Home

Parket bij de Hoge Raad, 01-10-2021, ECLI:NL:PHR:2021:930, 21/03375

Parket bij de Hoge Raad, 01-10-2021, ECLI:NL:PHR:2021:930, 21/03375

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
1 oktober 2021
Datum publicatie
2 november 2021
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:930
Zaaknummer
21/03375

Inhoudsindicatie

Wzd. Art. 2.3 lid 2 Wfz jo art. 24 Wzd. Is officier van justitie verplicht om na te gaan of er een wettelijk vertegenwoordiger is aangesteld ogv art. 28a lid 2 onder c van de Wzd?

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/03375

Zitting 1 oktober 2021

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[betrokkene] ,verzoeker tot cassatie,advocaat: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum,

tegen

Officier van Justitie arrondissementsparket Den Haag,verweerder in cassatie,niet verschenen.

Partijen worden hierna verkort aangeduid als betrokkene respectievelijk officier van justitie.

1 Inleiding en samenvatting

In deze zaak is met toepassing van art. 2.3. van de Wet forensische zorg door de strafrechter op grond van art. 28a Wet Zorg en dwang (Wzd) jo art 24 Wzd een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf verleend voor de duur van zes maanden. In cassatie wordt geklaagd dat de rechtbank het verzoek om een machtiging tot opname en verblijf had moeten aanhouden nu niet duidelijk is of een wettelijke vertegenwoordiger is aangesteld en de officier van justitie dat niet heeft verzocht.

2 Feiten en procesverloop

2.1

Bij verzoekschrift, ter griffie van de rechtbank Den Haag ingekomen op 26 april 2021, heeft de officier van justitie op grond van art. 2.3 lid 2 Wfz in samenhang met art. 24 Wzd de rechtbank verzocht een rechterlijke machtiging te verlenen tot de opname en het verblijf of voortzetting van het verblijf van betrokkene. Bij het verzoekschrift zijn de volgende gegevens overgelegd:

- de politiegegevens en de strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene;- de medische verklaring;- het advies van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).

2.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 mei 2021 in het gebouw van de rechtbank. Daarbij zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door zijn raadsvrouw en de officier van justitie.

2.3

Bij mondelinge beschikking van 7 mei 20211 heeft de rechtbank een rechterlijke machtiging verleend tot opname en verblijf voor de duur van zes maanden. De rechtbank overweegt ten aanzien van de vrijwilligheid en de noodzaak tot opname en verblijf:

“4.1. Uit de overgelegde stukken en naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is gebleken dat cliënt zich verzet tegen de opname en het verblijf. De opname en het verblijf is dan ook onvrijwillig.

(…)

4.7. Wat namens en door cliënt als verweer is aangevoerd, maakt dit niet anders. Uit het CIZ-advies blijkt dat er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. In het verleden zijn reeds minder ingrijpende mogelijkheden, als ambulante begeleiding en vrijwillige opname, ingezet, zonder het gewenste resultaat. Cliënt weigerde behandeling en begeleiding of onttrok zich aan de behandeling of begeleiding. Cliënt heeft in de strafzaak de kans gehad om te worden opgenomen in een kliniek. Dit was één van de voorwaarden die werden gesteld bij het schorsen van de voorlopige hechtenis van cliënt. Omdat hij niet aan die voorwaarde wilde meewerken is de schorsing niet ingegaan. Hieruit blijkt des te meer dat er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn. Ook uit de medische verklaring volgt dat er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn, omdat er vrijwel zeker een terugval in alcoholgebruik zou plaatsvinden indien wordt volstaan met alleen een ambulante behandeling, met uiteindelijk gevaar voor letsel voor derden.

Uit het CIZ-advies blijkt dat opname en verblijf noodzakelijk en geschikt is om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Cliënt heeft ondersteuning en begeleiding nodig, aangeboden op zijn niveau van functioneren. Daarnaast is een stabiele woonsituatie noodzakelijk. Momenteel ontbreekt het cliënt daaraan en heeft hij geen steunend netwerk, werk of zinvolle dagbesteding. In het Pro Justitia rapport wordt bovendien aangegeven dat het risico op nieuw gewelddadig gedrag hoog is. Dat er het laatste halfjaar gedurende de detentie van cliënt in de PPC geen nadelige situatie heeft plaatsgevonden en dat ernstig nadeel alleen bestaat in de huiselijke situatie doet hier niet aan af. Zonder het toewijzen van de rechterlijke machtiging zal cliënt juist weer in die huiselijke situatie belanden, waardoor de kans op ernstig nadeel bijzonder groot is.”

2.4

Namens betrokkene is – tijdig2 – beroep in cassatie ingesteld. De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.Onderdeel I klaagt dat de rechter in de bestreden beschikking eraan voorbij is gegaan dat de officier van justitie heeft verzuimd te vermelden of er een wettelijke vertegenwoordiger is aangesteld en, zo nodig, de procedure tot aanstelling van een wettelijke vertegenwoordiger heeft gestart. Onderdeel II voegt daaraan toe dat indien de verlening van de rechterlijke machtiging doorgang vindt zonder dat een wettelijke vertegenwoordiger is aangesteld, de rechter dient te motiveren waarom de behandeling van het verzoek kan worden voortgezet en er sprake is van spoedeisendheid bij de te verlenen zorg. Het onderdeel stelt dat de rechter bij gebreke van duidelijkheid omtrent de wettelijke vertegenwoordiging van betrokkene de behandeling van het verzoek had dienen aan te houden, dan wel dienen te motiveren waarom een aanhouding op basis van het dossier niet nodig was, omdat er sprake was van spoedeisendheid van de te verlenen zorg. Het onderdeel stelt dat door dat niet te doen, het in de beschikking gegeven oordeel in strijd is met de wettelijke bepalingen, waaronder art. 5 lid 1, aanhef en onder e EVRM, maar tevens onbegrijpelijk wegens het ontbreken van een toereikende motivering.

3.2

In art. 28a Wzd is de procedure geregeld indien voor een persoon met een verstandelijke handicap of psychogeriatrische problematiek op grond van art. 2.3 Wfz een verzoekschrift voor een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wordt ingediend bij de strafrechter. Bij een regulier verzoek tot het verlenen van een machtiging tot opname en verblijf (art. 26 Wzd), dient het CIZ een verzoekschrift in. Anders dan bij een regulier verzoek bepaalt art. 28a Wzd dat de officier van justitie het verzoekschrift bij de strafrechter indient. De officier van justitie kan het verzoekschrift niet indienen zonder overleg met het CIZ, waarbij wordt nagegaan of er al een aanvraag voor een rechterlijke machtiging wordt voorbereid door het CIZ. Mocht dat niet het geval zijn dan zal de officier van justitie zelf met de voorbereidingen van een verzoekschrift starten. Het tweede lid van art. 28a Wzd bepaalt vervolgens:

“2. Zodra de officier van justitie met de voorbereiding van een verzoekschrift begint:a. gaat hij na of er politiegegevens als bedoeld in de Wet politiegegevens of justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens over de cliënt zijn die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het ernstig nadeel en de noodzaak tot onvrijwillige opname en verstrekt hij die gegevens aan de arts die de in onderdeel b bedoelde medische verklaring opstelt, tenzij het belang van enig strafrechtelijk onderzoek zich daartegen verzet;b. draagt hij zorg voor een medische verklaring als bedoeld in artikel 26, vijfde lid onderdeel d, opgesteld in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 26, zevende lid en 27;c. gaat hij na of de betrokkene een wettelijk vertegenwoordiger heeft en start zo nodig de procedure voor het aanwijzen van een wettelijk vertegenwoordiger;d. verzoekt hij het CIZ om een schriftelijk advies over de noodzaak voor een rechterlijke machtiging en over de tenuitvoerlegging daarvan waarbij hij aan het CIZ de gegevens bedoeld in onderdeel a, de verklaring bedoeld in onderdeel b en, zo mogelijk, de gegevens van de wettelijk vertegenwoordiger van de cliënt verstrekt.”

3.3

Indien de officier van justitie een verzoekschrift indient, vermeldt hij daarin waarom hij van oordeel is dat aan de criteria voor onvrijwillige opname is voldaan en voegt daarbij de politiegegevens, de medische verklaring en het advies van het CIZ (art. 28a lid 3 Wzd).

3.4

Middelonderdeel I betoogt dat de officier van justitie heeft verzuimd om na te gaan of de betrokkene een wettelijk vertegenwoordiger heeft en, zo nodig, de procedure tot benoeming van een wettelijk vertegenwoordiger heeft opgestart.

3.5

Art. 1 lid 1 onder e Wzd bepaalt dat onder een vertegenwoordiger wordt verstaan: “wettelijk vertegenwoordiger van de cliënt, of, indien een zodanige persoon ontbreekt, de persoon die daartoe door de cliënt schriftelijk is gemachtigd in zijn plaats te treden, of, indien deze ontbreekt of niet optreedt, de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel, of, indien deze ontbreekt of niet wenst op te treden, een ouder, kind, broer, zus, grootouder of kleinkind van de cliënt;”

3.6

In art. 3 Wzd zijn bepaalde bevoegdheden toegekend aan de vertegenwoordiger, maar alleen voor zover de cliënt niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen. Het uitgangspunt van art. 3 Wzd is dat de cliënt zelf zijn beslissing neemt over de zorg die aan hem verleend wordt. In de parlementaire stukken is dat als volgt toegelicht:

“Als het gaat om het zorgplan en om het geven van instemming, kan er voor mensen met dementie of een verstandelijke beperking een complicerende factor optreden. Zij zijn vaak ernstig beperkt in hun uitdrukkingsvaardigheid en kunnen niet, of niet meer, verwoorden wat ze willen. Of waarom ze iets juist niet willen. Dit zorgt ervoor dat de dynamiek tussen cliënt en zorgverlener een andere is dan in veel sectoren van de zorg.

Zorgverleners moeten gaan invullen wat de wens van de cliënt is, proberen te achterhalen waarom hij iets wil of juist afwijst. Veel verzorgenden en begeleiders doen dat op goed gevoel, vanuit de verantwoordelijkheid die ze voor hun cliënten voelen en de bescherming die ze hen willen bieden. Ook de naasten van een cliënt kunnen daarin een belangrijke rol spelen; zij kunnen de veronderstelde wens van de cliënt verwoorden. Als de cliënt niet meer in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen waar het een specifieke beslissing betreft, dient een wettelijk vertegenwoordiger die rol op zich te nemen. Dat betreft geen beoordeling van de wilsbekwaamheid van de cliënt in zijn algemeenheid, maar een beoordeling van de beslissingsbekwaamheid in specifieke situaties. Daar waar de cliënt wel zelf kan beslissen, hoort hij dat zelf te kunnen doen.”3

3.7

In lid 2 van art. 3 Wzd is bepaald dat een vertegenwoordiger slechts optreedt voor de cliënt voor zover hij een taak heeft als wettelijk vertegenwoordiger of voor zover een daartoe deskundige, niet zijnde de bij de zorg betrokken arts, als eerste overeenkomstig de daarvoor gangbare richtlijnen een beslissing heeft genomen die inhoudt dat de cliënt niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van een beslissing die hem betreft.

3.8

In de onderhavige zaak heeft een onderzoek plaatsgevonden door een onafhankelijke psychiater. De psychiater stelt de diagnose: licht verstandelijke beperking en licht dat als volgt toe:

“Gelet op de omvang van de woordenschat van betrokkene, zijn woordkeuzen, de beperkte complexiteit van de zinnen die hij gebruikt, het abstractievermogen, het begripsvermogen en de schoolopleiding schat ik de intelligentie van betrokkene in op het niveau licht verstandelijk beperkt.Daarenboven is over betrokkene onlangs (1 maart 2021) een uitvoerig rapport Pro Justitia uitgebracht. In het kader van het psychologische onderzoek werd het IQ van betrokkene gemeten met de GIT 2. Het IQ kwam uit op 60, wat overeenkomt met eerdere metingen.”

3.9

De psychiater heeft in de medische verklaring opgemerkt dat betrokkene onderschrijft dat hij een alcoholprobleem heeft en dat er problemen bestaan in de relatie met zijn vader, maar dat betrokkene het niet eens is met de diagnose licht verstandelijke beperking.

3.10

In de medische verklaring is geen melding gemaakt van de aanstelling van een wettelijk vertegenwoordiger. Bij rubriek 4a dat gaat over de onvrijwilligheid ten aanzien van opname of voortzetting van het verblijf van een cliënt van twaalf jaar en ouder is aangekruist: “cliënt verzet zich tegen opname of voorzetting van verblijf”. Er is geen vinkje geplaatst bij “vertegenwoordiger van cliënt verzet zich tegen opname of voorzetting van verblijf”. Hieruit kan worden afgeleid dat de psychiater van oordeel is dat betrokkene zelf beslissingsbevoegd is en dus geacht kan worden tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat te zijn. Het hebben van een lichte verstandelijke beperking betekent immers niet per definitie dat betrokkene wilsonbekwaam is.

3.11

In het rapport van 1 maart 2021 waarnaar de medische verklaring verwijst, is een uitgebreid verslag van het gesprek dat de onderzoeker met betrokkene heeft gevoerd. Onder het kopje klinisch-psychologisch onderzoek staat onder andere het volgende opgemerkt:

“Tijdens het hele onderzoek gaf betrokkene veel blijk van onrecht dat hem wordt aangedaan; hij is in het kader van schorsing preventieve hechtenis in het PPC Vught geplaatst en hij vindt dat dit allemaal veel te lang duurt en dat de Reclassering snel een andere plek voor hem moetzoeken. Hierbij wil betrokkene een grote mate van inspraak hebben en hij lijkt moeilijk in zijn gedrag te beïnvloeden. Hij geeft blijk van moeite met autoriteit, waarbij hij zelfbepalend gedrag laat zien en zich niet snel zal laten sturen.(…)Betrokkene praatte op een vlotte wijze en maakte op het eerste gezicht geen minder begaafde indruk. Al snel bleek echter dat betrokkene woorden verkeerd gebruikte; zo zei hij “hiërarchie” terwijl hij “regie” bedoelde. Zijn woordenschat is beperkt, betrokkene bleek een geringe algemene kennis te hebben en ook was hij minder in staat om oorzaak-gevolg verbanden te zien. Er waren hiermee duidelijke aanwijzingen voor verminderde begaafdheid.

Bij het vertellen van zijn verhaal maakte betrokkene een wijdlopige indruk. De gedachtegang was bij tijd en wijle chaotisch en moeilijk navolgbaar. Rapporteur moest doorvragen om relevante informatie te verkrijgen.

Hij geeft duidelijk blijk van zijn gevoelens van onrecht en het gebrek aan vertrouwen in anderen. Hij vindt dat hij vaak onheus is behandeld, uit zijn woning is gezet, hij is gepest en ook de politie is tegen hem. Hij maakte een erg verongelijkte indruk en heeft de overtuiging dat “eerlijkheid niet bestaat”. Dit geldt ook voor instanties zoals de hulpverlening en justitie en hij geeft hiermee blijk van een achterdochtige opstelling.

Zijn gedachten en gevoelens waren hierbij goed te volgen, maar er is bij betrokkene ook sprake van een sterke neiging tot externaliseren. Hij heeft hierbij de neiging om de verantwoordelijk voor zijn gedrag buiten zichzelf te leggen.(…)Betrokkene geeft weinig blijk van schuld- en schaamtegevoelens en de gewetensfunctie lijkt hiermee minder ontwikkeld. Zijn maatschappelijk normbesef is beperkt; betrokkene vindt niet dat hij onmaatschappelijk gedrag heeft vertoond, zoals schoolverzuim, overmatig alcoholgebruik met overlast en ruzie, mishandeling bij het tenlastegelegde.

Er zijn tijdens het onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor psychotische fenomenen in de vorm van wanen of hallucinaties. Ten tijde van het onderzoek was het bewustzijn helder en er waren geen aanwijzingen voor aandacht- en concentratiestoornissen. De stemming was normofoor; het affect was aanspreekbaar en voldoende modulerend.”

3.12

Ook hieruit volgt dat betrokkene – hoewel hij minder verbaal begaafd is4 –zich voldoende kan uiten en zijn wens kenbaar kan maken.

3.13

Dit wordt ook bevestigd door de raadsvrouw van betrokkene. Zij merkt ter zitting het volgende op:

“De Wfz geldt voor gevallen waarbij sprake is van gedrag als gevolg van een verstandelijke handicap, maar in het onderhavige geval ontstaat de nadelige situatie uit een complex van factoren, namelijk het gebruik van alcohol, de vader-zoon-problematiek en de verstandelijke beperking. Met die diagnose is cliënt het uitdrukkelijk niet eens. U heeft hem op de zitting meegemaakt en hij is behoorlijk bij.”5

3.14

Zoals uit het voorgaande volgt moet een wettelijk vertegenwoordiger aangewezen worden indien een cliënt niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. Indien hij zelf kan beslissen, hoort hij dat zelf te kunnen doen zo volgt ook uit art. 3 Wzd. Kennelijk heeft de officier van justitie geen reden gezien om een wettelijk vertegenwoordiger te laten aanwijzen. Die ruimte heeft de officier van justitie ook gelet op de bewoordingen in art 28a lid 2 onder c waar staat dat hij zo nodig de procedure start voor het aanwijzen van een wettelijk vertegenwoordiger.

De rechtbank oordeelt in rov. 4.1 dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat cliënt zich verzet tegen de opname en het verblijf. Dit oordeel kan in cassatie enkel op begrijpelijkheid getoetst worden. In het licht van de medische verklaring, het rapport van 1 maart 2021 en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Dat het CIZ in het advies heeft aangegeven dat het van belang kan zijn om voor betrokkene een mentor te benoemen die de belangen van betrokkene in het oog houdt, maakt dat niet anders. De rechtbank heeft in rov. 4.7 ook toegelicht waarom er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstig nadeel te voorkomen. Betrokkene heeft zich in het verleden meerdere malen onttrokken aan de behandeling en begeleiding en houdt zich niet aan voorwaarden die worden gesteld.

3.15

Op grond van het voorgaande faalt het cassatiemiddel dan ook geheel.

4 Conclusie