Home

Rechtbank Den Haag, 08-05-2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:4701, C/09/573308/ FT RK 19/708 en C/09/573309 / FT RK 19/709

Rechtbank Den Haag, 08-05-2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:4701, C/09/573308/ FT RK 19/708 en C/09/573309 / FT RK 19/709

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
8 mei 2019
Datum publicatie
10 mei 2019
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2019:4701
Zaaknummer
C/09/573308/ FT RK 19/708 en C/09/573309 / FT RK 19/709
Relevante informatie
Faillissementswet [Tekst geldig vanaf 08-07-2022], Burgerlijk Wetboek Boek 1 [Tekst geldig vanaf 01-01-2021]

Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopige voorziening ex artikel 287b Fw toegewezen voor een termijn van zes maanden. Minnelijke schuldsaneringstraject nog niet gestart, ligt wel voor aanvang gereed. De financiële situatie is stabiel, verslaving onder controle en verzoekster ingebed in hulpverlening. Betaling van de lopende huurtermijnen is gewaarborgd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummers: C/09/573308/ FT RK 19/708 en C/09/573309 / FT RK 19/709

uitspraakdatum: 8 mei 2019

[verzoekster],

wonende in het arrondissement Den Haag,

verzoekster,

heeft een verzoek ingediend waarin wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287b eerste lid van de Faillissementswet. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Verzoekster heeft tevens een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend.

Het verzoekschrift waarin om een voorlopige voorziening wordt gevraagd strekt ertoe dat aan de stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam, wordt verboden om de woning aan het adres van verzoekster te ontruimen. Stichting Woonbron wordt vertegenwoordigd door Over de Vest Gerechtsdeurwaarders.

Het verzoek waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287b is behandeld ter terechtzitting van 8 mei 2019. Verzoekster is verschenen en gehoord en is daarbij bijgestaan door de heer [beschermingsbewindvoerder], beschermingsbewindvoerder, namens Mulder Zorgt Voor Jou B.V. Namens Over de Vest Gerechtsdeurwaarders (die optreedt voor de stichting Stichting Woonbron) is niemand verschenen.

De rechtbank overweegt als volgt.

1. Het onderhavige verzoek richt zich tegen de geplande ontruiming op 9 mei 2019 namens Stichting Woonbron (verweerster). Bij vonnis van 18 april 2019 is verzoekster onder meer veroordeeld tot ontruiming van de door haar van Woonbron gehuurde woning. Op 25 april 2019 is in opdracht van Woonbron de ontruiming van de woning aangezegd tegen 9 mei 2019 vanaf 08:30 uur.

2. Vast staat dat verzoekster sinds 30 juni 2017 onder beschermingsbewind staat en dat deze onderbewindstelling ook in het daartoe bestemde register is opgenomen. Dat betekent dat verweerster van de onderbewindstelling op de hoogte was, althans behoorde te zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 1:441 BW vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. Dit geldt ook voor een procedure die strekt tot ontbinding van de huurovereenkomst die de rechthebbende voor het bewind is aangegaan en de ontruiming van het gehuurde.

3. In het onderhavige geval zijn zowel de inleidende dagvaarding daartoe als de betekening van het ontruimingsvonnis niet aan de bewindvoerder maar slechts aan verzoekster betekend. Bij de afweging van de wederzijdse belangen weegt de rechtbank, juist vanwege het karakter van de hiervoor bedoelde onderbewindstelling, deze omissie aan de zijde van verweerster zwaar mee in het nadeel van verweerster.

4. De voorlopige voorziening van artikel 287b Fw heeft blijkens de wetsgeschiedenis, voor zover hier van belang, tot doel om een soort adempauze te bereiken die de schuldenaar in staat moet stellen het minnelijk traject voort te zetten om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden te bereiken c.q. af te ronden. Mocht het niet tot een minnelijke regeling komen, dan dient verzoekster de gelegenheid te krijgen om toepassing van de wettelijke schuldsanering aan te vragen, zonder daarbij gehinderd te worden door dreiging van executie van de in het tweede lid van art. 287b van de Faillissementswet genoemde maatregelen.

5. Voor de toepassing van artikel 287b Fw dient – in beginsel – een aanvang te zijn gemaakt met het minnelijk schuldsaneringstraject direct aansluitend op de zogenaamde stabilisatiefase. In de stabilisatiefase wordt gewerkt aan het in evenwicht brengen en houden van inkomsten en uitgaven van de verzoekster (maximalisatie van inkomsten en minimalisatie van uitgaven). Hoewel door verzoekster nog geen aanvang is gemaakt met het minnelijke schuldsaneringstraject, ligt dat wel voor aanvang gereed. De enige reden dat dit traject nog niet eerder is gestart is gelegen in de voor dat traject geldende voorwaarde dat verzoekster een jaar abstinent van alcohol moet zijn. Dat is inmiddels het geval zodat het minnelijk traject – bij wijze van spreken – morgen kan worden opgestart. De (financiële) situatie van verzoekster is overigens stabiel: zij heeft haar verslavingsproblematiek onder controle en is voor zover nodig verder voldoende ingebed in hulpverlening. Met ingang van 20 mei 2019 zal verzoekster beginnen aan haar re-integratietraject en voor 24 uur per week werkzaam zijn. Ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder verklaard dat de betaling van de lopende huurtermijnen is gewaarborgd.

6. Met betrekking tot de betalingsachterstand waarvoor verzoekster is veroordeeld, overweegt de rechtbank nog als volgt. Uit de stukken in het dossier (meer in het bijzonder de bijlage bij de dagvaarding) volgt in de eerste plaats dat sinds december 2017 door de bewindvoerder de huur is voldaan, maar dat betalingen van januari 2019 tot en met april 2019 zijn uitgebleven. Ter zitting heeft verzoekster toegelicht dat deze tekortkoming is veroorzaakt doordat zij eind 2018 een (begin 2017 opgelegde) gevangenisstraf moest uitzitten waardoor haar uitkering is beëindigd. Het weer activeren van de uitkering na detentie heeft geruime tijd in beslag genomen. De combinatie van deze twee factoren heeft ertoe geleid dat de huur niet meer kon worden voldaan. De huurtermijn van april 2019 is volgens de bewindvoerder inmiddels wel voldaan. In de tweede plaats volgt uit voornoemd stuk ook dat de bewindvoerder consequent een te laag bedrag aan huur heeft overgemaakt. Desgevraagd heeft de bewindvoerder verklaard niet op de hoogte te zijn gesteld van een hogere huurtermijn. Dit is, naar het oordeel van de rechtbank, in ieder geval niet, verzoekster aan te rekenen.

7. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van verzoekster om in de woning te kunnen blijven wonen zwaarder dient te wegen dan het belang van Woonbron bij ontruiming van die woning. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.

8. Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP-verzoek) kan nog niet worden afgedaan nu het minnelijk traject nog niet is afgerond.

9. De behandeling van het WSNP-verzoek (al dan niet vergezeld van een verzoek tot het opleggen van een dwangregeling als bedoeld in artikel 287a Fw.) zal plaatsvinden op een hierna te bepalen datum en tijdstip (24 oktober 2019 om 09:30 uur). Uiterlijk een week voor voornoemde datum dient een compleet verzoekschrift Wsnp (inclusief bijlagen) te worden aangeleverd.

BESLISSING

De rechtbank:

- verbiedt Stichting Woonbron tot ontruiming over te gaan van de woning, in gebruik bij verzoekster;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen worden voldaan;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt totdat de uitspraak op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in kracht van gewijsde is gegaan of dit verzoek is ingetrokken;

- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt na verloop van zes maanden;

- bepaalt dat de voortgezette behandeling van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal plaatsvinden op 24 oktober 2019 om 09:30 uur;

- bepaalt dat uiterlijk een week voor voornoemde datum verslag zal worden uitgebracht als bedoeld in artikel 287b zesde lid van de Faillissementswet.

Gewezen door mr. R.G.C. Veneman, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2019 in tegenwoordigheid van S.S.R. Pool, griffier.