Home

Rechtbank Den Haag, 18-03-2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:2947, AWB - 14 _ 9875

Rechtbank Den Haag, 18-03-2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:2947, AWB - 14 _ 9875

Inhoudsindicatie

Het bouwplan, waarvoor omgevingsvergunning is verleend, behelst de bouw van een appartementencomplex bestaande uit 73 appartementen met parkeerkelder. In deze procedure is onder meer de vraag aan de orde of de Crisis- en herstelwet (Chw) op het bestreden besluit, strekkende tot handhaving van de verleende omgevingsvergunning, van toepassing is. Artikel 1.1, eerste lid, onder a, van de Chw moet naar het oordeel van de rechtbank zo worden uitgelegd dat, indien een bestemmingsplan een ontwikkeling mogelijk maakt als genoemd in bijlage I van de Chw, niet alleen op het besluit strekkende tot vaststelling van dat bestemmingsplan de Chw van toepassing is, maar ook op alle andere besluiten die nadien nodig zijn om een dergelijk project te verwezenlijken, zoals een omgevingsvergunning.

Blijkens het vaststellingsbesluit is het ter plaatse geldende bestemmingsplan conform afdeling 3.1 van de Wro tot stand is gekomen. Aan de voorwaarde dat ten minste elf woningen gebouwd worden in een aaneengesloten gebied, zoals genoemd in categorie 3.1 van bijlage I van de Chw, wordt in dit geval ruimschoots voldaan. Voorts staat het bestemmingsplan bij recht de bouw van het aan de orde zijnde project toe. Daarmee staat vast dat sprake is van een ontwikkeling krachtens afdeling 3.1 van de Wro als bedoeld in categorie 3.1 van bijlage I van de Chw en is de Chw op het vaststellingsbesluit van toepassing. Gelet hierop is de Chw naar het oordeel van de rechtbank eveneens op het bestreden besluit van toepassing.

Uitspraak

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/9875

en

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [BV]., vergunninghoudster, een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de bouw van een appartementencomplex aan de [woning] ongenummerd, nabij nummer [nummer 1], te [plaats].

Bij besluit van 19 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Partijen hebben bij brieven van 11 en 12 november 2014 schriftelijk vragen van de rechtbank inzake de belanghebbendheid van eiseres en de toepasselijkheid van de Crisis- en herstelwet beantwoord.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2015.

Eiseres is verschenen, vergezeld van [nummer 1]. Verweerder was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en[naam 2].

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Het bouwplan, waarvoor vergunninghoudster op 20 december 2013 een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend, behelst de bouw van een appartementencomplex bestaande uit 73 appartementen met parkeerkelder met evenzoveel parkeerplaatsen, ter plaatse van kavel [nummer 2], nabij [woning] te [plaats]. Voorts worden nog negen parkeerplaatsen op de begane grond aangelegd.

1.2

Eiseres is eigenaar van kavel [nummer 3]van het project[project], waarop ten tijde van de indiening van het beroep een woning in aanbouw was. Thans heeft zij haar intrek in de woning genomen. Deze kavel is in de directe nabijheid van het bouwplan gelegen.

2. Bij het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning terecht is verleend. Volgens verweerder is het bouwplan in overeenstemming met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, hetgeen betekent dat er bij de toetsing geen ruimte is voor een belangenafweging of een beoordeling ten aanzien van het privaatrecht. Het zogenaamde kavelpaspoort is een privaatrechtelijke overeenkomst. De bezwaren die hierop betrekking hebben en de bezwaren betreffende het verminderd woongenot zien niet op de criteria waaraan de omgevingsvergunning getoetst wordt, aldus verweerder.

3.1

Over de vraag of de Crisis- en herstelwet (Chw) op deze zaak van toepassing is overweegt de rechtbank als volgt.

3.2

Voor de toepasselijkheid van de Chw is in de eerste plaats artikel 1.1, eerste lid, van belang. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw is afdeling 2 van die wet van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

In categorie 3.1 van bijlage I van de Chw zijn genoemd ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden.

3.3

Artikel 1.1, eerste lid, onder a, van de Chw moet naar het oordeel van de rechtbank zo worden uitgelegd dat, indien een bestemmingsplan een ontwikkeling mogelijk maakt als genoemd in bijlage I van de Chw, niet alleen op het besluit strekkende tot vaststelling van dat bestemmingsplan de Chw van toepassing is, maar ook op alle andere besluiten die nadien nodig zijn om een dergelijk project te verwezenlijken, zoals een omgevings-vergunning. Dit blijkt ook uit de Memorie van Toelichting bij de Chw, waarin het volgende is vermeld:

“De bepalingen in afdeling 2 van hoofdstuk 1 van dit wetsvoorstel, over de voorbereiding van besluiten en het bestuursprocesrecht, zijn van toepassing op alle besluiten die onder de bijlagen bij de voorgestelde Crisis en herstelwet vallen.”

Dit betekent dat, indien een ontwikkeling in overeenstemming is met de planregels van een bestemmingsplan waarop de Chw van toepassing is, omdat dat een ontwikkeling mogelijk maakt zoals genoemd in een van de bijlagen, de Chw ook van toepassing is op de nadien te verlenen omgevingsvergunning voor de realisatie van die ontwikkeling.

3.4

De rechtbank zal eerst beoordelen of sprake is van een bestemmingsplan dat conform afdeling 3.1 van de Wro tot stand is gekomen. Zij stelt daartoe vast dat ter plaatse het bestemmingsplan “[naam 1]” geldt, vastgesteld door de gemeenteraad van [plaats] op 14 februari 2013. Blijkens het vaststellingsbesluit (RIS 256345_130205) is dit bestemmingsplan conform afdeling 3.1 van de Wro tot stand is gekomen.

3.5

Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of de thans aan de orde zijnde ontwikkeling reeds op grond van dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Nu het thans in geding zijnde bouwplan de bouw van een appartementencomplex bestaande uit 73 woningen behelst, wordt ruimschoots voldaan aan de voorwaarde dat ten minste elf woningen gebouwd worden in een aaneengesloten gebied, zoals genoemd in categorie 3.1 van bijlage I van de Chw. Het doel van het bestemmingsplan “[naam 1])” is, blijkens §1.2 van de inleiding van dat plan, onder meer het mogelijk maken van de ontwikkeling van 25 vrije kavels en de ontwikkeling van een kavel van circa 4000 m2 ten behoeve van collectief particulier opdrachtgeverschap ter plaatse van de “[naam 1]”. Aan de in geding zijnde locatie is daartoe de bestemming “Wonen” toegekend. De rechtbank stelt vast dat dus geen sprake is van een bestemmingsplan dat eerst moet worden uitgewerkt alvorens de aan de orde zijnde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. In een dergelijk geval zou blijkens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV1839) de Chw niet van toepassing zijn. Anders dan in die uitspraak staat dit bestemmingsplan naar het oordeel van de rechtbank bij recht de bouw van het aan de orde zijnde project toe. Daarmee staat vast dat sprake is van een ontwikkeling krachtens afdeling 3.1 van de Wro als bedoeld in categorie 3.1 van bijlage I van de Chw en is de Chw op het vaststellingsbesluit van toepassing.

3.6

Gelet hierop is de Chw naar het oordeel van de rechtbank op het bestreden besluit van toepassing.

processuele aspecten

4.1

Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

4.2

De rechtbank stelt vast dat eiseres bij brief van 31 oktober 2014 pro forma beroep heeft ingesteld. In haar brief van 12 november 2014 heeft eiseres in reactie op de brief van de rechtbank van 5 november 2014, waarin onder meer naar de toepasselijkheid van de Chw is gevraagd, ook enkele beroepsgronden naar voren gebracht. Bij brief van 22 januari 2015 heeft eiseres nadere beroepsgronden ingediend.

4.3

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen in dit geval zowel de beroepsgronden die zijn vermeld in de brief van 12 november 2014 als in de brief van 22 januari 2015 bij de beoordeling worden betrokken. Eiseres is immers noch in de rechtsmiddelenverwijzing bij het bestreden besluit noch hangende de beroepsprocedure erop gewezen dat de Chw van toepassing is en zij in verband daarmee na het verstrijken van de beroepstermijn geen aanvullende gronden meer kon indienen. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:230). Hierin heeft de Afdeling overwogen dat het op de weg van het bestuursorgaan ligt om duidelijkheid te verschaffen omtrent de wijze waarop rechtsmiddelen tegen een onder de reikwijdte van de Chw vallend besluit kunnen worden aangewend. Indien in de rechtsmiddelenverwijzing niet is vermeld dat de Chw van toepassing is en dat daarom de beroepsgronden in het beroepschrift moeten worden opgenomen, kan een belanghebbende, nu in de Chw wordt afgeweken van de Awb, in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd. Dit is naar het oordeel van de Afdeling slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. Een dergelijke situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank hier niet voor, nu eiseres in haar reactie van 12 november 2014 heeft aangegeven in het geheel niet bekend te zijn met de Chw.

inhoudelijke beoordeling

5.1

Eiseres stelt dat er feiten en omstandigheden zijn die erop wijzen dat ter verkrijging van de omgevingsvergunning een strafbaar feit is gepleegd, zodat de aanvraag op grond van de wet Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (wet Bibob) geweigerd had moeten worden. Volgens eiseres wijst het handelen van de gemeente namelijk op bedrog.

5.2

Ingevolge artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo -voor zover van belang- kan het bevoegd gezag, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2.10, slechts weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet, voor zover het deze wet betreft, onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van de omgevingsvergunning gelijk kan worden gesteld.

5.3

Uit dit artikel volgt dat het bevoegd gezag kan weigeren een aangevraagde beschikking te geven indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of nog te verkrijgen voordelen te benutten, of strafbare feiten te plegen. De toets die in het kader van de wet Bibob moet worden verricht betreft in het bijzonder de integriteit van diegenen die bij een aanvraag om een vergunning zijn betrokken en heeft geen betrekking op het vergunningverlenende bestuursorgaan. Eiseres heeft ten aanzien van de aanvrager geen argumenten naar voren gebracht waaruit geconcludeerd moet worden dat een Bibob-onderzoek aan de orde was. Deze beroepsgrond faalt dan ook.

6.1

Eiseres voert daarnaast aan dat het bouwplan in strijd is met het doel van het bestemmingsplan, omdat geen sprake is van collectief particulier opdrachtgeverschap.

6.2

In artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar gegeven weigeringsgronden.

Ingevolge het bepaalde onder a dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet (het Bouwbesluit).

Ingevolge het bepaalde onder c dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

6.3

De rechtbank stelt vast dat deze stelling van eiseres -wat daarvan ook zij- slechts tot de conclusie kan leiden dat het bouwplan mogelijk niet in overeenstemming is met de toelichting van het bestemmingsplan, maar niet tot de conclusie dat sprake is van strijd met de planregels. Daartoe overweegt de rechtbank dat blijkens de gedingstukken de beschrijving van het doel van het bestemmingsplan onderdeel is van de toelichting van het bestemmingsplan. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 16 februari 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AS6203) heeft overwogen, maakt de toelichting geen deel uit van het bestemmingsplan en kan aan de inhoud daarvan derhalve bij de toetsing van het in geding zijnde bouwplan geen bindende betekenis toekomen. Dat betekent dat deze beroepsgrond naar het oordeel van de rechtbank bij de beoordeling van het bestreden besluit niet van belang is en dan ook niet kan slagen.

7.1

Eiseres vreest dat de verwarmingsinstallatie, zijnde een pelletkachel, van het bouwplan veel fijn stof zal produceren. Zij betwijfelt of die installatie voldoet aan de geldende normen voor fijn stof.

7.2

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat geen nader onderzoek naar de uitstoot van fijn stof van de stookinstallatie is gedaan, omdat dat niet nodig is. De stookinstallatie voldoet volgens verweerder aan het Bouwbesluit.

7.3

De rechtbank stelt vast dat de stookinstallatie deel uitmaakt van de aanvraag en om die reden bij de beoordeling dient te worden betrokken. Eiseres heeft haar stelling over de te verwachten stofontwikkeling echter niet nader gemotiveerd of aan de hand van een rapport onderbouwd. Daarnaast heeft zij verweerders stelling dat de stookinstallatie aan het Bouwbesluit voldoet niet met argumenten bestreden.

7.4

Voorts stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in haar uitspraak van

12 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4038) heeft overwogen dat in afdeling 3.8 van het Bouwbesluit eisen worden gesteld aan voorzieningen bij nieuwe en bestaande woningen voor de afvoer van rookgas afkomstig van verbrandingstoestellen, ongeacht het materiaal waarmee wordt gestookt, ter bescherming van de bewoners van de woning waarin het verbrandingstoestel zich bevindt. Voor het gebruik van houtkachels en haarden ontbreekt andere landelijke regelgeving. Tot op heden bestaan geen algemeen aanvaarde inzichten over de beantwoording van de vraag of en zo ja, onder welke omstandigheden en bij welke frequentie, rook afkomstig van gebruik van een houtkachel schade aan de mens toebrengt. De Wet milieubeheer, in het bijzonder bijlage 1 van die wet, die grenswaarden bevat voor fijn stof (PM10 en PM2,5), geeft evenmin uitsluitsel daarover, aldus de Afdeling. Nu er geen algemeen aanvaarde inzichten bestaan en niet gebleken is dat de afvoer van de pelletkachel, die deel uitmaakt van het bouwplan, niet voldoet aan de daaraan in het Bouwbesluit gestelde eisen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen afzien van het verrichten van nader onderzoek naar de schadelijke gevolgen van de verspreiding van rook als gevolg van het gebruik van die kachel. Deze beroepsgrond faalt dan ook eveneens.

8.1

Eiseres voert aan dat veel meer woningen worden gebouwd dan oorspronkelijk de bedoeling was, hetgeen tot extra verkeers- en parkeeroverlast zal leiden.

8.2

Aan de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, is de bestemming “Wonen” gegeven. In artikel 9 van de planregels is bepaald dat deze gronden bestemd zijn voor wonen, één en ander met de daarbij behorende hoofdgebouwen, aan- en bijgebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, aan-huis-gebonden beroep of bedrijf, wegen, parkeerplaatsen, groen, water en overige voorzieningen.

8.3

Gezien hetgeen onder 6.3 is overwogen en gelet op hetgeen eiseres overigens naar voren heeft gebracht, is de rechtbank niet gebleken dat het bouwplan niet in overeenstemming is met de regels van het geldende bestemmingsplan.

8.4

Verder doet zich, mede gelet op hetgeen onder 7.4 is overwogen, ook geen van de andere in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden voor.

8.5

Gelet op artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo was verweerder verplicht de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen en heeft hij deze in het bestreden besluit terecht gehandhaafd. Voor een afweging van belangen -zoals eiseres wenst- is dan ook geen ruimte. Met de door eiseres genoemde vormen van mogelijke overlast wordt geacht rekening te zijn gehouden bij de vaststelling van het geldende bestemmingsplan.

9. Hetgeen eiseres heeft gesteld over te verwachten financiële schade kan in deze procedure niet aan de orde komen.

10. Hetgeen eiseres overigens naar voren heeft gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.

11.1

Het beroep is dan ook ongegrond.

11.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Koper, voorzitter, en mr. D.A.J. Overdijk en

mr. N.S.M. Lubbe, leden, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel