geven als bedoeld in art. 8:29 lid 5 Awb.

Art. 8:81 Awb bepaalt, dat de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de president dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de president in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De president ziet zich gesteld voor de vraag of verzoeker belanghebbende is bij het besluit van 28 juni 2000.

Verzoeker huurt de woning van [S.]. Hij staat blijkens de bevolkingsadministratie van de gemeente Leeuwarden sedert 4 oktober 1999 op het desbetreffende adres ingeschreven.

Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, dient verzoeker op grond van artikel 1:2 lid 1 Awb een rechtstreeks -dat wil zeggen, gelet op de vaste rechtspraak dienaangaande, een persoonlijk en individueel- bij het besluit van 28 juni 2000 betrokken belang te hebben. Het belang van verzoeker -het voorkomen van een gedwongen verhuizing- is naar het oordeel van de president een belang dat verzoeker ontleent aan zijn huurovereenkomst met de eigenaar van de woning, [S.]. Dit belang vormt evenwel geen belang als bedoeld in art. 1:2 lid 1 Awb, maar moet worden aangemerkt als een afgeleid belang. Dit belang kan wel door het besluit van verweerder van 28 juni 2000 worden geraakt, maar is niet rechtstreeks bij dat besluit betrokken. Genoemd besluit brengt immers voor verzoeker slechts gevolgen met zich mee via de rechtsverhouding (in dit geval de huurovereenkomst) tussen hem en [S.].

Verzoeker is derhalve geen belanghebbende bij het bestreden besluit. Naar voorlopig oordeel van de president zal verweerder zijn bezwaarschrift dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet daarom worden afgewezen.

De president ziet geen aanleiding om een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De president van de rechtbank:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, fungerend president, en door hem in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2000, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Telman als griffier.

w.g. C.M. Telman w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Afschrift verzonden op: