Home

Rechtbank Amsterdam, 09-02-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:855, 13.075245.22 toetsing ISD

Rechtbank Amsterdam, 09-02-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:855, 13.075245.22 toetsing ISD

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
9 februari 2023
Datum publicatie
23 februari 2023
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2023:855
Zaaknummer
13.075245.22 toetsing ISD

Inhoudsindicatie

Tussentijdse beoordeling ISD-maatregel ongewenst vreemdeling. Veroordeelde wordt vanuit (naam PI 1) overgeplaatst naar (naam PI 3).

Met Dienst T&V wordt plan van aanpak gemaakt voor verantwoorde terugkeer naar land van herkomst.

Uitspraak

beslissing

Teams Strafrecht

De rechtbank te Amsterdam heeft op 20 juli 2022 de maatregel tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren opgelegd aan:

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1989,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans verblijvende in [detentieadres].

Procesgang

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

-

het vonnis van deze rechtbank van 20 juli 2022, inhoudende onder meer de beslissing om uiterlijk 6 maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel te toetsen;

-

een uittreksel Justitiële Documentatie betreffende veroordeelde van 9 januari 2023;

-

een verslag tussentijdse toetsing ISD van 1 februari 2023.

De rechtbank heeft op 9 februari 2023 de officier van justitie mr. M.E. Woudman, veroordeelde, zijn raadsman mr. P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam, alsmede de deskundige [naam deskundige], als casemanager verbonden aan het PPC van [naam PI 1], op de openbare terechtzitting gehoord.

Beoordeling

De opgelegde ISD-maatregel

Bij vonnis van 20 juli 2022 is aan veroordeelde de ISD-maatregel opgelegd voor de duur van 2 jaar. Overwogen is dat veroordeelde geen sociale rechten heeft opgebouwd in Nederland, waardoor hij niet in aanmerking komt voor structurele hulpverlening. Vanwege de zorgen over het psychosociaal functioneren van veroordeelde was een voortvarende aanpak van de uit te voeren diagnostiek en behandeling gewenst. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien om uiterlijk 6 maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel de noodzaak van de voortzetting van de maatregel te toetsen.

Verloop van het ISD-traject

Uit het verslag tussentijdse toetsing van 1 februari 2023 blijkt onder meer het volgende.

Het psychiatrisch toestandsbeeld van veroordeelde is, behoudens een korte ontregeling in de maand december 2022 ten gevolge van cannabismisbruik, gestabiliseerd. Psychotische belevingen en overtuigingen staan niet meer op de voorgrond maar zijn onderliggend nog wel aanwezig. Er is sprake van zelfstandig functioneren op de PPC-afdeling waarbij veroordeelde op momenten als dwingend wordt ervaren jegens het personeel. De dwangmedicatie is gestaakt, omdat hij de medicatie vrijwillig accepteert. De psychose is nog niet in remissie maar er is inmiddels sprake van ziektebesef en beginnend ziekte inzicht. Veroordeelde heeft nog craving en geen ziekte inzicht met betrekking tot de relatie tussen middelen gebruik en psychose. Hij is eind 2022 ongewenst verklaard in Nederland, wenst terug te keren naar [geboorteland] en heeft aangegeven zijn medicatie te willen blijven gebruiken in [geboorteland]. Hij staat op de wachtlijst van PPC [naam PI 2], maar na het bericht van 23 januari 2023 dat [naam PI 2] niet weet op welke termijn hij daar kan worden opgenomen, is contact opgenomen met de Dienst Terugkeer & Vertrek voor het maken van een plan van aanpak. Geadviseerd wordt de ISD-maatregel voort te zetten, zodat in samenwerking met de Dienst Terugkeer & Vertrek een plan kan worden gemaakt voor de terugkeer van veroordeelde naar [geboorteland].

De deskundige heeft het advies van [naam PI 1] bevestigd en in aanvulling daarop verklaard dat vandaag is besloten dat veroordeelde stabiel genoeg is om de zorg af te schalen. Veroordeelde kan worden overgeplaatst naar de ISD-VRIS afdeling van [naam PI 3]. Hij wil meewerken aan een terugkeer naar [geboorteland], zijn land van herkomst.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot voortzetting van de ISD-maatregel.

De raadsman heeft aangevoerd dat de veroordeelde in het PPC zit en dat behandeling in het kader van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel niet is aangevangen. Als veroordeelde wordt overgeplaatst naar [naam PI 3] zal hij weer paranoïde worden en wanen krijgen. Hij moet worden opgenomen in een setting voor patiënten. Veroordeelde heeft geen verblijfsrecht in Nederland. Het is beter om hem uit te zetten. Een psychiatrische inrichting in [plaatsnaam buitenland] is bekend met zijn situatie. Daar kan hij met de hulp van zijn familie re-integreren in de [geboorteland] maatschappij.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank dient in het kader van de onderhavige procedure te beoordelen of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is. In artikel 38m lid 2 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat de ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte.

Op grond van de hierboven genoemde stukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat sinds de start van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel behandeling en diagnostiek hebben plaats gevonden. Binnenkort wordt veroordeelde overgeplaatst naar [naam PI 3] en met de Dienst Terugkeer & Vertrek wordt aan een plan van aanpak gewerkt om hem op een verantwoorde wijze te laten terugkeren naar zijn land van herkomst. De rechtbank acht, gelet hierop, de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk ten behoeve van de beveiliging van de maatschappij en beëindiging van recidive.

Daarom wordt als volgt beslist.

Beslissing

De rechtbank bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel wordt voortgezet.

Deze beslissing is gegeven door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. M.A.E. Somsen en R.K. Pijpers, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2023.