Home

Rechtbank Arnhem, 18-05-2011, BQ6586, 214249

Rechtbank Arnhem, 18-05-2011, BQ6586, 214249

Gegevens

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18 mei 2011
Datum publicatie
31 mei 2011
ECLI
ECLI:NL:RBARN:2011:BQ6586
Zaaknummer
214249

Inhoudsindicatie

Incident tot (verwijzing en) voeging ex art. 220 Rv.

Tussen de ene procedure (waarin het gaat om de vraag of verweerders in het incident schade hebben geleden doordat eiser in het incident - hun advocaat - heeft verzuimd het juiste rechtsmiddel in te stellen tegen een vonnis waarbij verweerders in het incident in het ongelijk waren gesteld) en de andere procedure (waarin het gaat om de vraag of verweerders in het incident jegens eiser in het incident onrechtmatig hebben gehandeld door onjuiste informatie aan de pers te verschaffen) bestaat geen verknochtheid.

Incidentele vordering afgewezen.

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 214249 / HA ZA 11-526

Vonnis in incident van 18 mei 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak en in het incident,

advocaat mr. J.H. Duyvensz te Rotterdam,

tegen

[gedaagden],

gedaagden in de hoofdzaak en in het incident,

advocaat mr. T.J. van Veen te Ede.

Partijen zullen hierna mr. [eiser] en [gedaagde] c.s. genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot voeging ex artikel 220 Rv

- de incidentele conclusie van antwoord.

Daarna is vonnis bepaald in het incident.

De vaststaande feiten

1.1. Mr. [eiser] heeft [gedaagde] c.s. als advocaat bijgestaan in een procedure die door Sony Music Entertainment tegen [gedaagde] c.s. was aangespannen. Die procedure is geëindigd in een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2005, waarin de vorderingen van Sony integraal zijn toegewezen.

1.2. Bij vonnis van 9 april 2008 heeft de rechtbank Amsterdam in een procedure tussen [gedaagde] c.s. als eisers en mr. [eiser] als gedaagde, voor recht verklaard dat laatstgenoemde jegens [gedaagde] c.s. een beroepsfout heeft gemaakt door het instellen van een onjuist rechtsmiddel tegen het onder 1.1. bedoelde vonnis. Mr. [eiser] is bij dat vonnis veroordeeld tot vergoeding van de door [gedaagde] c.s. als gevolg van die beroepsfout geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat. Tegen dat vonnis is geen rechtsmiddel aangewend.

1.3. Bij exploot van 1 maart 2011 hebben [gedaagde] c.s. de schadestaat aan mr. [eiser] betekend en hem gedagvaard om ter zitting van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2011 te verschijnen. Volgens de schadestaat beloopt de schade een bedrag van € 6.254.174,75. [gedaagde] c.s. hebben gevorderd mr. [eiser] te veroordelen tot betaling aan hen van dat bedrag. Deze procedure is bij de rechtbank Amsterdam bekend onder zaak/rolnummer [nummer].

1.4. Ter verzekering van hun gepretendeerde vordering hebben [gedaagde] c.s. (na daartoe verkregen verloven van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 10 en 14 februari 2011,waarbij de vordering telkens werd begroot op € 795.000,--) op 16 februari 2011 ten laste van mr. [eiser] conservatoire beslagen doen leggen op aan hem in eigendom toebehorende appartementsrechten en onder derden.

1.5. Mr. [eiser] heeft [gedaagde] c.s. daarop gedagvaard in kort geding en opheffing van de beslagen gevorderd. Bij vonnis van 24 februari 2011 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank in Amsterdam deze vordering afgewezen en de vordering waarvoor de beslagen waren gelegd herbegroot op € 50.000,--.

1.6. In de pers zijn over de tussen de partijen gevoerde procedures en de door [gedaagde] c.s. ten laste van mr. [eiser] gelegde beslagen diverse publicaties verschenen.

Het geschil in de hoofdzaak en in het incident

2. Mr. [eiser] heeft in de hoofdzaak gevorderd:

a. [gedaagde] c.s. hoofdelijk te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 100.000,--,

b. [gedaagde] c.s. te gebieden zich te onthouden van uitlatingen richting de pers ter zake van de door hen aanhangig gemaakte procedures en eventueel nog aanhangig te maken procedure(s) richting mr. [eiser] ter zake van en/of samenhangend met de beroepsfout, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3. Mr. [eiser] heeft daaraan, verkort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] c.s. hebben jegens hem onrechtmatig gehandeld door de pers te benaderen over de vorenbedoelde beroepsfout en de beslagen en op onderdelen verkeerde informatie te verschaffen, waardoor de daarover verschenen publicaties onjuistheden bevatten. Daarmee hebben [gedaagde] c.s. inbreuk gemaakt op het belang van [eiser] verschoond te blijven van lichtvaardige en onjuiste verdachtmakingen. De publicaties hadden slechts tot doel [eiser] te beschadigen en dienden geen algemeen belang. Als gevolg van de onrechtmatige publicaties is mr. [eiser] ernstig aangetast in zijn eer en goede naam als advocaat en heeft hij reputatieschade geleden. De omvang van de (immateriële) schade heeft hij begroot op het door hem gevorderde bedrag.

4. In het incident heeft mr. [eiser] gevorderd dat de rechtbank de hoofdzaak zal verwijzen naar de rechtbank in Amsterdam, sector civiel, om te worden gevoegd met de bij die rechtbank aanhangige zaak met het zaaknummer/rolnummer [nummer] (de hiervoor onder 1.3 bedoelde procedure, hierna aan te duiden als de schadestaatprocedure). Mr. [eiser] heeft daarvoor aangevoerd dat de schadestaatprocedure en de onderhavige procedure met elkaar verknocht zijn.

[gedaagde] c.s. hebben betwist dat de beide procedures met elkaar verknocht zijn.

De beoordeling

In het incident

4. Artikel 220 lid 1 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat ingeval de zaak verknocht is aan een zaak die reeds bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig is, de verwijzing naar die andere rechter kan worden gevorderd. Blijkens de parlementaire geschiedenis bij dit artikel is de ratio daarvan de bevordering van de doelmatigheid van procedures en het voorkomen van tegenstrijdige beslissingen. Het komt er op aan of de feitelijke en juridische geschilpunten in de ene zaak gelijk zijn aan die in de andere, of daarmee zodanig samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken wenselijk is.

5. In de schadestaatprocedure zal het bedrag van de door [gedaagde] c.s. geleden schade moeten worden bepaald, tot vergoeding waarvan mr. [eiser] bij het onder 1.2 genoemde eindvonnis van 9 april 2008 in de voorafgaande procedure is veroordeeld. Het gaat in dat geding dus om de vraag of, en zo ja in welke mate, [gedaagde] c.s. als cliënt van [eiser] schade hebben geleden als gevolg van het feit dat deze laatste heeft verzuimd het juiste rechtsmiddel in te stellen tegen een vonnis waarbij [gedaagde] c.s. in het ongelijk waren gesteld.

In de onderhavige procedure gaat het om de vraag of [gedaagde] c.s. jegens mr. [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld door onjuiste informatie aan de pers te verschaffen en zo ja, of mr. [eiser] als gevolg daarvan schade heeft geleden en tot welk bedrag. In deze procedure, die op geen enkele wijze is gestoeld op het vonnis van 9 april 2008, gaat het dus om heel andere feitelijke en juridische geschilpunten dan in de schadestaatprocedure. De enkele omstandigheid dat de door mr. [eiser] gestelde onrechtmatige perspublicaties onder meer betrekking hebben op de in het vonnis van 9 april 2008 aangenomen beroepsfout kan dat niet anders maken.

Mr. [eiser] heeft er in dit verband nog op gewezen dat in de schadestaatprocedure weer ter discussie wordt gesteld of het oproepingsexploot mr. [eiser] al dan niet heeft bereikt en dat de beginselen van een goede procesorde meebrengen dat de feiten in de beide procedures op eenzelfde wijze worden vastgesteld. Dat laatste is op zichzelf beschouwd juist, maar het antwoord op de vraag wanneer mr. [eiser] het oproepingsexploot heeft ontvangen is in de schadestaatprocedure niet meer van belang. Die vraag speelde slechts in de onder 1.2 bedoelde procedure die heeft geleid tot het vonnis van 9 april 2008.

6. Mr. [eiser] heeft verder aangevoerd dat in het kader van de onrechtmatige uitlatingen de omvang van de beweerdelijke door [gedaagde] c.s. geleden schade een rol speelt en dat de omvang van die schade in de schadestaatprocedure moet worden vastgesteld, zodat de zaken ook daarom aan elkaar verknocht zijn.

Daarin kan de rechtbank mr. [eiser] niet volgen. In de onderhavige procedure heeft mr. [eiser] gesteld dat de onrechtmatigheid daaruit bestaat dat [gedaagde] c.s. in de media hebben gemeld dat zij beslag hebben laten leggen voor € 7.000.000,--, terwijl op dat moment de vordering door de voorzieningenrechter was beperkt tot € 795.000,-- en later verder was beperkt tot € 50.000,--, zodat deze mededeling feitelijk onjuist was.

Voor het antwoord op de vraag of deze publicatie in de pers onrechtmatig is, is niet relevant wat de uiteindelijk in de schadestaatprocedure vast te stellen schade zal zijn.

7. De slotsom is dat van verknochtheid die tot voeging moet leiden met het oog op consistentie van uitspraken, geen sprake is. De vordering moet daarom worden afgewezen.

Mr. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

In de hoofdzaak

8. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord.

9. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

in het incident

wijst de vordering af,

veroordeelt mr. [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] c.s. tot op heden begroot op € 1.421,-- wegens salaris van de advocaat,

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 juni 2011 voor conclusie van antwoord,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2011.

Coll.: ED