Home

Parket bij de Hoge Raad, 04-12-2009, BJ8333, 08/00993

Parket bij de Hoge Raad, 04-12-2009, BJ8333, 08/00993

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
4 december 2009
Datum publicatie
4 december 2009
ECLI
ECLI:NL:PHR:2009:BJ8333
Zaaknummer
08/00993

Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht; procesrecht. Geschil n.a.v. overeenkomst grondruil in kader van HSL-zuid project. Onrechtmatig handelen door bewust profiteren van andermans wanprestatie en/of ongerechtvaardigde verrijking? Slagende motiveringsklacht inzake stelplicht.

Conclusie

Zaaknummer: 08/00993

mr. Wuisman

Rolzitting: 18 september 2009 (bij vervroeging)

CONCLUSIE inzake :

Staat der Nederlanden,

eiser tot cassatie in het principaal beroep,

verweerder in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

advocaten: Mr. M.W. Scheltema en mr. F.M. Ruitenbeek-Bart

tegen

[Verweerster],

verweerster in het principaal beroep,

eiseres tot cassatie in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

advocaat: Mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt

1. Inleiding

1.1 In de feitelijke instanties was behalve de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) en [verweerster] (hierna: [verweerster]) bij de procedure ook procespartij [A] B.V. (hierna: [A]). Nu [A] zelf niet in cassatie is gekomen van het door het hof 's-Gravenhage op 29 november 2007 tussen genoemde partijen uitgesproken arrest, kan hier worden volstaan met het vermelden van de hoofdzaken van de rol die [A] in de onderhavige zaak speelt.((1))

1.2 [Verweerster] en [A] zijn zustervennootschapppen, waarvan de eerste werkzaam is op het vlak van projectontwikkeling en de tweede op het vlak van sloop en verkoop van gebruikte bouwmaterialen. Beide vennootschappen worden bestuurd door [B] B.V. Van deze laatste vennootschap is [betrokkene 2] (hierna ook [betrokkene 2]) statutair directeur.

1.3 In het kader van het project Hogesnelheidslijn-Zuid (hierna: project HSL-zuid) hebben de Staat en [A] op of omstreeks 4 december 2000 een overeenkomst van grondruil gesloten. Uit hoofde van die overeenkomst zou [A] aan de Staat een stuk grond leveren tegen levering door de Staat aan haar van twee percelen grond met daarop twee woningen onder één kap ([a-straat 1a] en [a-straat 1b]). Van [a-straat 1b] had de Staat in juli 2000 al de eigendom verworven, die van [a-straat 1a] moest de Staat nog zien te verkrijgen van de toen aldaar nog woonachtige [betrokkene 1]. Ter afdekking van het verschil tussen de waarde van de door [A] te leveren en van de door haar te ontvangen grond diende de Staat nog een bedrag van NLG 365.000,- (€ 165.629,78) aan [A] te betalen. Verder had de Staat niet alleen de plicht maar ook het recht om de woningen, zodra zij niet meer bewoond zouden zijn, voor zijn rekening te slopen.((2)) Bij het uitvoeren van de sloop had de Staat belang, zo heeft hij aangevoerd((3)), omdat hij aan de eigenaren te kennen had gegeven de eigendom van de woningen te willen verwerven om hen te kunnen slopen en ook omdat hij door de woningen te slopen wilde vermijden gehouden te zijn tot het treffen van kostbare geluidwerende voorzieningen in verband met het project HSL-zuid. De levering van het aan [A] toebehorend stuk grond en van [a-straat 1b] is op 12 december 2000 uitgevoerd, die van [a-straat 1a] op 24 mei 2002. Bij een aan deze laatste levering voorafgaande vaststellingsovereenkomst was tussen betrokkenen afgesproken, dat [betrokkene 1] niet later dan 1 december 2002 de woning zou ontruimen en de Staat de percelen [a-straat 1a] en [a-straat 1b] niet later dan 31 december 2002 feitelijk ter beschikking zou stellen na eerst voor de sloop van beide op die percelen staande woningen te hebben gezorgd. Op laatstgenoemde datum woonde [betrokkene 1] nog in [a-straat 1a] en waren beide woningen niet gesloopt. Bij een door [A], [B] B.V. en [betrokkene 2] ondertekende brief van 10 februari 2003 is aan de Staat bericht dat aan de Staat de sloop van de woningen niet meer wordt toegestaan, nu de daarvoor gestelde termijn niet is aangehouden. Op 5 maart 2003 heeft [A] de eigendom van de percelen [a-straat 1a] en [a-straat 1b] aan [verweerster] overgedragen. De Staat legt beslag op deze percelen ter verzekering van de schadevordering, die hij stelt op [verweerster] te hebben.

1.4 In de bij dagvaarding van 28 april 2003 tegen [A] en [verweerster] bij de rechtbank 's-Gravenhage aanhangig gemaakte procedure vordert de Staat - op de grond, kort gezegd, dat zij de uitoefening door de Staat van haar recht op slopen van [a-straat 1a] en [a-straat 1b] hebben gefrusteerd -, primair (a) voor recht te verklaren dat [A] en [verweerster] jegens de Staat onrechtmatig hebben gehandeld en/of ongerechtvaardigd zijn verrijkt en/of wanprestatie hebben gepleegd en (b) [verweerster] - bij wijze van schadevergoeding ex artikel 6:103 BW - te veroordelen om te gehengen en gedogen dat de Staat [a-straat 1a] en [a-straat 1b] zal slopen. In reconventie vordert [verweerster] de Staat te veroordelen aan haar de schade te vergoeden, die zij lijdt en zal lijden als gevolg van het beslag dat de Staat op de percelen [a-straat 1a] en [a-straat 1b] heeft gelegd.

1.5 In haar vonnis d.d. 15 maart 2006 oordeelt de rechtbank eerst dat [A] wanprestatie heeft gepleegd jegens de Staat en [verweerster] jegens de Staat onrechtmatig heeft gehandeld (rov. 4.1), waarna zij de primaire vordering sub (b) in conventie van de Staat toe- en de reconventionele vordering van [verweerster] afwijst. De woningen [a-straat 1a] en [a-straat 1b] worden vervolgens op last van de Staat gesloopt.

1.6 Alle partijen komen van het vonnis van de rechtbank in appel, de Staat voorwaardelijk incidenteel. Na geoordeeld te hebben dat:

(a) [A] toerekenbaar is tekort geschoten jegens de Staat in het nakomen van de verplichting om de Staat in staat te stellen zijn slooprecht uit te oefenen (rov. 3.2 t/m 3.5) en aannemelijk is dat de Staat dientengevolge schade heeft geleden (rov. 6.2);

(b) [A] niet ten koste van de Staat ongerechtvaardigd is verrijkt (rov. 5.1 en 5.2);

(c) [verweerster], nu naast het gestelde bewust profiteren van de wanprestatie van [A] niet van de daartoe vereiste bijkomende omstandigheden is gebleken, niet onrechtmatig jegens de Staat heeft gehandeld (rov. 4.1 en 4.2), de Staat geen vordering op [verweerster] heeft gehad en de mogelijkheid van schade bij [verweerster] als gevolg van het door de Staat ten laste van haar gelegde beslag aannemelijk is (rov. 6.1);

komt het hof, afgezien van de proceskosten, tot de volgende eindbeslissingen:

- vernietiging van het bestreden vonnis van de rechtbank;

- veroordeling van [A] tot vergoeding van de door de Staat geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- veroordeling van de Staat tot vergoeding aan [verweerster] van de door haar als gevolg van de beslaglegging geleden en te lijden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- afwijzing van het meer of anders gevorderde.

1.7 De Staat stelt tijdig principaal cassatieberoep tegen het arrest van het hof in, [verweerster] komt voorwaardelijk incidenteel in cassatie. Partijen laten hun standpunt in cassatie schriftelijk door hun advocaten toelichten. Van de zijde van de Staat wordt er nog gerepliceerd.

2. Bespreking van de cassatieberoepen

2.1 Omdat onderdeel 1 van het principaal cassatiemiddel en het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel met elkaar samenhangen, worden zij hierna in die volgorde besproken. Daarna wordt nog stilgestaan bij de onderdelen 2 en 3 van het principaal middel.

onderdeel 1 van het principaal cassatiemiddel

2.2 In de rov. 4.1 en 4.2 oordeelt het hof, kort gezegd, (a) dat om tot onrechtmatig handelen wegens profiteren van wanprestatie van een ander te kunnen concluderen naast het bewust profiteren bijkomende omstandigheden nodig zijn((4)), (b) dat de Staat als enige bijkomende omstandigheid heeft aangevoerd dat [A] en [verweerster] met de overdracht van de percelen hebben beoogd te bewerkstelligen dat de Staat zijn slooprecht niet meer zou kunnen uitoefenen, (c) dat de Staat die stelling onvoldoende heeft onderbouwd, (d) zodat - bij gebreke van een bijkomende omstandigheid - niet tot een onrechtmatig handelen van [verweerster] wegens profiteren door haar van de wanprestatie van [A] kan worden geconcludeerd en bewijslevering op dit punt niet aan de orde is. Sub 1.2 van onderdeel 1 wordt op dertien stellingen van de Staat gewezen ter adstructie dat 's hofs oordeel van onvoldoende onderbouwing onbegrijpelijk en derhalve onvoldoende gemotiveerd is. Deze klacht vindt een nadere uitwerking sub 1.3 van onderdeel 1.

2.3 's Hofs oordeel van onvoldoende onderbouwing stoelt op een uitleg van de door de Staat in de loop van de procedure ingenomen proceshouding. Dat oordeel vormt een feitelijk oordeel en komt bijgevolg in cassatie slechts voor een toetsing op begrijpelijkheid in aanmerking.

Bij het onderzoek hiernaar dient ervan te worden uitgegaan dat er aan de kant van [verweerster] sprake is geweest van een bewust profiteren van de wanprestatie van [A]. Daar gaat het hof in rov. 4.1 nl. van uit, terwijl [verweerster] het uitgangspunt dat er sprake is geweest van een bewust profiteren door [verweerster] van de wanprestatie van [A] jegens de Staat in cassatie bestrijdt onder de voorwaarde dat onderdeel 1 van het principaal middel doel treft.

2.4 Van de dertien stellingen kan worden gezegd dat zij door de Staat in de feitelijke instanties naar voren zijn gebracht. Maar kan ook worden gezegd dat zij naar voren zijn gebracht (mede) om te onderbouwen de stelling dat [verweerster] aan de overdracht door [A] aan haar van de eigendom van de percelen [a-straat 1a] en [a-straat 1b] heeft meegewerkt om zo te bewerkstelligen dat de Staat geen nakoming van de sloop meer zou kunnen afdwingen?

2.5 Kennisneming van die processtukken, waarin van de zijde van de Staat het thema van een zelfstandige onrechtmatige daad van [verweerster] jegens de Staat wegens profiteren van de wanprestatie van [A] ten opzichte van de Staat aan de orde wordt gesteld((5)), leert het volgende:

a. Men komt niet alle dertien stellingen tegen, ook niet in de zin van sommige hier en andere daar, op de plaatsen waar de Staat zich beroept op een zelfstandige onrechtmatige daad van [verweerster] jegens de Staat wegens profiteren van de wanprestatie van [A]. Met name de stellingen (v) t/m (xiii), die merendeels de strekking hebben dat het niet aan de Staat te wijten is dat het aanvankelijk niet tot het slopen van de woningen is gekomen, maar dat [betrokkene 2] hierin de hand heeft gehad die zich hierbij liet leiden door de ontwikkelingen op het vlak van de besluitvorming ter zake de bestemming van de percelen, worden daar niet naar voren gebracht.

b. Wel wordt daar waar een zelfstandige onrechtmatige daad van [verweerster] jegens de Staat wegens profiteren van de wanprestatie van [A] ter sprake komt, meer malen benadrukt dat met de persoon van [betrokkene 2] er een nauwe band tussen [A] en [verweerster] bestaat, omdat de directie van beide vennootschappen door [B] B.V. wordt gevoerd en van deze vennootschap [betrokkene 2] de statutair directeur is, dat deze laatste direct betrokken was bij de grondruil met de Staat en kennis droeg van de in dat verband gemaakte afspraken en dat diens kennis, wetenschap en inzichten kunnen worden aangemerkt als kennis, wetenschap en inzichten van beide eerstgenoemde vennootschappen. Op een en ander hebben de stellingen (i) t/m (iv) betrekking.

c. Over [verweerster] laat de Staat zich tijdens de eerste aanleg op die plaatsen waar een zelfstandige onrechtmatige daad van [verweerster] ter sprake komt, verder uit in termen als: dat zij volstrekt te kwader trouw is geweest; dat er sprake is geweest van een één-tweetje tussen haarzelf en [A] (dagvaarding in eerste aanleg sub 12); dat zij de wanprestatie van [A] opzettelijk in de hand heeft gewerkt (dagvaarding in eerste aanleg 22) of mogelijk heeft gemaakt (conclusie van antwoord in reconventie, sub 8); dat zij willens en wetens gebruik heeft gemaakt van de toerekenbare tekortkoming van [A] (conclusie na comparitie in conventie en reconventie d.d. 8 juni 2005, sub 38). In appel verzoekt de Staat eerst om als herhaald en ingelast te beschouwen hetgeen zij in eerste aanleg heeft gesteld (memorie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel, sub 1) en benadrukt hij vervolgens dat [verweerster] bewust van de wanprestatie van [A] heeft geprofiteerd en dat zij wist dat door de overdracht aan haar van de percelen het slooprecht van de Staat zou worden gefrustreerd (memorie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel, sub 37 en 39).

2.6 Te constateren valt dat de Staat op die plaatsen in zijn processtukken, waar hij het gepleegd zijn door [verweerster] van een zelfstandige onrechtmatige daad ter sprake brengt, niet met zoveel woorden het "met de overdracht willen frustreren van het uitoefenen van het slooprecht van de Staat" stelt. Op die plaatsen zijn niettemin wel de stellingen te vinden dat [verweerster] bij het overnemen van de percelen volstrekt te kwader trouw is geweest of dat er sprake is geweest van een één-tweetje tussen haar en [A] of dat zij met het overnemen van de percelen de wanprestatie van [A] opzettelijk in de hand heeft gewerkt of mogelijk heeft gemaakt. Bezien in combinatie met de stellingen omtrent het bestaan via de persoon van [betrokkene 2] van een nauwe band tussen [A] en [verweerster], vallen deze stellingen toch moeilijk anders te begrijpen dan als even zovele verwijzingen naar de stellingen elders over het frustreren van het slooprecht van de Staat. Daar komt bij dat die stellingen, waarbij een verband wordt gelegd tussen het frustreren van het slooprecht en de besluitvorming omtrent de bestemming van de percelen, in het bijzonder [verweerster] raken. Zij strekken immers ertoe te betogen dat het voor [verweerster] als projectontwikkelaar van belang was dat de woningen vooralsnog niet gesloopt werden en dat het met het oog daarop gewenst was dat de percelen en daarmee ook de woningen in haar handen kwamen in plaats van dat zij in handen van [A] bleven. Een en ander betekent, dat toch niet voldoende begrijpelijk is dat het hof de stelling dat met de overdracht beoogd werd de Staat te beletten om nakoming van zijn slooprecht af te dwingen, onvoldoende onderbouwd acht.

2.7 De door het hof in rov. 4.2 genoemde omstandigheden dat [verweerster] een projectontwikkelaar is en [A] zich toelegt op sloopwerkzaamheden en de verkoop van gebruikte bouwmaterialen, [verweerster] en [A] deels andere aandeelhouders hebben en aan [verweerster] ook nog andere percelen zijn overgedragen, bieden aan 's hofs bestreden oordeel niet echt steun. Zoals hiervoor al opgemerkt, had [verweerster] juist als projectontwikkelaar er belang bij dat de woningen vooralsnog niet werden gesloopt. Mede in dat licht bezien, valt niet in te zien dat en waarom het hof betekenis toekent aan de andere omstandigheden. Op een en ander wordt sub 1.3 van onderdeel 1 terecht gewezen.

2.8 Kortom, de klachten in onderdeel 1, sub 1.2 en 1.3 treffen doel.

voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel

2.9 Bij de hiervoor met betrekking tot onderdeel 1 van het principaal middel bereikte uitkomst moet de voorwaarde waaronder het incidenteel beroep is ingesteld, voor vervuld worden gehouden.

2.10 Het incidenteel cassatiemiddel kan, naar het voorkomt, geen doel treffen. De daarin vervatte klachten stoelen op de veronderstelling dat het hof in rov. 4.1 daadwerkelijk een beslissing heeft genomen omtrent de vraag of [verweerster] bewust van de wanprestatie van [A] heeft geprofiteerd. Het hof heeft dat, zo schijnt het toe, in rov. 4.1 niet gedaan. Het hof laat dat punt in het midden, gaat dus veronderstellenderwijs ervan uit dat [verweerster] zich bewust was van de wanprestatie van [A], en laat daarmee het antwoord op de vraag of het bewust profiteren van de wanprestatie van [A] een onrechtmatig handelen van [verweerster] vormt, geheel hiervan afhangen of er bijkomende omstandigheden zijn die dat profiteren onrechtmatig maken. Het hof onderbouwt immers niet waarom het aanneemt dat [verweerster] zich van de wanprestatie van [A] bewust is geweest, hetgeen echter vanwege de betwisting daarvan door [verweerster] wel in de rede zou hebben gelegen.

onderdeel 2 van het principaal cassatiemiddel

2.11 De strekking van onderdeel 2 is om te bestrijden dat het hof geen vordering van de Staat jegens [verweerster] aanvaardt in verband met ongerechtvaardigde verrijking. Die bestrijding geschiedt vanuit twee invalshoeken:

1. het hof legt de stellingen van de zijde van de Staat onbegrijpelijk uit door niet te onderkennen dat de Staat een zelfstandige vordering jegens [verweerster] uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking heeft ingesteld en niet slechts een vordering uit onrechtmatige daad van [verweerster] jegens de Staat wegens profiteren van ongerechtvaardigde verrijking bij [A], althans het hof verzaakt zijn taak als appelrechter door die zelfstandige vordering niet te behandelen (onderdeel 2, sub 2.1 t/m 2.1.4);

2. althans, indien het hof wel een zelfstandige vordering van de Staat jegens [verweerster] uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking heeft onderkend en behandeld, verbindt het hof ten onrechte, althans zonder voldoende motivering, aan zijn oordeel dat er geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking bij [A], de slotsom dat er ook geen sprake is geweest van ongerechtvaardigde verrijking bij [verweerster] die haar jegens de Staat tot schadevergoeding verplicht (onderdeel 2, sub 2.2 t/m 2.2.4).

2.12 Allereerst dringt zich de vraag op of de Staat wel voldoende belang bij onderdeel 2 heeft. De ongerechtvaardigde verrijking zoekt de Staat ook bij [verweerster] in de verkrijging door [verweerster] van de twee woningen. Nu vaststaat dat deze woningen na het vonnis van de rechtbank op last van de Staat zijn gesloopt, is, voor zover de zojuist genoemde verrijking zich heeft voorgedaan, die verrijking door de Staat weer ongedaan gemaakt. Het valt bij deze stand van zaken niet in te zien welk belang de Staat erbij heeft om het spoor van de ongerechtvaardigde verrijking ten aanzien van [verweerster] te blijven vervolgen.

2.13 Voor zover erover wordt geklaagd dat het hof niet heeft onderkend dat de Staat jegens [verweerster] een zelfstandige vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking heeft ingesteld, mist die klacht feitelijke grondslag. In rov. 6.3 overweegt het hof immers, dat grief 2 uit het voorwaardelijk incidenteel appel, voor zover deze grief [verweerster] aangaat, faalt onder meer omdat zij tegenover de Staat niet ongerechtvaardigd is verrijkt. Hieruit blijkt dat het hof heeft onderkend dat de Staat tegen [verweerster] ook een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking heeft ingesteld los van een profiteren van de beweerde ongerechtvaardigde verrijking van [A].

2.14 De afwijzing in rov. 6.3 van de vordering op [verweerster] uit ongerechtvaardigde verrijking stoelt kennelijk op de eerdere beslissing(en) dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen aan de kant van [verweerster]. Daardoor ontbreekt de grond om, voor zover er sprake zou zijn van een verrijking bij [verweerster] als gevolg van de verkrijging van de woningen als sequeel van de overdracht aan haar van de percelen grond, deze als ongerechtvaardigd aan te merken. Dit betekent dat de klacht dat het hof de zelfstandige vordering op [verweerster] uit ongerechtvaardigde verrijking niet heeft behandeld, eveneens feitelijke grondslag mist.

2.15 Bij de klachten in onderdeel 2, sub 2.2 t/m 2.2.4, wordt aangenomen - zie het gestelde sub 2.2.2 -, dat in cassatie ervan kan worden uitgegaan dat [verweerster] aan [A] een koopprijs voor de percelen (inclusief woningen) heeft betaald die gelijk was aan of lager was dan de grondwaarde van de percelen. Dat wordt afgeleid uit het oordeel van het hof dat de Staat in het kader van de beweerde ongerechtvaardigde verrijking van [A] niet heeft gesteld dat [A] als verkoopprijs voor [a-straat 1a] en [a-straat 1b] van [verweerster] meer heeft ontvangen dan de waarde die daaraan in de ruikovereenkomst was toegekend. Dit oordeel over onvoldoende gesteld zijn door de Staat ter zake van de verhouding [verweerster]/[A], vormt niet een voldoende solide basis voor het trekken van conclusies over dat wat [A] van [verweerster] voor de percelen heeft ontvangen. Dit geldt te meer nu de overdracht van de percelen aan [verweerster] deel uitmaakte van een transactie waarbij [verweerster] ook nog andere grond van [A] verwierf, en ten processe niet meer is gebleken dan wat de door [verweerster] aan [A] verschuldige koopprijs voor alle verworven grond is geweest. Anders gezegd, de klachten over het niet aannemen van een verrijking bij [verweerster] missen een deugdelijke feitelijke grondslag.

onderdeel 3 van het principaal cassatiemiddel

2.16 Onderdeel 3 behoeft geen afzonderlijke bespreking, aangezien het onderdeel geheel voortbouwt op de voorafgaande onderdelen.

3. Conclusie

Omdat onderdeel 1 en, voor zover daarop voortbouwend, ook onderdeel 3 doel treffen, wordt tot vernietiging van het bestreden arrest van het hof geconcludeerd.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Daarbij is mede geput uit de vaststaande feiten als weergegeven onder 2 van het vonnis van 15 maart 2006 van de rechtbank 's-Gravenhage en de korte schets van de zaak in de rov. 1.2 t/m 1.10 van het arrest d.d. 29 november 2007 van het hof 's-Gravenhage.

2. Aldus beslist het hof in rov. 3.2 van zijn arrest van 29 november 2007.

3. Zie in dit verband onder meer de memorie van antwoord tevens inhoudende voorwaardelijk incidenteel appel, d.d. 28 september 2006, sub 4 en 7, van de Staat.

4. Hiertegen komt de Staat in cassatie niet op, begrijpelijk want dit oordeel van het hof strookt met constante rechtspraak van de Hoge Raad. Zie recentelijk nog HR 26 januari 2007, NJ 2007, 78, rov. 3.4.

5. Zie in dit verband: dagvaarding in eerste aanleg, sub 12 en 22; conclusie van antwoord in reconventie, sub 2 en 8 t/m 10; conclusie na comparitie in conventie en reconventie d.d. 08.06.2005, sub 38; memorie van antwoord tevens voorwaardelijk incidenteel appel, sub 35 t/m 41 en 57 t/m 61.