Home

Parket bij de Hoge Raad, 12-04-2002, AD9348, R01/103HR

Parket bij de Hoge Raad, 12-04-2002, AD9348, R01/103HR

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12 april 2002
Datum publicatie
12 april 2002
ECLI
ECLI:NL:PHR:2002:AD9348
Zaaknummer
R01/103HR
Relevante informatie
Wet op de rechterlijke organisatie [Tekst geldig vanaf 01-05-2022]

Conclusie

Nr. R01/103HR

Mr. Huydecoper

Parket, 8 februari 2002

Conclusie inzake

[De vrouw]

Verzoekster tot cassatie

tegen

[De man]

Verweerder in cassatie

Feiten en procesverloop

1) Verzoekster tot cassatie (de vrouw) en verweerder in cassatie (de man) zijn op 19 december 1986 te Amsterdam op huwelijkse voorwaarden met elkaar getrouwd. Zij kregen op 7 oktober 1987 een dochter. Het huwelijk is op 20 april 1999 ontbonden door inschrijving van een echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2) In cassatie staat (alleen) ter beoordeling de alimentatie die de vrouw voor zichzelf heeft verzocht. Andere geschilpunten die in appel nog aan de orde waren, zijn dat in cassatie niet meer(1).

De vrouw had een alimentatie verzocht van ƒ 55.000,- netto per maand. In de eerste aanleg bepaalde de rechtbank de alimentatie (voor de vrouw) op ƒ 50.000,- bruto per maand.

3) In de thans in cassatie bestreden beschikking heeft het hof de alimentatie gedifferentieerd vastgesteld, en wel als volgt: voor de periode van 20 april 1999 tot 1 januari 2001 ƒ 295.000,- per jaar; en daarna, voor de periode dat de vrouw nog in de echtelijke woning verblijft, ƒ 250.000,- per jaar en voor de periode na het vertrek uit de echtelijke woning ƒ 312.000,- per jaar.

De vrouw is tijdig van deze beschikking in cassatie gekomen. De man heeft verweer gevoerd(2).

Bespreking van het cassatiemiddel

4) In het cassatiemiddel bevinden de klachten - althans: de onderbouwing daarvan - zich verspreid in de toelichtingen die op de p. 9 e.v. worden gegeven. Het is daardoor niet zo makkelijk om zich een beeld te vormen van waarover er geklaagd wordt, en op welke gronden. Ik heb het middel zo begrepen, dat daarin de navolgende inhoudelijke klachten naar voren worden gebracht:

a. het hof zou onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt waarom het tot een lagere vaststelling van de behoefte van de vrouw is gekomen dan de Commissie van Deskundigen(3) (hierna wel te noemen: de Commissie), en de rechtbank(4).

b. De motivering van de beschikking van het hof zou gebrekkig zijn omdat het hof zijn bevindingen heeft gebaseerd op gegevens uit de jaren 1993 en 1994 in plaats van de jaren 1993, 1994, 1995 en de eerste helft van 1996, zoals zou zijn overeengekomen blijkens de (tussen)beschikking in de eerste aanleg van 28 mei 1997. In dit verband wordt ook geklaagd over de door het hof toegepaste correctie op het uitgavenpatroon van de vrouw met betrekking tot kleding, sieraden, bloemen etc(5).

c. De motivering van de beschikking van het hof zou gebrekkig zijn omdat het hof bij de beoordeling van de behoefte van de vrouw slechts rekening heeft gehouden met uitgaven die in het (concept)deskundigenrapport zijn benoemd als "privé-uitgaven rechtstreeks door (de vrouw) gedaan", en niet met de uitgaven die in dat rapport onder andere titel waren gerubriceerd en besproken; waarbij wordt verwezen naar het rapport van de Commissie, p. 8 - 11, 13 en 14 en bijlage 9(6).

d. Het hof zou geen aandacht hebben besteed aan de stellingen van de vrouw betreffende de consequenties die een vervolgonderzoek van de Commissie zou kunnen hebben(7).

e. De door het hof toegepaste rekenmethode zou wegens een aantal uit de beschikking op te maken rekenfouten (of daarmee vergelijkbare fouten) onbegrijpelijk zijn(8).

f. Het zou onduidelijk zijn hoe het hof een bedrag van ƒ 9.000,- wegens een voorziening voor het geval van vooroverlijden van de man, in zijn berekeningen heeft betrokken(9).

g. Het zou onduidelijk zijn hoe het hof bij brutering van de als passend aangemerkte netto-alimentatie, rekening heeft gehouden met de invoering van het nieuwe belastingstelsel per 1 januari 2001(10).

5) Bij de beoordeling van de klachten moet voorop gesteld worden dat die (nagenoeg) alle betrekking hebben op de vaststelling, door het hof, van de behoefte van de vrouw.

Aan de motivering van oordelen die alleen de behoefte of draagkracht van partijen in een alimentatiegeschil betreffen, mogen geen hoge eisen worden gesteld(11).

Verder geldt in zijn algemeenheid dat de motiveringsplicht van de rechter in sterke mate wordt bepaald door de van de kant van de partijen naar voren gebrachte stellingen, argumenten en substantiërende feiten of gegevens. Waar partijen bepaalde punten niet in hun debat hebben betrokken zal het, zeker in het kader van een beperkte motiveringsplicht zoals die eerder in deze alinea werd aangeduid, maar bij uitzondering aangewezen zijn dat de rechter aan dergelijke punten toch in de motivering van de te geven beslissing aandacht wijdt.

6) Met inachtneming van deze uitgangspunten bespreek ik de klachten die ik uit het middel heb opgemaakt, en die in alinea 4 hiervóór geparafraseerd zijn weergegeven.

7) Betreffende de in alinea 4 hiervóór sub a) weergegeven klacht: het appel van de kant van de man richtte zich in overwegende mate tegen de beoordeling, in de eerste aanleg, van de behoefte van de vrouw. Daarop waren vier van de zeven door de man aangevoerde grieven gericht(12).

Het verweer van de vrouw in appel, en ook het van haar kant ingestelde incidentele appel, gingen niet, of hoogstens zeer terloops op deze grieven in. Dat verweer, en ook het incidentele appel, richtten zich in zeer overwegende mate op de nog in geding zijnde argumenten met betrekking tot de draagkracht van de man; en daarnaast op enkele andere punten die in cassatie niet meer aan de orde zijn. Het is begrijpelijk, en ook correct, dat de motivering van de beslissing van het hof zich, voor wat betreft de behoefte van de vrouw, heeft geconcentreerd op de beoordeling van de door de man in appel aangevoerde grieven, en dat daarbij geen extra aandacht is besteed aan aspecten van de zaak die niet door de grieven of door het verweer van de vrouw aan de orde werden gesteld.

8) Daarbij moet rekening worden gehouden met het leerstuk dat wel wordt aangeduid als de "devolutieve werking van het appel". Daarmee bedoel ik dan de regel dat de appelrechter, als die een beslissing van de lagere rechter vernietigt, argumenten die de partij tegen wie dit oordeel effect heeft in de eerste aanleg had aangevoerd, en die van belang kunnen zijn voor de vervolgens door de appelrechter te geven beslissing, in de appelinstantie moet onderzoeken, ook als die argumenten niet door de betreffende partij in appel zijn herhaald of door een incidenteel appel naar voren zijn gebracht(13). Wat die regel betreft: nog daargelaten dat het middel er niet expliciet over klaagt dat het hof die zou hebben miskend, denk ik dat het hof dat ook niet heeft gedaan. Het heeft, lijkt mij, wel degelijk ook de in eerste aanleg door de vrouw aangevoerde argumenten in beschouwing genomen, maar het heeft kennelijk geen aanleiding gezien om op basis van die argumenten af te wijken van het in eerste aanleg gegeven oordeel. Dat is ook alleszins begrijpelijk, zoals in nrs. 9 t/m 11 hierna nog nader aan de orde zal komen.

Dat zo zijnde, kon het hof volstaan met een gemotiveerde beoordeling van de in appel aan de orde gestelde argumenten. Hieruit volgt dat de onderhavige klacht doel mist, voorzover die al voldoet aan de uit art. 426a Rv. (oud(14)), tweede lid blijkende maatstaf (de klacht geeft immers nauwelijks aan welke bezwaren tegen de beslissing van het hof men daarmee op het oog heeft(15)).

9) Betreffende de in alinea 4 sub b. hiervóór weergegeven klacht: in het (concept) deskundigenrapport dat zowel de rechtbank als de partijen, zowel in eerste aanleg als in appel, voor de beoordeling van de behoefte van de vrouw tot richtsnoer hebben genomen(16), wordt op p. 9 (ad a) geconstateerd dat (van de kant van de vrouw) alleen gegevens met betrekking tot de jaren 1993 en 1994 zijn aangeboden; en dat van haar kant gesteld is (en voorzover in cassatie naar voren is gebracht: ook door de man niet is weersproken) dat de uitgaven voor de latere jaren vergelijkbaar waren. Deze constatering is ook na het (concept)deskundigenrapport door partijen - ook in appel - niet bestreden, met dien verstande dat de man in appel wèl de uitkomst heeft betwist die de deskundigen (en de rechtbank) op basis van de cijfers voor 1993 en 1994 hadden bereikt.

Bij die stand van zaken is niet alleen begrijpelijk dat ook het hof deze gegevens tot uitgangspunt heeft genomen (en geen stappen heeft ondernomen om de gegevens over latere jaren, die de partijen kennelijk niet van belang achtten voor de van het hof gevraagde beslissing, op het spoor te komen) - bij die stand van zaken had het hof zelfs weinig andere keus, dan de gegevens waar ook de partijen van uit zijn gegaan aan zijn oordeel ten grondslag te leggen.

Ten overvloede geldt dan nog dat het middel niet aangeeft, in welk opzicht het voor de beoordeling van de behoefte van de vrouw verschil zou (kunnen) maken wanneer niet slechts de jaren 1993 en 1994 in aanmerking worden genomen, maar ook de aangegeven periode van 1 1/2 jaar daarna. Gezien het zojuist gezegde omtrent de gegevens die partijen aan de rechter hadden verstrekt valt voorshands niet in te zien dat dit verschil zou kunnen maken.

De klacht is dus ongegrond.

10) De in dit verband nog aangevoerde tegenwerping dat het hof "onterechte" correcties zou hebben aangebracht op door de vrouw opgevoerde uitgaven wegens "kleding, sieraden, bloemen, etc."(17) is niet nader toegelicht of beargumenteerd. Deze klacht voldoet dus niet aan de uit art 426a Rv., tweede lid, voortvloeiende eis.

11) Dan wat betreft de in alinea 4 sub c. hiervóór omschreven klacht: hiervoor geldt, mutatis mutandis, het in de alinea's 7 en 8 hiervóór besprokene: de rechtbank had in de in eerste aanleg gegeven eindbeslissing reeds besloten tot aanmerkelijke "kortingen" op de uitgavenposten die in het (concept)deskundigenrapport met b, c en d waren aangeduid (zie de op p. 12 van het cassatierekest aangehaalde passages uit dit rapport, en tevens rov. 10 en vooral rov. 11 uit de eindbeschikking in eerste aanleg van 31 mei 2000). De grieven van de man bestreden in sommige opzichten het oordeel van de rechtbank over deze posten, maar het hof heeft die argumenten van de man niet gehonoreerd, en de daardoor aangevallen beslissingen van de rechtbank (dus) overgenomen(18).

De vrouw had in appel geen enkel argument met betrekking tot deze posten aangevoerd (met dien verstande dat wel is aangevoerd dat zij haar stellingen uit de eerste aanleg handhaafde). In die omstandigheden was het hof ingevolge het leerstuk van de zgn. "devolutieve werking" wel verplicht om rekening te houden met de mogelijkheid dat in de eerste aanleg aangevoerde argumenten van de vrouw tot een ander oordeel konden leiden dan de oordelen waartoe het hof was gekomen (althans: voorzover die van de beoordeling door de rechtbank afweken, en in zoverre gevolg gaven aan door de man aangevoerde grieven); maar was het hof niet gehouden om (nader) te motiveren waarom het géén aanleiding zag om af te wijken van door de rechtbank gegeven, en in appel niet met nadere argumenten bestreden beslissingen.

12) Op p.13 van het cassatierekest wordt de thans besproken klacht nog aangedrongen met verwijzing naar het ten processe gestelde en de ten processe gestelde gegevens, waarvoor wordt verwezen naar het, in de woorden van het cassatiemiddel zelf: omvangrijke procesdossier. Opnieuw moet ik tot mijn spijt opmerken dat een op die manier opgezette klacht in cassatie niet aan de eis van art. 426a Rv. voldoet. De uitnodiging om in een omvangrijk dossier niet nader aangeduide stellingen en gegevens te gaan opsporen, miskent zowel de taak als de mogelijkheden van de cassatierechter (gebonden als deze is aan de inhoud van deugdelijk te zijner kennis gebrachte cassatiemiddelen); en miskent ook dat een eerlijke procesvoering meebrengt dat de wederpartij met althans enige precisie moet kunnen vaststellen wat de grondslag van de door de andere partij ingenomen standpunten is, zodat daartegen een behoorlijk gemotiveerd verweer kan worden ingebracht.

Ook deze klacht is daarom niet doeltreffend.

13) De in alinea 4 onder d. weergegeven klacht faalt om een aantal redenen. Ten eerste heeft het hof, anders dan de klacht betoogt, wel aandacht besteed aan de hier bedoelde stellingen van de vrouw: het heeft in rov. 4.10 vastgesteld dat de draagkracht van de man voldoende was om alimentatie in de in geding zijnde omvang te betalen, en dat daarom het door de vrouw voorgestane vervolgonderzoek geen doel had. (Ook) inhoudelijk is daarmee het onderhavige betoog van de vrouw overtuigend weerlegd: het verzoek om een vervolg van het deskundigenonderzoek dat de vrouw in appel had bepleit(19) berustte geheel op stellingen die betrekking hadden op de draagkracht van de man(20). Met de vaststelling dat de draagkracht van de man hoe dan ook voldoende was om de aan de vrouw (en de dochter van partijen) toekomende alimentatie te betalen, werd een nader onderzoek naar de precieze omvang van die draagkracht overbodig.

14) Vervolgens de in alinea 4 hiervóór onder e. en f. weergegeven klachten: de sub e. weergegeven klacht berust, zoals in de schriftelijke toelichting namens de man met juistheid wordt opgemerkt, op rekenfouten of verkeerde aannames in het cassatierekest. De belangrijkste daarvan zijn:

- toepassing van indexering aan de hand van de in het cassatierekest genoemde indexcijfers (die overigens niet dezelfde hoeven te zijn als de index waarvan het hof is uitgegaan) leidt per 1 januari 1999 (het cassatierekest gaat er ten onrechte van uit dat het hof ook de index voor het jaar 1999 nog heeft toegepast) tot een bedrag van ongeveer ƒ 173.300,-. Dat is dus minder dan het hof als rekenmaatstaf heeft gehanteerd en niet meer, zoals het cassatierekest poneert. Voor het verschil zijn overigens voor de hand liggende redenen denkbaar, zoals: toepassing van andere indexcijfers dan die van het cassatierekest. (Ook) daarom acht ik het hier bestreden oordeel niet onbegrijpelijk. Terzake doet dit overigens niet, reeds omdat de vrouw zich er niet over kan beklagen dat het hof tot een in haar opzicht te royale rekenuitkomst is gekomen.

- De minderingen die het hof heeft toegepast op de opgevoerde uitgavenposten wegens kleding etc. bedragen niet, zoals in het cassatierekest verondersteld,

ƒ 40.000,- maar ƒ 50.000,-. Als men tevens de bijtelling van ƒ 9.000,- voor een nabestaanden-pensioenvoorziening in aanmerking neemt, leidt dat - precies - tot de door het hof vastgestelde bedragen. Daaruit volgt dat de klacht sub e., maar ook de klacht sub f. niet op gaat.

15) Tenslotte de in alinea 4 hiervóór onder g. weergegeven klacht: ook deze geeft niet nader aan waarom de steller meent dat de door het hof toegepaste brutering van de tot uitgangspunt genomen netto-bedragen niet begrijpelijk zou zijn. Op p. 16 van het cassatierekest wordt geponeerd dat een ieder die op basis van "één en ander" aan het rekenen slaat dat zal constateren, maar miskent daarbij dat de cassatieinstantie geen ruimte biedt voor uitnodigingen aan de Hoge Raad (trouwens ook niet aan het Parket bij de Hoge Raad) om aan het rekenen te slaan, zonder nadere aanduiding van de toe te passen rekengrondslag of rekenmethode(21).

Ten overvloede gelde intussen dat wanneer men de door het hof gevonden bedragen vergelijkt met de tarieven die sedert 1 januari 2001 voor inkomsten als bedoeld in "Box 1" gelden, de uitkomst zich als alleszins begrijpelijk aandient. Hetzelfde geldt overigens voor de tarieven zoals die vóór 1 januari 2001 golden (dit indachtig mijn opmerking bij voetnoot 10).

16) Her en der in het middel zijn nog verzuchtingen aanwezig, die ertoe strekken dat onduidelijk zou zijn langs welke weg het hof tot de verkregen uitkomsten is gekomen. Voor deze verzuchtingen zijn de eerder gemaakte opmerkingen cumulatief van toepassing: hier wordt een eis gesteld die voor de motivering van beslissingen inzake draagkracht niet gesteld mag worden; hier wordt niet voldaan aan de eis die ingevolge art. 426a Rv. wèl aan een cassatiemiddel gesteld wordt; en hier wordt de verweerder in cassatie geen behoorlijke basis geboden waarop deze een gemotiveerd verweer kan voeren.

Ik merk volledigheidshalve op dat, zoals hoger al in verband met de minder vage klachten van het middel besproken, de vaststellingen en berekeningen van het hof getrouwelijk aansluiten bij het partijdebat zoals dat in appel is gevoerd; en dat die vaststellingen en berekeningen in het licht daarvan alleszins duidelijk en begrijpelijk zijn.

17) Het middel bevat ook nog, op meer dan een plaats, stellingen die ertoe strekken dat de beslissing van het hof met enige rechtsregel strijdig, of met redelijkheid en billijkheid onverenigbaar zou zijn(22). Mij ervan bewust dat ik in herhaling verval: hierbij wordt niet aangegeven welke rechtsregel zou zijn veronachtzaamd, of welke regels of omstandigheden meebrengen dat aan redelijkheid/billijkheid geweld aangedaan zou worden. De klacht voldoet dus niet aan de eis van art. 426a, tweede lid Rv. Ik voeg toe dat men ook niet kan gissen wat de steller van het middel hier bedoelt. Het hof heeft bij de vaststelling van de alimentatie voor de vrouw de volledige behoefte aan haar kant, zoals het hof die daarvoor had vastgesteld, tot uitgangspunt genomen, en een alimentatie bepaald die ten volle aan deze behoefte tegemoet zou moeten komen. Het valt niet in te zien hoe een beslissing volgens deze rechttoe-rechtaan methode, ten opzichte van de alimentatiegerechtigde met enige rechtsregel, de maatstaven van redelijkheid/billijkheid incluis, in strijd zou kunnen zijn.

18) Volgens mij stelt het cassatiemiddel geen vragen aan de orde die in verband met de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling om beantwoording vragen.

Conclusie

Ik meen dat het cassatieberoep zou moeten worden verworpen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Met dien verstande dat de in al. 4 sub d. hierna te omschrijven klacht zo kan worden begrepen, dat die ook betrekking heeft op de voor de dochter van partijen vastgestelde alimentatie. Om de in al. 13 hierna te bespreken redenen mist deze klacht echter ook in dit verband goede grond.

2 Het dossier is uitzonderlijk omvangrijk. Het is overigens niet altijd duidelijk wat de portee is van (geding)stukken die aan het dossier zijn toegevoegd. De raadsvrouw van de man heeft bij brief van 25 oktober 2001 bericht dat uit praktische overwegingen het procesdossier niet wordt gefourneerd.

3 Deze Commissie is door de rechtbank Amsterdam ingesteld bij tussenbeschikking van 28 mei 1997. Zij had tot taak, kort gezegd, de behoefte van de vrouw en de inkomens- en vermogenspositie van de man te onderzoeken.

4 Cassatierekest p. 8 sub a, nader uitgewerkt op p. 9 t/m 13.

5 Cassatierekest p. 8 sub b, nader uitgewerkt op p. 12, 13 en 14.

6 Cassatierekest p. 9 sub c, in aansluiting hierop uitgewerkt op de p. 9 t/m 13.

7 Cassatierekest p. 14; zoals in voetnoot 1 aangegeven, heeft deze klacht misschien ook betrekking op de alimentatie voor de dochter van partijen; maar is de desbetreffende klacht ook in dat opzicht ongegrond.

8 Cassatierekest p. 9 sub d, nader uitgewerkt op p. 14 en 15.

9 Cassatierekest p. 9 sub e, nader uitgewerkt op p. 14 t/m 16.

10 Cassatierekest p. 9 sub f, nader uitgewerkt op p. 16. Ik merk op dat bij de uitwerking ook (een klacht over) de brutering volgens het belastingstelsel van vóór 1 januari 2001 wordt betrokken.

11 Zie voor recente voorbeelden uit de overvloedige rechtspraak die dit bevestigt: HR 1 februari 2002, zaaknr. R01/082, rov. 3.5; conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense onder 8, "overgenomen" in HR 23 november 2001, JOL 2001, 681; HR 19 oktober 2001, JOL 2001, 548, rov. 3.4; HR 9 februari 2001, JOL 2001, 103, rov. 3.3; HR 10 december 1999, NJ 2000, 4, rov. 3.3; HR 26 juni 1998, NJ 1998, 672, rov. 3 (slot); HR 24 april 1998, NJ 1998, 603, rov. 3.5; HR 4 september 1998, NJ 1998, 827, rov. 3.5 en al. 2.12 t/m 2.16 van de conclusie van A-G Langemeijer voor deze beslissing. Zie ook Asser-De Boer (1998), nr. 620.

12 De grieven I, II, V en VI.

13 Zie o.a. Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep (2001), p. 68 - 76 en Snijders-Wendels, Civiel Appel (1998), nrs. 189 en 244 - 249.

14 Op deze zaak zijn de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zoals die tot 1 januari jl. luidden van toepassing. Art. 426a Rv. is overigens bij de herziening van het Wetboek niet gewijzigd.

15 Zie hierover Ter Heide, Middelmaat: aan een cassatiemiddel te stellen eisen, TCR 2001, nr. 4, p. 77 e.v.; en bijvoorbeeld HR 9 november 2001, JOL 2001, 648, rov. 3.3.

16 Dit stuk bevindt zich op een aanzienlijk aantal plaatsen in het procesdossier, o.a. als bijlage 11 bij het appelrekest (van de man).

17 Cassatierekest, p. 12 onderaan.

18 Rov. 4.2.4 - 4.3 van de bestreden beschikking.

19 En zeer uitvoerig had bepleit. Het zwaartepunt van de stellingen van de vrouw in appel betreft, zoals al eerder aangestipt, dit aspect van de zaak; terwijl de stellingen van de vrouw in appel in het geheel niet (inhoudelijk) ingingen op de grieven waarmee de man bestreed dat haar behoefte (zo aanzienlijk) zou zijn als door (deskundigen, en in mindere mate ook) de rechtbank was aangenomen.

20 Uit rov. 4.10 blijkt althans dat het hof dit betoog zo heeft begrepen; en dat is (nog daargelaten dat het middel deze uitleg van het hof niet expliciet aanvecht) in het licht van wat namens de vrouw in appel was aangevoerd ook bij uitstek begrijpelijk.

21 Ik houd het er trouwens voor dat ook als zulke gegevens wèl worden aangedragen, de steller van het middel er beter aan doet om ook de berekeningen die hij aan de hand daarvan juist acht, zelf uit te voeren, en het niet te laten bij een uitnodiging aan de rechter om dat te doen. Dat is, ook in dit verband, niet alleen een kwestie van redelijke werkverdeling tussen rechters en justitiabelen, maar ook, en vooral, van eerlijke procesvoering. Als een procespartij de suggestie opwerpt dat zij bij bepaalde berekeningen baat kan hebben, maar niet zelf aangeeft welke uitkomsten zij daarbij op het oog heeft, plaatst zij ook in dit opzicht haar wederpartij, althans in vele gevallen, voor onoverkomelijke en althans onredelijke belemmeringen bij het formuleren van adequaat verweer.

22 Zie bijvoorbeeld p. 12 - 13 en p. 16 van het cassatierekest.