Home

Rechtbank Den Haag, 22-01-2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:1202, AWB - 14 _ 605

Rechtbank Den Haag, 22-01-2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:1202, AWB - 14 _ 605

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22 januari 2015
Datum publicatie
18 maart 2015
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2015:1202
Formele relaties
Zaaknummer
AWB - 14 _ 605
Relevante informatie
Algemene wet bestuursrecht [Tekst geldig vanaf 01-06-2023 tot 01-07-2023] art. 6:22, Algemene wet inzake rijksbelastingen [Tekst geldig vanaf 01-01-2023 tot 01-01-2024] art. 52a

Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking terecht vastgesteld? Beroep ongegrond.

Uitspraak

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/605

(gemachtigde: mr. F.H.H. Sijbers en mr. M.M. Mokveld),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 24 juli 2013 ten aanzien van eiser met betrekking tot de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2011 en 2012 een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) vastgesteld.

Bij brief van 7 januari 2014 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet nemen van een beslissing op het tegen voornoemd besluit ingediende bezwaar.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 januari 2014 de informatiebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft bij brief van 22 januari 2014 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het door eiser tegen voornoemde beschikking ingediende bezwaar.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2014 te Den Haag.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Namens verweerder zijn verschenen [persoon A], [persoon B], [persoon C] en [persoon D].

De onderhavige zaak is ter zitting gezamenlijk behandeld met de zaken SGR 14/3623, SGR 14/3625 en SGR 14/602.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is één van de vennoten van de onderneming [onderneming] (de onderneming). De onderneming wordt gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma. De activiteiten van de onderneming bestaan uit de exploitatie van een coffeeshop.

2. De verkopen van de onderneming betreffen voornamelijk softdrugs. De verkopen worden contant afgerekend en aangeslagen op een kassa. Tot oktober 2009 maakte de onderneming gebruik van een kassasysteem genaamd Cash 2007. Vanaf oktober 2009 heeft de onderneming een nieuw kassasysteem in gebruik genomen dat gebruik maakt van een SQL database. Met betrekking tot de voorraad wordt een aparte voorraadlijst bijgehouden van de aanwezige softdrugs.

3. Verweerder heeft in het kader van de aanslagregeling IB 2011 en 2012 op zijn verzoek op 20 februari 2013 een SQL-dump van de database van de kassa ontvangen. In deze SQL-dump ontbreken volgens verweerder gegevens van de dagomzet en de voorraadadministratie. Bij brief van 28 maart 2013 verzoekt verweerder eiser alsnog een volledige kopie van de SQL-database van de kassa vanaf het moment van ingebruikname van het nieuwe kassasysteem te verstrekken.

4. Bij brief van 3 juli 2013 gericht aan eiser herinnert verweerder eiser aan het onder 3 genoemde verzoek van 28 maart 2013. De volledige SQL-database is dan volgens verweerder nog niet overgelegd. Verweerder verzoekt deze voor 23 juli 2013 te overleggen en overweegt anders een informatiebeschikking te zullen afgeven. Op 24 juli 2013 stelt verweerder een informatiebeschikking vast als bedoeld in artikel 52a van de Awr met als onderbouwing dat eiser geen verdere databasegegevens heeft verstrekt aan verweerder.

5. Eiser dient op 2 september 2013 een pro-forma bezwaarschrift in tegen de informatiebeschikking. Op 28 november 2013 motiveert hij zijn bezwaarschrift en overhandigt hij aan verweerder een cd-rom beweerdelijk met een back-up van de SQL bestanden van het kassasysteem (de cd-rom) stellende dat daarmee is voldaan aan het eerdere informatieverzoek.

Geschil 6. In geschil is - nu verweerder vlak voor het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het ingediende bezwaar de in bezwaar bestreden informatiebeschikking heeft gehandhaafd - of verweerder de informatiebeschikking terecht heeft vastgesteld.

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de beschikking heeft over alle gegevens die in het kassasysteem staan. Hij heeft derhalve voldaan aan zijn informatieverplichting. Verder stelt eiser dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Hij biedt het horen van een getuige aan, te weten de door zijn onderneming gebruikte computerdeskundige. Hij verzoekt de rechtbank bovendien een deskundige te benoemen om de bij verweerder beschikbare digitale gegevens uit het kassasysteem te laten beoordelen op volledigheid en toereikendheid.

8. Eiser concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en het laten vervallen van de informatiebeschikking wegens het voldaan zijn aan het informatieverzoek van verweerder. Subsidiair verzoekt eiser om voornoemde deskundige te benoemen.

9. Verweerder stelt dat eiser niet aan zijn informatieverplichting heeft voldaan en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

11. Tussen partijen is niet in geschil dat de door verweerder opgevraagde SQL-database voorraadgegevens en gegevens betreffende de omzet dient te bevatten.

12. Eiser heeft ter zitting verklaard dat een voorraadadministratie is opgenomen in de SQL-database van het kassasysteem. Verder heeft hij verklaard dat een volledige kopie van de SQL-database aan verweerder is overgelegd en om die reden de informatiebeschikking als vervallen dient te worden beschouwd.

13. Verweerder heeft daar tegenover verklaard dat hij geen volledige kopie van de SQL-database heeft ontvangen aangezien de volledige voorraadgegevens niet in de aan hem overgelegde digitale gegevens opgenomen zijn en deze wel geacht worden aanwezig te zijn in een SQL-database.

14. Nu eiser zich op het standpunt stelt dat hij een volledige kopie van de SQL-database heeft overgelegd en tussen partijen niet in geschil is dat een SQL-database de door verweerder verlangde voorraadgegevens zou moeten bevatten, rust de bewijslast bij eiser om aannemelijk te maken dat de aan verweerder overgelegde gegevens een kopie van de volledige - dat is inclusief de volledige voorraadgegevens - SQL-database bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt eiser niet in zijn bewijslast. Eiser heeft met de enkele verklaring ter zitting zoals opgenomen onder 12 niet aannemelijk gemaakt dat hij de door verweerder opgevraagde gegevens heeft overgelegd. Hierbij overweegt de rechtbank dat het enkel overleggen van een cd-rom aan verweerder, zonder dat op enige wijze aan de rechtbank inzicht wordt verschaft in de daarin opgenomen gegevens, onvoldoende is. De informatiebeschikking ten aanzien van eiser is terecht vastgesteld.

15. Met betrekking tot het standpunt van eiser dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, overweegt de rechtbank als volgt. Deze door eiser genoemde stukken maken het onder 14 genoemde oordeel van de rechtbank niet anders. Deze stukken kunnen immers niet ter onderbouwing dienen van of inzicht verschaffen in de database gegevens die opgenomen zijn op de door eiser overgelegde cd-rom. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het aannemelijk is dat eiser niet is benadeeld door dit gebrek in naleving van deze rechtsregel en gaat daarom met toepassing van het bepaalde in artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht voorbij aan voormeld gebrek.

16. Eiser heeft de rechtbank verzocht een deskundige te benoemen die alle computergegevens die verweerder ter beschikking heeft van de onderneming zal onderzoeken. De rechtbank heeft dit verzoek niet gehonoreerd. Het is eiser zelf die aan het door verweerder gedane verzoek om informatieverstrekking moet voldoen, en zo nodig kan in voorkomend geval in een rechtsprocedure worden gesteld dat wat is ingediend afdoende is. Eiser heeft zich ook op dat standpunt gesteld. In het verlengde daarvan kan eiser nader onderbouwen waarom hij meent dat is ingediend wat is gevraagd. Het benoemen van een deskundige als gevraagd kan relevant zijn indien eiser in bewijsnood zit om zijn stelling te onderbouwen. Gesteld noch gebleken is echter dat daarvan sprake is.

17. Eiser heeft voorts als bewijs aangeboden de persoon te horen die in de onderhavige periode in zijn onderneming werd ingezet als computerdeskundige, te weten de heer Lanting (softwarebeheerder). Eiser heeft zijn verzoek toegelicht met de stelling dat de softwarebeheerder nader de werking van het (voormalige) computersysteem van de onderneming kan toelichten en de wijze waarop verweerder deze gegevens kan openen en lezen. De rechtbank gaat voorbij aan dit getuigenaanbod. Verweerder heeft niet gesteld dat de ingediende bestanden niet kunnen worden geopend of gelezen, zodat het getuigenaanbod als niet relevant moet worden bestempeld.

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, voorzitter, en mr. M.C.J.A. Huijgens en mr. A.J.M. Arends, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2015.

Rechtsmiddel