Home

Rechtbank Haarlem, 30-11-2012, BY5387, 12/5202, 12/5203

Rechtbank Haarlem, 30-11-2012, BY5387, 12/5202, 12/5203

Gegevens

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30 november 2012
Datum publicatie
6 december 2012
ECLI
ECLI:NL:RBHAA:2012:BY5387
Formele relaties
Zaaknummer
12/5202, 12/5203

Inhoudsindicatie

Sluiting woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege de aanwezigheid van een hennepkwekerij.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij op basis van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is om handhavend op te treden heeft verweerder in het bestreden besluit opnieuw gewezen op de inmiddels bestaande ‘vaste’ jurisprudentie in vergelijkbare zaken, waarin artikel 13b van de Opiumwet als grondslag voor handhavend optreden is gebruikt. Daarin wordt ‘de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid hennep(planten)’ voldoende basis geacht voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet voor sluiting van een woning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter strookt de door verweerder geciteerde jurisprudentie niet met de uit de wetsgeschiedenis blijkende bedoeling van de wetgever met de wijziging van artikel 13b van de Opiumwet. De voorzieningenrechter concludeert uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever met de toevoeging ‘dan wel daartoe aanwezig is’, heeft bedoeld dat voor de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet er sprake moet zijn van het verkopen, afleveren of verstrekken van drugs vanuit het betreffende pand dan wel van de aanwezigheid van drugs om in dat pand te worden verkocht. Het enkele aantreffen van een hoeveelheid verdovende middelen die de hoeveelheid voor eigen gebruik overstijgt, maar die elders zullen worden verkocht, is voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet onvoldoende.

Bovendien kan de voorzieningenrechter uit de wetsgeschiedenis niet anders concluderen dan dat de wetgever uitdrukkelijk heeft beoogd om de bevoegdheid van de burgemeester zoals neergelegd in artikel 13b van de Opiumwet niet zo ver te laten strekken, dat deze ook van toepassing is op hennepkwekerijen. Daarbij heeft de wetgever rekening gehouden met het feit dat artikel 97 (thans artikel 17) van de Woningwet een grondslag biedt om tegen illegale hennepkwekerijen op te treden.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 - 5202 (voorlopige voorziening) en 12 - 5203 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 november 2012

in de zaken van:

[eisers],

wonende te [woonplaats],

verzoekers/eisers (hierna: eisers),

gemachtigde: mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de burgemeester van Purmerend,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers onder oplegging van een last onder dwangsom gelast de woning aan de [adres] te sluiten van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2012.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 13 juni 2012 bezwaar gemaakt. Bij brief van 13 juni 2012 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 29 juni 2012 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek toegewezen en het primaire besluit geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 18 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard en besloten de woning van eisers te sluiten van 3 december 2012 tot en met 2 juni 2013.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 15 november 2012 beroep ingesteld. Bij brief van 15 november 2012 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaken zijn behandeld ter zitting van 26 november 2012, alwaar eisers zijn verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Tevens zijn verschenen [eiser] met twee dochters. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door C.C. Agtersloot en mr. W.H. Correia- Goede, beiden werkzaam bij de gemeente Purmerend.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Ter uitvoering van de bevoegdheid, neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, heeft de burgemeester het 'Handhavingsbeleid coffeeshops, grow-, smart- en headshops en drugspanden van 24 augustus 2010’ (hierna: het Handhavingsbeleid) vastgesteld. Volgens dit beleid wordt onder drugspand verstaan een woning of lokaal, niet zijnde een coffeeshop, waar middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I of lijst II worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. Ten aanzien van drugspanden volgt sluiting voor één maand bij de eerste constatering en sluiting voor onbepaalde tijd als het feit voor een tweede maal wordt geconstateerd.

2.3 Aan het besluit ligt ten grondslag dat op 7 juni 2011 een hennepkwekerij is aangetroffen in de woning aan de [adres]. Daarbij zijn 84 oogstrijpe planten aangetroffen op de zolderetage. Ten behoeve van de hennepkwekerij werd illegaal stroom afgetapt, waarbij sprake was van gevaarzetting, namelijk brand- en elektrocutiegevaar. [eiser], de voormalige partner van [eiser], heeft bekend de kwekerij aldaar te hebben opgezet en gedreven.

Eerder is op 9 juli 2007 op hetzelfde adres een hennepkwekerij aangetroffen van circa 700 planten waarbij ook sprake was van het illegaal aftappen van stroom. Voorts is op 19 januari 2010 in de woning [adres] ook een hennepkwekerij aangetroffen met 166 planten. [eiser] is voor deze beide incidenten in 2007 en 2010 veroordeeld terzake van overtreding van de Opiumwet.

2.4 Eisers stellen zich op het standpunt dat artikel 13b van de Opiumwet en het Handhavingsbeleid verweerder niet de bevoegdheid geven om over te gaan tot het sluiten van de woning in verband met de aanwezigheid daarin van een hennepkwekerij. Onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2012 hebben eisers aangevoerd dat uit de wetsgeschiedenis moet worden afgeleid dat artikel 13b van de Opiumwet de burgemeester niet de bevoegdheid geeft om woningen te sluiten wegens illegale wietteelt. Het bestreden besluit is uitsluitend op artikel 13b van de Opiumwet gestoeld, zodat dit besluit reeds daarom voor vernietiging in aanmerking komt, aldus eisers.

2.5 De voorzieningenrechter heeft in haar uitspraak van 29 juni 2012 geoordeeld dat verweerder op grond van de in het primaire besluit aangevoerde gronden niet bevoegd was tot sluiting van de woning van eisers over te gaan. Zij zal thans dienen te beoordelen of de door verweerder ditmaal aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde gronden het besluit wel kunnen dragen.

2.6 Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij op basis van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is om handhavend op te treden heeft verweerder in het bestreden besluit opnieuw gewezen op de inmiddels bestaande ‘vaste’ jurisprudentie in vergelijkbare zaken – ook van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (onder meer in de uitspraak van 21 maart 2012, LJN BV9512) - waarin artikel 13b van de Opiumwet als grondslag voor handhavend optreden is gebruikt. Daarin wordt ‘de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid hennep(planten)’ voldoende basis geacht voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet voor sluiting van een woning.

Naar de mening van verweerder is artikel 13b van de Opiumwet uitgebreid teneinde de bevoegdheid te creëren om op te treden tegen overlast in de woonomgeving als gevolg van overtreding van de Opiumwet in ruime zin. Niet alleen de verkoop maar ook het bedrijfsmatig kweken van hennep veroorzaakt onrust en een onveilig gevoel in de woonomgeving en kan aldus worden aangepakt op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

2.7 De voorzieningenrechter stelt vast dat de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet zeer ingrijpende gevolgen kan hebben voor bewoners van een woning en het recht op respect voor de woning zoals dat is vastgelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) raakt. Reeds daarom is een ruime uitleg van de toepassingsmogelijkheden van artikel 13b van de Opiumwet niet op zijn plaats. Daarbij strookt de door verweerder geciteerde jurisprudentie, naar haar oordeel, ook niet met de uit de wetsgeschiedenis blijkende bedoeling van de wetgever met de wijziging van artikel 13b van de Opiumwet.

Zoals reeds overwogen in de uitspraak van 29 juni 2012 bestaat voor het te rade gaan bij de parlementaire geschiedenis ten aanzien van de uitleg van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet in dit geval zeker aanleiding. Anders dan in onder meer de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 juli 2011 (LJN BR3945) is overwogen, is de tekst van de wet voor meerdere uitleg vatbaar. Dit blijkt reeds uit de vele vragen die daarover zijn gesteld zijn bij de behandeling van de wetswijziging – niet alleen door Kamerleden maar onder meer door de NVvR. In dat geval is raadpleging van de wetsgeschiedenis teneinde te bepalen wat de wetgever heeft beoogd, vereist.

2.8 Uit de Memorie van Toelichting (TK 2005-2006, 30515, nr.3) blijkt dat de wetgever bij het wijzigen van artikel 13b van de Opiumwet het oog heeft gehad op het aanpakken van ‘systematische handel in verdovende middelen buiten coffeeshops om, dus vanuit woningen of andere lokalen’ Uit onderzoek is gebleken dat deze illegale verkoop [vanuit woningen toevoeging voorzieningenrechter] in veel gemeenten voorkomt en dat dit gepaard gaat met overlast voor en verloedering van de omgeving van deze illegale verkooppunten. Daarom is de wens ontstaan de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet op te rekken, zodat niet alleen kan worden opgetreden in geval van illegale verkoop vanuit voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven, maar ook tegen illegale verkoop vanuit woningen en lokalen. De toelichting spreekt expliciet over het terugdringen van ‘verkoop’ en ‘handel’ vanuit woningen en over het opheffen van ‘illegale verkooppunten’ in woonwijken.

Naar aanleiding van een vraag naar de reikwijdte van het wetsontwerp, meer in het bijzonder naar de reikwijdte van de zinsnede ‘dan wel daartoe aanwezig is’ heeft de minister in de nota naar aanleiding van het verslag (TK 2006-2007, 30515, nr 6 p.2.) nog eens expliciet uiteengezet dat ‘deze zinsnede is opgenomen om te voorkomen dat de toepassing van artikel 13b alleen mogelijk zou zijn na ontdekking op heterdaad van verkoop, aflevering of verstrekking van drugs. Overigens vindt in de praktijk optreden tegen panden pas plaats, nadat al is geconstateerd dat er sprake is van illegale verkoop, aflevering of verstrekking van drugs. Die constatering is vastgelegd in informatie die door de gemeente is vergaard, meer in het bijzonder in processen-verbaal van de politie over waarnemingen van gedragingen in en rond het pand en/of verklaringen van kopers. Het enkele aantreffen van drugs in een pand zonder dat er sprake is van enige indicatie dat er in of vanuit het desbetreffende pand drugs verkocht, afgeleverd of verstrekt werden, is niet voldoende voor het toepassen van artikel 13b van de Opiumwet. Dat zal voor woningen niet anders zijn.’

De voorzieningenrechter concludeert uit het vorengaande dat de wetgever met de toevoeging “dan wel daartoe aanwezig is”, heeft bedoeld dat voor de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet er sprake moet zijn van het verkopen, afleveren of verstrekken van drugs vanuit het betreffende pand dan wel van de aanwezigheid van drugs om in of vanuit dat pand te worden verkocht. Er moet derhalve sprake zijn van een verkooppunt. Het enkele aantreffen van een hoeveelheid verdovende middelen die de hoeveelheid voor eigen gebruik overstijgt, maar die elders zullen worden verkocht, is voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet onvoldoende.

2.9 De in de jurisprudentie (onder meer de eerder genoemde uitspraak LJN BV9512) veelvuldig genoemde ‘aanwezigheid van een handels¬hoeveelheid drugs’ als criterium, vindt de voorzieningenrechter nergens terug in de wetsgeschiedenis. Deze komt, naar zij aanneemt, voort uit het strafrecht en is in het coffeeshopbeleid als criterium opgenomen. In de Memorie van Toelichting (MvT, TK 2005-2006, 30515, nr.3, p.10) heeft de minister daarover het volgende verklaard: ‘Naar aanleiding van een verzoek van de NVvR wordt opgemerkt dat met de uitdrukking “daartoe aanwezig is” wordt gedoeld op de aanwezigheid van verdovende middelen, ongeacht de hoeveelheid, die gebruikt wordt of bestemd is voor de verkoop aflevering of verstrekking daarvan. De term is overigens al sinds de invoering van artikel 13b is opgenomen en er bestaat geen onduidelijkheid over. Voor zover de gedachte mocht hebben postgevat, dat daarmee op een handelsvoorraad wordt bedoeld is sprake van een misverstand. De figuur van handelsvoorraad geldt alleen voor coffeeshops die passen binnen het lokale coffeeshopbeleid en voldoen aan de AHOJ-G criteria en wordt in dat verband ingevuld met een hoeveelheid van 500 gram hasjiesj. Bij artikel 13b gaat het om illegale verkooppunten die niet onder het coffeeshopbeleid vallen’.

De jurisprudentielijn waarnaar verweerder heeft verwezen, waarbij het enkele aanwezig zijn van een handelshoeveelheid drugs voldoende basis vormt om tot sluiting over te gaan, is wellicht ontstaan in de periode vóór de wetswijziging van artikel 13b van de Opiumwet toen dit artikel nog slechts kon worden ingezet tegen illegale verkoop vanuit voor het publiek toegankelijke lokalen en wordt deze lijn– naar uit het vorenstaande blijkt ten onrechte – thans een op een toegepast voor sluiting van woningen.

2.10 Nog daargelaten het vorenstaande, kan de voorzieningenrechter de jurisprudentielijn dat artikel 13b van de Opiumwet ook de bevoegdheid geeft om op te treden tegen illegale hennepkwekerijen in woningen, ook om een andere reden niet volgen.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 13b van de Opiumwet hebben de verantwoordelijke ministers in antwoord op vragen van de Kamerleden namelijk het volgende geantwoord:

“Gevraagd door deze leden naar de relatie tussen de voorgestelde wijziging van artikel 13b van de Opiumwet en de bestrijding van illegale wietteelt in woningen, merken wij op dat het voorgestelde artikel niet strekt tot het terugdringen van de illegale teelt. De reden hiervoor is dat bij de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Stb. 2005, nr. 726) een nieuw artikel 97 is ingevoegd in de Woningwet, dat de bevoegdheid bevat om woningen te sluiten wegens illegale wietteelt (Nota naar aanleiding van het verslag, TK 2006-2007, 30 515, nr. 6, p. 2)”.

Bij de behandeling van het wetvoorstel in de tweede kamer heeft de Minister van Justitie voorts het volgende opgemerkt:

“Er is gevraagd waarom in het nieuwe artikel 13b niet ook hennepteelt is opgenomen. Soortgelijke vragen zijn gesteld over andere vormen van produceren van drugs. Ik keer daarvoor terug naar de aanleiding voor het wetsvoorstel: de behoefte aan zodanige verbreding, dat ook woningen kunnen worden gevat onder de bevoegdheid van de burgemeester tot toepassing van bestuursdwang, naast de mogelijkheden die bestaan in verband met het openbare ordecriterium in de Gemeentewet. Er is in de praktijk gebleken dat hieraan behoefte bestaat. Er zijn namelijk mogelijkheden om net tussen de twee regelingen door te fietsen als deze aanvulling niet wordt aangebracht. De doelstelling van de bestaande wetgeving wordt hiermee effectiever bereikt. Het is een wetsvoorstel dat in hoge mate op basis van praktische argumentatie is afgebakend. De vraag is gesteld of wij niet een stapje verder moeten gaan en het produceren op de een of andere manier moeten opnemen. Gelet op de bevoegdheden van de burgemeester om op te treden op grond van de Woningwet, is er niet onmiddellijk een dringende aanleiding om het wetsvoorstel in deze zin te verbreden. Artikel 97 van de Woningwet geeft de burgemeester de bevoegdheid een woning te sluiten indien daarin overtredingen plaatsvinden die een gevaar voor de veiligheid of de gezondheid opleveren. Bij de invoering van dat artikel werd, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, mede gedacht aan illegale hennepteelt. Een duidelijke aanleiding om verder te gaan zie ik dus niet. Mocht de gedachte toch uitgaan in deze richting, dan zal er goed moeten worden gekeken naar de verhouding tussen het eerste en het tweede lid. In het eerste lid zou je niet kunnen spreken van produceren maar, om in de terminologie van de Opiumwet te blijven, van telen, bewerken, verwerken, vervaardigen en bereiden. Dat roept wel onmiddellijk de vraag op wat je met het tweede lid moet doen. Daar zou je mogelijkerwijs meer uitzonderingen in moeten opnemen dan die welke er nu in vervat zijn. Als ik terugkeer naar het praktische startpunt van dit wetsvoorstel, zou het mijn voorkeur hebben om het wetsvoorstel zoals het nu luidt af te handelen (Handelingen TK 29 maart 2007, 55-3137)”.

Het nadien nog ingediende amendement Teeven waarin werd beoogd de bestaande en voorgestelde bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang door de burgemeester uit te breiden, om zo de hele keten die voorafgaat (en volgt) op de handel in verdovende middelen als genoemd in het onderhavige artikel, onder de reikwijdte te laten vallen – het ging daarbij ook om gevallen waarbij in woningen reeds voorbereidingen waren getroffen voor de teelt, maar er nog geen planten worden aangetroffen, dus waarbij van verkoop nog geen sprake was – is vervolgens afgestemd.

2.11 Uit het voorgaande kan de voorzieningenrechter niet anders concluderen dan dat de wetgever uitdrukkelijk heeft beoogd om de bevoegdheid van de burgemeester zoals neergelegd in artikel 13b van de Opiumwet niet zo ver te laten strekken, dat deze ook van toepassing is op hennepkwekerijen. Daarbij heeft de wetgever rekening gehouden met het feit dat artikel 97 (thans artikel 17) van de Woningwet een grondslag biedt om tegen illegale hennepkwekerijen op te treden.

2.12 Nu verweerder – anders dan de hoeveelheid hennepplanten – geen aanwijzingen heeft aangedragen dat er vanuit de woning drugs worden verkocht, afgeleverd, dan wel verstrekt, volgt de voorzieningenrechter niet het standpunt van verweerder, dat hij zijn bevoegdheid uit artikel 13b van de Opiumwet mocht aanwenden vanwege de aangetroffen hoeveelheid hennepplanten.

2.13 Gelet op het vorenstaande blijft de voorzieningenrechter bij het standpunt dat verweerder in het onderhavige geval niet bevoegd is op te treden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De overige gronden behoeven derhalve geen bespreking meer.

2.14 De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. Nu op het beroep wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om op grond van artikel 8:72 vijfde lid het primaire besluit te schorsen tot 31 december 2012.

2.15 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. De kosten worden aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht gesteld op € 1311,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1) voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;

3.4 schorst het primaire besluit van 31 mei 2012 tot 31 december 2012;

3.5 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,- aan eisers te vergoeden;

3.6 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1311,- te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2012.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, uitsluitend voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.