Home

Parket bij de Hoge Raad, 10-05-2005, AT1812, 02790/04

Parket bij de Hoge Raad, 10-05-2005, AT1812, 02790/04

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10 mei 2005
Datum publicatie
10 mei 2005
ECLI
ECLI:NL:PHR:2005:AT1812
Formele relaties
Zaaknummer
02790/04

Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid vordering benadeelde partij in appèl. Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij zich ex art. 51b.1 Sv in eerste aanleg heeft gevoegd (hetgeen eerst na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg was gebleken). In ’s hofs overwegingen ligt besloten dat, nu de rb niet op de vordering heeft beslist, die vordering in eerste aanleg niet is toegewezen. ’s Hofs oordeel dat, gelet daarop, de benadeelde partij in appèl in haar ex art. 421.3 Sv gehandhaafde vordering ontvankelijk is, is juist.

Conclusie

Nr. 02790/04

Mr. Vellinga

Zitting: 15 maart 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1 primair en 2 primair "poging tot doodslag, meermalen gepleegd" veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van €7901,94. Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Voor het overige heeft het Hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

2. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden.

4. De verdachte heeft op 29 december 2003 beroep in cassatie gesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 1 oktober 2004 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn is overschreden en de straf dus moet worden verminderd.

5. Het middel slaagt.

6. Het tweede middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring voor wat betreft het opzet onvoldoende met reden heeft omkleed. Ter terechtzitting is immers het verweer gevoerd dat van voorwaardelijk opzet op het van het leven beroven geen sprake was omdat de verdachte de slachtoffers niet heeft geraakt op een zodanige plaats op het lichaam dat dit zeer waarschijnlijk de dood ten gevolge had kunnen hebben.

7. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 primair bewezenverklaard dat:

"hij op 28 augustus 2002 te Hendrik-Ido-Ambacht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [het slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in zijn gezicht heeft gestoken en heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid";

en onder 2 primair dat:

"hij op 17 juni 2002 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [het slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een steen op zijn hoofd heeft geslagen en die [slachtoffer] meermalen tegen zijn hoofd en tegen zijn lichaam heeft geslagen en heeft gestompt en heeft geschopt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid".

8. De verdachte heeft ten aanzien van de tenlastegelegde feiten geen verklaring afgelegd. Het Hof heeft geen nadere bewijsoverweging gewijd aan het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte. Derhalve zal moeten blijken of het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer. In HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552, rov. 3.6 heeft de Hoge Raad met betrekking tot voorwaardelijk opzet onder meer overwogen:

"Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard."

9. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde vastgesteld (i) dat de verdachte met een soort overlevingsmes van circa 20 cm in zijn rechterhand op het slachtoffer is toegerend, (ii) dat de verdachte de rechterarm van het slachtoffer vasthield en met het mes een zwaaibeweging van rechts naar links langs het gezicht van het slachtoffer maakte, (iii) dat het slachtoffer zijn hoofd nog naar achteren trok, maar niet kon voorkomen dat het mes vanaf zijn linkeroor over zijn linkerwang sneed alsmede (iv) dat het slachtoffer ernstig uitwendig bloedverlies heeft geleden en dat takjes van de aangezichtszenuw zijn doorgesneden.

10. In aanmerking genomen dat aldus uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met een voor doden geschikt wapen het slachtoffer in een vitaal lichaamsdeel als het hoofd heeft willen raken en ook heeft geraakt en dat het slachtoffer de gevolgen daarvan tot op zekere hoogte alleen door een ontwijkende beweging heeft kunnen beperken, was verdachtes gedrag naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het doden van het slachtoffer dat het Hof uit verdachtes gedraging minstgenomen heeft kunnen afleiden dat hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer dodelijk zou verwonden (vgl. HR 25 november 2003, LJN AM2485 en HR 16 september 2003, LJN AI0034) en dus handelde met het opzet op de dood van het slachtoffer.

11. Ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde heeft het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld (i) dat verdachte het slachtoffer met een baksteen een keiharde klap op zijn achterhoofd gaf, zo hard dat hij het voelde en hoorde kraken in zijn hoofd, (ii) dat verdachte het slachtoffer op dezelfde wijze meer dan acht klappen op zijn hoofd heeft gegeven en dat het geweldig veel pijn deed, (iii) dat het slachtoffer vervolgens van verdachte op zijn hoofd, rug en lichaam klappen kreeg, (iv) dat het slachtoffer ook door verdachte werd geschopt tegen zijn lichaam toen hij op de grond lag, en (v) dat het slachtoffer een flinke wond op zijn achterhoofd had met uitwendig bloedverlies die moest worden gehecht, dat hij kneuzingen had van de linkerarm, de hand en de heup.

12. In aanmerking genomen dat aldus uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met een voor doden geschikt wapen als een baksteen het slachtoffer meermalen hard op een vitaal lichaamsdeel als het hoofd heeft geslagen en hem tegen zijn lichaam heeft geschopt terwijl hij op de grond lag, waren verdachtes handelingen naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het doden van het slachtoffer dat het Hof uit verdachtes gedragingen minstgenomen heeft kunnen afleiden dat hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer dodelijk zou verwonden en dus handelde met het opzet op de dood van het slachtoffer.

13. Dat het handelen van verdachte ook door een neutrale toeschouwer zo werd opgevat, blijkt uit de verklaring van de getuige [getuige 1], die onder meer heeft verklaard:

"Ik dacht echt dat de man doodgeslagen werd, zo hard werd hij geslagen".

14. In de toelichting wordt nog geklaagd dat het Hof ten onrechte bij de bewijsmotivering ten aanzien van verdachtes identiteit heeft laten meewegen dat de verdachte geen verklaring heeft willen afleggen omtrent zijn aanwezigheid danwel afwezigheid op de plaatsen waar de tenlastelegde feiten zich hebben voltrokken. Waarom het Hof dit ten onrechte heeft laten meewegen wordt echter niet toegelicht. Aldus is mijns inziens niet voldaan aan het formuleren van een duidelijke en stellige klacht, zodat deze onbesproken kan blijven (vgl. HR 11 januari 2005, LJN: AR 5101). Overigens meen ik dat het Hof geen rechtsregel heeft geschonden door bij de bewijsmotivering te betrekken dat de verdachte geen verklaring heeft willen afleggen omtrent zijn aan- of afwezigheid op de plaatsen waar de tenlastegelegde feiten zich hebben voltrokken (vgl. HR 15 juni 2004, NJ 2004, 464).

15. Het middel faalt.

16. Het derde middel klaagt dat het Hof de vordering van de benadeelde partij ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in hoger beroep.

17. Namens de benadeelde partij heeft [betrokkene 1] tijdig een verweerschrift ingediend. Dit verweerschrift komt echter niet voor bespreking in aanmerking, nu niet is gebleken dat dit verweerschrift afkomstig is van een advocaat. Overigens heeft [betrokkene 1] het verweerschrift bij brief van 3 maart 2005 ingetrokken.

18. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 december 2003 is daar omtrent de vordering van de benadeelde partij het volgende voorgevallen:

"De voorzitter deelt mede dat de benadeelde partij [het slachtoffer] zijn vordering handhaaft in hoger beroep blijkens het zich in het dossier bevindende voegingsformulier.

De raadsman deelt mede dat in eerste aanleg geen beslissing is genomen over de vordering van de benadeelde partij en dat hierover niet voor het eerst in hoger beroep een beslissing genomen kan worden.

De advocaat-generaal deelt mede dat hij de visie van de raadsman deelt.

Het hof onderbreekt hierop het onderzoek voor beraadslaging.

Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede, dat het hof de vordering van de benadeelde partij ontvankelijk acht, aangezien uit het dossier blijkt dat door de benadeelde partij in eerste aanleg een ondertekend voegingsformulier is ingediend, waarop vermeld is een schadevordering ten bedrage van € 8.933,51, welk formulier naar eveneens uit de stukken blijkt bij het parket is binnengekomen op 26 november 2002, zodat het er, gezien ook het in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg vermelde omtrent het na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting voorgevallene, voor moet worden gehouden dat die vordering in eerste aanleg door de benadeelde partij conform het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering is ingediend en deze derhalve thans in hoger beroep in zijn vordering dient te worden ontvangen."

19. Het Hof heeft vervolgens bij arrest de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van €7901,94 toegewezen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

20. In eerste aanleg is de verdachte van het hem tenlastegelegde vrijgesproken. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 28 november 2002 houdt omtrent de vordering van de benadeelde partij het volgende in:

"Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat als gemachtigde van de benadeelde [het slachtoffer] een medewerkster van het buro slachtofferhulp in de zittingzaal aanwezig was. Zij deelt mede dat zij eerder een Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces heeft ingediend.

Zo'n formulier bevindt zich tijdens de behandeling ter terechtzitting niet bij de processtukken.

De officier van justitie overhandigt in de middag van 28 november 2002 alsnog dit voegingsformulier onder de mededeling dat hij dit formulier in de burolade van een niet nader te noemen parketmedewerker heeft gevonden."

21. Artikel 51b Sv luidt:

"1. Voor de aanvang van de terechtzitting geschiedt de voeging door een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust, bij de officier van justitie die met de vervolging van het strafbare feit is belast. Deze opgave vindt plaats door middel van een door Onze Minister van Justitie vastgesteld formulier en bevat de naam, voornamen, geboortedatum en woon- en verblijfplaats van de benadeelde partij.

2. Ter terechtzitting geschiedt de voeging door de opgave, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, bij de rechter uiterlijk voordat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig artikel 311 het woord te voeren. Deze opgave kan ook mondeling worden gedaan."

22. Artikel 421 Sv luidt - voorzover hier van belang - :

"1. De benadeelde partij die zich niet overeenkomstig artikel 51b, eerste of tweede lid, in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, is daartoe onbevoegd in het geding in hoger beroep.

2. Heeft de voeging in eerste aanleg plaats gehad, dan duurt zij, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

3. Voor zover de gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen kan de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep voegen. De artikelen 51b tot en met 51f zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de ingevolge artikel 51b vereiste opgave kan worden volstaan met een verwijzing naar de opgave van de eerste vordering, indien deze ongewijzigd is gebleven.

4. (...)".

23. De Memorie van Toelichting houdt omtrent de voeging als benadeelde partij onder meer het volgende in:

"2.6 Het wetsvoorstel omschrijft in artikel 51b Sv het moment en de wijze waarop de voeging als benadeelde partij plaatsvindt. Volgens het huidig artikel 332, tweede lid, vindt de voeging plaats ter terechtzitting door een opgave van de vordering voordat de officier van justitie zijn requisitoir heeft gehouden. Het eerste lid van artikel 51b opent de mogelijkheid dat de benadeelde partij zich reeds in de fase van het voorbereidend onderzoek voegt. De voeging geschiedt in deze fase door een schriftelijke opgave van de vordering en van de gronden waarop deze berust bij de officier van justitie die met de vervolging van het strafbare feit is belast. Evenmin als in de huidige regeling is de voeging van de benadeelde partij aan formele eisen gebonden. (...)

Een niet onbelangrijk nevengevolg van dit voorstel is dat het de verdachte de gelegenheid biedt zich beter op de vordering voor te bereiden. Artikel 51f, tweede lid, bepaalt dan ook dat als de benadeelde partij zich heeft gevoegd, de officier van justitie de verdachte zo spoedig mogelijk de inhoud van de vordering en de gronden waarop deze berust meedeelt."

(Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3 p. 14)

24. Gelet op de wettekst alsmede de wetsgeschiedenis heeft een benadeelde partij zich gevoegd wanneer deze daarvan schriftelijk opgave heeft gedaan bij de Officier van Justitie. In casu is dat het geval: de benadeelde partij heeft het "Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces" verzonden naar het Arrondissementsparket, waar het blijkens het ontvangststempel op 26 november 2002 is ontvangen. De benadeelde partij heeft zich dan ook conform de in art. 51b lid 1 Sv omschreven wijze in eerste aanleg gevoegd. Dat brengt mee dat de benadeelde partij, wier vordering in eerste aanleg onmiskenbaar niet is toegewezen, zich op grond van art. 421 lid 3 Sv in hoger beroep opnieuw kon voegen. Het oordeel van het Hof dat de benadeelde partij in hoger beroep in zijn vordering kon worden ontvangen, is dus juist.

25. Opmerking verdient nog dat de verdachte niet klaagt dat hem in eerste aanleg niet de mededeling is gedaan als bedoeld in art. 51f Sv.(1) Ook als die mededeling achterwege zou zijn gebleven, had het Hof daar in het onderhavige geval geen gevolgen aan behoeven te verbinden, nu de benadeelde partij gelet op de door de eerste rechter gegeven vrijspraak niet in haar vordering kon worden ontvangen.

26. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

27. Het tweede middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

28. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie over de gevolgen daarvan HR 29 juni 2004, nr. 02030/03.