Home

Rechtbank Alkmaar, 16-12-2008, BG9237, AWB 07/3042 BELEI

Rechtbank Alkmaar, 16-12-2008, BG9237, AWB 07/3042 BELEI

Gegevens

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
16 december 2008
Datum publicatie
8 januari 2009
ECLI
ECLI:NL:RBALK:2008:BG9237
Zaaknummer
AWB 07/3042 BELEI

Inhoudsindicatie

Afwijzing subsidieaanvraag van landbouwbedrijf voor investeringen op het terrein van energiebesparing is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Vernietiging bestreden besluit. Verweerder heeft een te ruime uitleg gegeven aan het begrip glastuinbouwonderneming als bedoeld in de Regeling LNV-subsidies. Onder een landbouwonderneming met glasopstanden vallen geen los van de bedrijfsvoering staande privéruimtes, noch bedrijfsonderdelen, zoals vollegrondteelt, die in dit geval aantoonbaar van de teelt in de glasopstand kunnen worden losgekoppeld. In de Regeling LNV-subsidies is geen aanknopingspunt te vinden voor de stelling dat het energieverbruik slechts aan de hand van de jaarafrekening van het energiebedrijf aangetoond kan worden en niet (tevens) door middel van andere bescheiden.

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/3042 BELEI

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van:

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. W.J.M. Overtoom,

tegen

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 20 juli 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiser om subsidie krachtens de Regeling inzake verstrekking van subsidies door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Regeling LNV-subsidies) afgewezen. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 15 oktober 2007 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit bij brief van 6 november 2007 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 20 november 2008, waar eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. P.M. Bakker Schut.

Motivering

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van de Kaderwet LNV-subsidies kan de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij subsidies verstrekken met betrekking tot activiteiten welke passen in het beleid inzake landbouw.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Kaderwet LNV-subsidies kunnen onverminderd hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling de activiteiten waarvoor subsidie kan worden versterkt, nader worden bepaald alsmede andere criteria voor die verstrekking worden vastgesteld.

Bij besluit van 14 februari 2007 (Stscrt. 2007, 33) heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit krachtens de artikelen 2 en 4 van de Kaderwet LNV-subsidies de Regeling LNV-subsidies vastgesteld. Deze regeling is op 1 april 2007 in werking getreden.

Ingevolge artikel 2:37, eerste lid, van de Regeling LNV-subsidies kan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor een investering als bedoeld in bijlage 2 bij deze regeling subsidie verstrekken aan landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden, genoemd bij die investering, voor zover die investering leidt tot een nader in dit artikellid genoemde bedrijfsmodernisering.

Bijlage 2 van de Regeling LNV-subsidies behelst een bijlage bij de artikelen 2:37, eerste lid, 2:38 en 2:40, vierde lid. In deze bijlage wordt verstaan onder:

-glastuinbouwondernemingen: landbouwonderneming met glasopstanden;

-energie-extensief: energieverbruik op een glastuinbouwonderneming dat blijkens de jaarafrekening van het energiebedrijf over het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidieaanvraag wordt ingediend, niet hoger is dan 25 m³ gas van normale calorische waarde per m² glasoppervlak;

-energie-intensief: energieverbruik op een glastuinbouwonderneming dat blijkens de jaarafrekening van het energiebedrijf over het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidieaanvraag wordt ingediend, ten minste 25 m³ gas van normale calorische waarde per m² glasoppervlak bedraagt.

In bijlage 2 is - voor zover hier van belang - in hoofdstuk 1 (investeringen op het terrein van energiebesparing), onder B van de paragrafen 1, 3 en 7, bepaald dat de landbouwondernemingen bedoeld in artikel 2:37, eerste lid, die voor subsidie van de investeringscategorie?n eerste energiescherm, klimaatcomputer en condensor op retour in aanmerking komen, zijn: energie-extensieve glastuinbouwondernemingen.

2. Eiser, exploitant van een landbouwbedrijf te [woonplaats], heeft op 14 mei 2007 bij verweerder een subsidieaanvraag ingediend voor investeringen op het terrein van energiebesparing. De aanvraag heeft betrekking op de investeringscategorie?n eerste energiescherm, klimaatcomputer en condensor op retour. Deze investeringen houden verband met een door eiser beoogde uitbreiding van de capaciteit voor de broei van tulpen in de kas.

Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 20 juli 2007 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat het bedrijf van eiser naar zijn mening is aan te merken als energie-intensieve glastuinbouwonderneming. Volgens verweerder is het energieverbruik op het bedrijf van eiser, gelet op de door hem ingediende jaarafrekening van het energiebedrijf en de totale glasoppervlakte van het bedrijf, hoger dan 25 m³ gas van normale calorische waarde per m² glasoppervlak. Een dergelijk bedrijf komt, aldus verweerder, op grond van artikel 2:37, eerste lid, in samenhang met bijlage 2 van de Regeling LNV-subsidies voor subsidie voor voormelde investeringscategorie?n niet in aanmerking. Om die reden heeft hij de aanvraag niet verder beoordeeld en afwijzend beslist.

3. Eiser betoogt dat hij wel voor de bewuste subsidie in aanmerking komt. Naar zijn mening exploiteert hij een energie-extensieve glastuinbouwonderneming. Verweerder geeft volgens hem in het bestreden besluit blijk van een onjuiste uitleg van de begrippen “energie-extensief” en “glastuinbouwonderneming” als bedoeld in bijlage 2 van de Regeling LNV-subsidies. Eiser voert hiertoe aan dat de Regeling LNV-subsidies, die als doel het energiezuiniger maken van de glastuinbouw heeft, zo moet worden uitgelegd dat het feitelijke energieverbruik in de glasopstand bepalend is voor de vraag of een bedrijf als energie-intensief of energie-extensief moet worden aangemerkt. Verweerder heeft zich, aldus eiser, bij de bepaling van de energie-intensiteit van zijn bedrijf ten onrechte uitsluitend gebaseerd op de jaarafrekening van het energiebedrijf. Deze jaarafrekening omvat niet alleen het gasverbruik van de teelt in de glasopstand, maar ook, omdat eiser slechts over één gasaansluiting beschikt, het gasverbruik in de klimaatcellen en in zijn woning. Volgens eiser voldoet hij, in het geval dat het feitelijke gasverbruik in de glasopstand als uitgangspunt wordt genomen voor de bepaling van het energieverbruik op zijn onderneming, aan de voorwaarde als gesteld in artikel 2:37, eerste lid, van de Regeling LNV-subsidies.

4. De rechtbank stelt voorop dat, gelet op het bepaalde in artikel 2:37, eerste lid, in samenhang met bijlage 2 van de Regeling LNV-subsidies, voor de investeringscategorie?n eerste energiescherm, klimaatcomputer en condensor op retour slechts subsidie kan worden verstrekt aan energie-extensieve glastuinbouwondernemingen.

Ter beoordeling staat de vraag of verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat het landbouwbedrijf van eiser niet als energie-extensieve glastuinbouwonderneming is aan te merken.

5. Vaststaat dat de op 14 mei 2007 ingediende aanvraag tot subsidieverlening van eiser overeenkomstig artikel 2:38 in samenhang met bijlage 2 bij de Regeling LNV-subsidies vergezeld is gegaan van de eindafrekening van de energieleverancier over het jaar 2006. Verweerder heeft deze eindafrekening bij de bepaling van de energie-intensiteit van het bedrijf van eiser tot uitgangspunt genomen. Aan de hand van de eindafrekening en de totale door eiser opgegeven glasoppervlakte van het bedrijf heeft verweerder de hoeveelheid m³ gas per m² glasoppervlak berekend. Volgens verweerder is aan eisers glastuinbouwonderneming een energieverbruik dat hoger is 25 m³ gas per m² toe te rekenen.

6. Blijkens de stukken bestaat het landbouwbedrijf van eiser uit vollegrondteelt (aardappelen en tulpen) en teelt onder glas (het broeien van tulpen). Deze bedrijfsonderdelen beschikken over één gasaansluiting, waarmee tevens de woning van eiser van gas wordt voorzien. Verweerder heeft bij de bepaling van het energieverbruik op de glastuinbouwonderneming van eiser de hoeveelheid gas, die in 2006 nodig was voor de verwarming van eisers woning, de vollegrondteelt en de kas, zoals deze in haar totaliteit volgt uit de eindafrekening, meegenomen en geen nader onderscheid gemaakt.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee een te ruime uitleg gegeven aan het begrip glastuinbouwonderneming. Het begrip glastuinbouwonderneming is in bijlage 2 van de Regeling LNV-subsidies gedefinieerd als landbouwonderneming met glasopstanden. Anders dan verweerder kennelijk meent, vallen naar het oordeel van de rechtbank onder een landbouwonderneming met glasopstanden geen los van de bedrijfsvoering staande privéruimtes, noch bedrijfsonderdelen, zoals vollegrondteelt, die in dit geval aantoonbaar van de teelt in de glasopstand kunnen worden losgekoppeld. Voor deze strikte uitleg van het begrip glastuinbouwonderneming vindt de rechtbank aanknopingspunten in bijlage 2 van de Regeling LNV-subsidies, waarin is vermeld dat de voorzieningen die eiser met de subsidie wil aanschaffen zijn bestemd voor het verminderen van het energieverbruik in glastuinbouwkassen. Voorts sluit deze uitleg aan bij de strekking van de Regeling LNV-subsidies om energiebesparingsmaatregelen in de glasopstand door middel van subsidi?ring te stimuleren. Niet valt derhalve in te zien dat het woonhuis en de vollegrondteelt, die als zelfstandige bedrijfstak is aan te merken en dus losstaat van de glasopstand, als onderdeel van de glastuinbouwonderneming van eiser moeten worden beschouwd en dat het hieraan gekoppelde energieverbruik dientengevolge moet worden meegeteld voor de bepaling of onder de voor energie-extensieve glastuinbouwondernemingen geldende norm van 25 m³ gas per m² glasoppervlak wordt gebleven.

8. Voor zover verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat de regelingsbepalingen voorschrijven dat het energieverbruik aan de hand van de jaarafrekening van het energiebedrijf moet worden vastgesteld en dat hiervan niet kan worden afgeweken, overweegt de rechtbank dat in de Regeling LNV-subsidies geen aanknopingspunten te vinden zijn voor de stelling dat het energieverbruik slechts aan de hand van de jaarafrekening van het energiebedrijf aangetoond kan worden en niet (tevens) door middel van andere bescheiden.

Vaststaat dat de door eiser ingediende jaarafrekening geen uitsplitsing van energieverbruik vanwege de verschillende bedrijfsonderdelen weergeeft, maar dat deze wel is terug te vinden in de begeleidende brief bij de aanvraag tot subsidieverlening. In deze brief van 14 mei 2007 staat vermeld hoeveel het gasverbruik in 2006 is van het woonhuis van eiser, de klimaatcellen en de kas. Deze brief had verweerder moeten nopen tot het stellen van nadere vragen aan eiser met betrekking tot zijn (aparte) bedrijfsvoering, alvorens tot besluitvorming over te gaan. Temeer nu verweerder blijkens zijn mededeling ter zitting wel het gasverbruik voor het woonhuis (forfaitair geschat op 5000 m3 per jaar) in mindering brengt op het totale gasverbruik volgens de jaarafrekening.

Nu verweerder voornoemd nader onderzoek heeft nagelaten en bij de beoordeling van de aanvraag, gelet op het vorenoverwogene, van een onjuiste uitleg van het begrip glastuinbouwonderneming als bedoeld in de Regeling LNV-subsidies is uitgegaan, komt de rechtbank tot het oordeel dat de beslissing op bezwaar onzorgvuldig is voorbereid en een deugdelijke motivering ontbeert.

9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen verdere bespreking. Verweerder dient een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de rechtbank een termijn stellen.

10. De rechtbank acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit bedrag is het product van 2,00 (punten voor het opstellen van het beroepschrift en voor het verschijnen ter zitting) en € 322,00 (waarde per punt) en 1,00 (gewicht van de zaak: gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit op bezwaar neemt;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 143,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 644,00 dient te worden gedaan aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan op 16 december 2008 door mr. A.J. Medze, voorzitter, en mr. J. Blokland mr. A.C. Loman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, griffier.

griffier voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.